Gemeenschap. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Gemeenschap, De


bron: De Gemeenschap. Jaargang 9. De Gemeenschap, Utrecht 1933


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Boeken

De sociale leer der Kerk. Pater Rutten O.P. - Uitg.: Geloofsverdediging, Antwerpen.

Elke poging om de beide sociale encyclieken te populariseren verdient toejuiching en als zodanig is ook dit boekje te begroeten. Het bevat de tekst van Rerum Novarum en Quadragesimo Anno (de laatste blijkbaar in de vertaling van v. Lieshout) en 9 hoofdstukken met beschouwingen over de belangrijkste onderwerpen. Over de waarde dezer beschouwingen kan men verschillend oordelen. Als het waar is, wat de schrijver in zijn inleiding zegt, dat deze geestelike drank, om gesmaakt en verteerd te worden, in aangelengde vorm moet worden opgediend, dan voldoet dit boekje wel aan een dergelike behoefte. Wie echter de korte, dringende direktheid van deze encyclieken als een bijna essentieel, in ieder geval belangrijk onderdeel ervan gezien heeft, krijgt na de lezing van dit aangelengde betoog een kriebelig gevoel van ontevredenheid, omdat hem veel werd onthouden, dat hij in de tekst van de pauselijke brieven wel vindt en omdat wat hem geboden werd, de pittige, kernachtige smaak mist van het pauselik woord zelf. Velen willen over de vraagstukken, die de pausen uiteraard slechts beknopt aangeven, gaarne wat meer weten; ze willen zich gaarne verdiepen in meer details, kennisnemen van allerlei argumentatie en documentatie, zonder nochtans in staat te zijn, er een vakstudie over te beginnen. Voor dezen is dit boekje klaarblijkelik bedoeld, maar voor

[p. 56]

dezen is het ook zeker een teleurstelling. Want inplaats van iets van de sluier op te lichten, die over vele duistere plaatsen hangt, draagt dit geschrift er toe bij, de volkomen heldere plaatsen met een sluier van heel veel mooie en nutteloze woorden te bedekken. Dit aangelengde drankje zal door velen wel erg slap gevonden worden.

ST. VAN SCHAIK.

Grondbeginselen der Katholieke Staatsethiek. - Uitg.: Geloofsverdediging, Antwerpen.

Door Kardinaal Hlond, primaat van Polen, werd deze herderlike brief geschreven als een leidraad bij de opbouw van de nieuwe Poolse staat; maar dit herderlik schrijven heeft betekenis ver buiten de grenzen van Polen, omdat het teruggaat tot de principiëele waarheden en daarvan een uiteenzetting geeft van een zo klare beknoptheid en een zo prakties inzicht, dat deze brief gelezen moet worden door eenieder die ziet dat er ook in andere staten dan Polen ‘something rotten’ is. Het populariseren van de wetenschap heeft een zeer slechte reputatie gekregen doordat het meestal bestond in een aanlengen en vertroebelen van de wetenschappelike resultaten met veel gevoelsuitingen en nog meer rhetorica. Kard. Hlond vat echter de popularisatie anders op. Hij laat juist alle overbodige franje weg en bereikt daardoor een eenvoud die voor ieder, ook niet-wetenschappelik geschoold verstand doorzichtig is en tot scherpe, praktiese konklusies dwingt.

Wie de grote waarde begrijpt van een klaar inzicht in de verhoudingen van de Staat tot God, tot de individuele mens, de mensengemeenschap en tot andere staten en van de Staat tot de Kerk, hij vindt hier de leer der Kerk beknopt maar volledig uiteengezet en hij vindt er bovendien een oplossing van verscheidene problemen, de praktiese politiek betreffende.

‘Middenin de algemene krisis van het staatsleven, middenin de algemene krisis van het politiek geweten, wees gij, Polen, het voorbeeld van een kristelike Staat!’

Deze aansporing is voor Polen bestemd, maar voor vele anderen uiterst geschikt.

ST. VAN SCHAIK.

A.M.F.D. Geerts - Vondel als classicus bij de humanisten in de leer.
Uitg.: Sint Norbertus Drukkerij - Tongerloo (Antw.) - 1932.

Proefschriften zijn ook boeken! Ze worden dus ook geschaad door een gebrek in de ‘oikonomia’, zooals Gerard Vossius de ‘compositie’ noemde, en het geschrift van Doctor A.M.F.D. Geerts heeft deze schade werkelijk geleden. Het is te weinig evenwichtig opgebouwd en de ‘economie’ van den geleerde manifesteert zich te duidelijk als een spaarzaamheid in het bewonderen. Schaarsch zijn de welwillende zinnen, die hij aan Vondel gunt. Immers hij zocht bij den dichter naar.... fouten, en meende te volstaan als hij die, 'n enkele maal wat vergoelijkend, aanwees. Zoo werd zijn boek eenzijdig. Het heeft te weinig tegenwicht aan eerbied.

[p. 57]

De schrijver stelde het op een overtuigende, maar lang niet overal bevredigende wijze, en het ontzag, dat hij als deskundige afdwingt, verliest hij daardoor als auteur. Het is wel waar, dat men iemand niet tot docotor promoveert wegens zijn stijlqualiteiten, maar niettemin blijft het een eisch der wetenschap (en der letterkundige wetenschap eerder nog dan van eenige andere) dat zij worde medegedeeld op een haar waardige wijze.

Het werk van den heer Geerts, die zich den doctorstitel toegekend zag zoowel om zijn bedrevenheid in de klassieke talen als om zijn kennis van de Nederlandsche letteren, is naar onze smaak te apodictisch geschreven. De stijl der eerste hoofdstukken vooral is eerder die van een stellingen-reeks dan van een geordend betoog en klinkt daardoor te weinig mild niet slechts tegenover degenen, wier meening Dr. Geerts gemotiveerd weerlegt, maar zelfs tegenover den dichter, wiens verzen hij toelicht. Van Lennep, Kalff, Schmidt-Degener, Van de Velde worden kortaf weersproken in een terminologie, die men bezigen zou, wanneer men hen uitroeien wilde. En ook de ‘suggestibele Vondel’, zooals Professor Molkenboer hem eens teekenend noemde, krijgt zijn gehoorzaamheid aan geleerde vrienden verweten op een toon, dien men zou aanslaan tegen iemand, als hij zich had gecompromitteerd en daarna nog deed, of hij het vaderland gered had.

In Vondel-beschouwingen van den nieuwsten tijd begint een familjare vrijmoedigheid door te klinken, die voor den vereerder hinderlijk is. Sedert de groote man weer kamerdienaars heeft, krijgt men oog voor zijn betrekkelijke kleinheid en terwijl Ter Braak zijn seniliteit demasqueert, terwijl Greshoff hem in belangrijkheid doet wijken voor niemand meer dan E. du Perron, schijnt het nu ook een goede toon te moeten worden in de Vondel-wetenschap, den dichter lager aan te slaan dan pas geeft. Alsof de Vondel-wetenschap, wil zij haar bestaansrecht bewijzen, niet op de erkenning moest steunen, dat Vondel de moeite dier wetenschap waard is! Men merkt het zoo zelden....

Om zonder eenige vergoeding te mogen spreken over Vondels ‘gewone overijling en onnauwkeurigheid’, alsof het slechts Ton Kerssemakers betrof, die ‘Le Sang du Pauvre’ vertaalde, heeft men meer noodig dan de overigens uitgebreide eruditie van Dr. Geerts en het is minstens aanbevelenswaardig, dat men geen prachtige verzen citeert, alleen om te laten zien, dat daar een vertaalfout in schuilt. Laat mij een enkel voorbeeld kiezen.

Vondel schrijft in de ‘Amsterdamsche Hecuba’:

 
Tienmael oock de mayer maeyde
 
In 't Sigeesche veld 't gesaeyde,
 
Datter niet een dagh en gle
 
Of hij brocht sijn' droefheyd me.

In de ‘Troas’ van Seneca staat:

 
Sigeis
 
Trepidiis campis decies secuit
 
Messor aristas; ut nulla dies
 
Moerore caret, sed nova fletus
 
Causa ministrat.
[p. 58]

Nu teekent Dr. Geerts alleen maar aan: ‘De vertaling van “ut” laat hier te wenschen over, maar van ongerijmdheid is hier geen spraak.’ Neen, daar is geen spraak van! Het is niet ongerijmd! Maar hoort gij niet, voelt gij niet, dat het mooi is, mooier dan Seneca's verzen, al ware het slechts om dat glijden van den dag, stil langs den maaier heen, al ware het alleen om die muziek van woorden met hun vollen zomer in den open a-klank van de beide eerste regels, die zoo luchtig dansen op hun rijmen, en dan daarna de ingehouden toon van de twee volgende verzen, waarin dezelfde klank omsloten en verdoft wordt, als een jubelkreet, die smoort?

Al te streng is ook de toon van Dr. Geerts in zijn kritiek op de ‘Heldinnebrieven’, waarin ‘fouten voorkomen, die een behoorlijk gymnasiast uit de hoogere klassen gemakkelijk verbeteren kan.’ Hierover vervolgt Dr. Geerts:

 

‘De vertaling krioelt van fouten, vertoont overal leemten en verraadt onbekendheid met eenvoudige realia. Het gaat niet aan uit blinde bewondering voor alles wat Vondel geschreven heeft zich van deze hinderlijke brieven af te maken met de bewering, dat we hier met een klad te doen hebben en met een overzetting, die niet ter publicatie was bestemd. Het gaat evenmin aan ze eenvoudig, zooals Prof. Kalff doet, te negeeren. Deze vertaling is het onweerlegbaar bewijs van Vondels onbekwaamheid om op vijftigjarigen leefttijd op eigen krachten behoorlijk de betrekkelijk gemakkelijk te begrijpen heldinnebrieven van Ovidius in 't Nederlandsch over te brengen.’ Dit zou ales goed en wel bevonden worden, als Vondel eenige verantwoordelijkheid droeg voor de uitgave dier mislukte vertaling. Ze werd eerst bezorgd in 1716 door David van Hoogstraten. Men kan een schrijver niet ten volle aansprakelijk stellen voor een ontwerp, dat hij in portefeuille hield en al bewijst het, dat hij zonder hulp ongelukkig vertaalde, het toont meteen, dat hij zijn ongelukken voor zich hield, wat ook een verdienste mag heeten!

De argumentatie van Dr. Geerts is sterk genoeg, maar zijn fout ligt reeds in het begin, waar hij schreef: ‘Wil men Vondel als Latinist en Hellenist naar waarde schatten, dan moet men zijn sympathie voor den dichter opschorten en zijn bewondering het zwijgen opleggen.’ Juister lijkt ons het standpunt van Dr. A.A. Verdenius, uiteengezet in zijn ‘woord vooraf’ tot het commentaar op Vondels Vergilius-vertaling (W.B. uitgave, dl VI): ‘Vondel heeft Vergilius dikwijls verkeerd of maar ten halve begrepen. Dit behoeft natuurlijk aan de waarde van zijn vertaling als geheel niet zoo heel veel af te doen. Men kan Vondels proza blijven bewonderen, ook al geeft hij dikwijls Vergilius' bedoeling niet of onnauwkeurig weer.’ Ik cursiveerde met opzet de woorden, waaruit de tegenstelling het duidelijkst blijkt Hoe Vondel er toe kwam, klassieke dichters te vertalen zonder daarbij voldoende classicus te zijn om het taalkundig-feilloos te doen? Ieder

[p. 59]

dichter, die wel eens verzen vertaalde, weet het antwoord: omdat op een gegeven oogenblik de moedertaal in u gaat zingen door de vreemde regels heen, dan met de vreemde regels samen, eindelijk in hun plaats. Dit is een inspiratieve vorm der ontroering, aan ieder vertaler onder de dichters bekend. En juist bij hen, die sterk voluntaristisch van aanleg zijn in hun kunst, zooals Joost van den Vondel was, doet deze vorm zich voor. Vraagt het den Dante-vertalers, vraag het Verwey, hoe ‘het ontstaan van vertalingen over 't algemeen verklaard’ dient te worden. Maar geef niet bij voorbaat het botste antwoord, omdat dit het minst romantische moet schijnen, zooals Dr. Geerts doet wanneer hij uiteenzet:

 

‘De practisch aangelegde uitgevers wisten dat de naam van de fenix onder de Nederlandsche dichters de beste reklaam was om een vertaling onder het publiek ingang te doen vinden’.

 

Bezwaren tegen den toon, bezwaren tegen het gebrek aan eerbied, bezwaren ten slotte tegen de compositie, zijn echter geen bewijs, dat een boek zijn belang niet zou hebben. Daar is vooreerst het zuivere studie-belang van het feit, dat Dr. Geerts met betrouwbare nauwkeurigheid aanwijst, welke uitgaven en commentaren door Vondel bij zijn vertalingen werden gebruikt of geraadpleegd. Vervolgens ontdekte de schrijver een tot heden weinig onderzochten invloed van Horatius op Vondel sedert 1630. Zeer belangwekkend is ook de weerlegging van F. Schmidt-Degener en Dr. v.d. Velde, die Sandrart voorstellen als Vondels leeraar in de kennis der beeldende kunsten. Dr. Geerts toont aan, dat Franciscus Junius den dichter heeft voorgelicht, en dat ‘de beschouwingen van Vondel over licht en donker, het doodzwijgen van de Hollandsche schilders van zijn tijd, de vergelijking van het menschelijk lichaam met een welgebouwden tempel, de theorie over de nabootsing, over de nadeelige gevolgen van het zich hechten aan een meester, het dwepen met de “Idea” als schoonheidsideaal, het boven alles bewonderen van historische schilderijen’ terug te vinden zijn in ‘De Pictura Veterum’ van Junius (1637). Hiermee is de opvatting van Schmidt-Degener weerlegd, als zou Vondel, aangedreven door Sandrart, betrokken geweest zijn in kleinzielige kuiperijen tegen Rembrandt. (De Gids, 1919). Waardevol ten slotte is de iets te schematische behandeling van Vondels neiging tot het symbolisme der neo-platonici (onder invloed van Athanasius Kircher S.J.) in de laatste periode van zijn dichterschap. Wees hij vroeger de ‘verborgen beteekenis’ van de hand, later schreef Vondel:

 
Als men niet Godts heilzin vat
 
Uit de boecken, blâen en schoolen,
 
Blijft men buiten 't licht verdoolen
 
In den grooten Labyrinth.
 
Maar die 't eenigh kluwen vint,
 
En den draet der Roomsche waerheit,
 
Kan zich redden uit de naerheit
 
Van dien doolhof, en zijn pâen
 
Daer de blinden in vergaen.
[p. 60]

En deze ‘symbolische’ opvatting der klassieke dichtkunst verklaart de verbazingwekkende uitgave van Ovidius' ‘Herscheppingen’ door den vromen grijzaard. De vertaling, zegt dr. Geerts: ‘werd in het licht gegeven ad majorem Dei gloriam’, en daarmee weerspreekt hij de betrekkelijk populaire beschuldiging, als zou Vondel zich op hoogen leeftijd hebben vermeid in het minder decente. Een aanhangsel biedt overvloedig bewijsmateriaal bij het bondige boek.

ANTON VAN DUINKERKEN.