De Gentse Spelen van 1539


auteur: anoniem Gentse Spelen, De


bron: B.H. Erné en L.M. van Dis, De Gentse Spelen van 1539, (twee delen). Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage 1982.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 51]

Leffijnghe

DE JESUSTEN
zinspreuk
Altoos doende
Antwoord
Hope der Ghenaden Christi
 
(geen prijs)

[p. 52]



illustratie

[p. 53]

Inleiding

De personages

Hoofdpersoon
De Mensche, Mensche
 
Helpers
Schriftuerlic Troost, een geestelijke, onder andere toegesproken als vader 77, heer 269 en claerck 333; vertroosting door de Schrift.
Hope der Ghenaden, waarschijnlijk als een engel, ‘schoon om niemants versmaden’; met een anker als symbool; haar ‘staf van ghenaden’ krijgt Mensche 358.
 
Schriftuerlic Troost en Hope vormen ondanks hun niveauverschil een twee- mondige eenheid, die ‘Hope duer schriftuere’ zou kunnen heten. Het betoog berust mede op toelichting van autoriteiten als Augustinus (84, 181, 291, 375, 530 en via Lombardus 309), Bernardus (100) en Gregorius (207). Beiden betrekken hun woorden tevens op zich zelf (27, 281 e.e.). Hope wordt daardoor in plaats van een personificatie van de christelijke hoop, een getuige daarvan.

De vorm

Proloog   
(genoemd) 1-75Mensche en Schriftuerlic Troost 50 vz.
gekruist, dan gepaard rijm; gesloten einde
Spel A I76-141gepaard rijm; open einde
 B I142-425Hope der Ghenaden daalt neer
gepaard rijm, tot slot gekruist in halve vz.;
gesloten einde
 II426-550gepaard rijm, tot slot gekruist in halve vz.;
gesloten einde
 III551-580gepaard rijm, gesloten einde
Afsluiting 581-590Verzen in drieën, de delen rijmend;
gesloten einde

N.B. Vs. 20 behoort nog tot de voorgaande claus. De druk laat geen wit tussen proloog en Spel; Mensche blijft gedurende de pauze op het toneel.

 

De nadruk heeft fouten verbeterd en plaatsen verduidelijkt, maar ook nieuwe fouten gemaakt.

[p. 54]

Overzicht van de inhoud

Proloog (1-75)
Als eenvoudig man, die geen theologische werken lezen kan, voelt Mensche zich niet in staat het antwoord op de Gentse vraag te vinden. Schriftuerlic Troost verzekert, dat het zonneklaar in de bijbel staat (21). Vervolgens legt hij uit, dat de mens sterven moet als gevolg van de erfzonde, ieder op zijn tijd - met figueren van kind, jongeling, man en grijsaard (vanitas-motief). De vraag zal hij na de proloog beantwoorden.
 
Spel A (76-141) Inleiding
Wereldse kennis, macht en rijkdom bieden in het sterven geen hulp (cotemptus- mundi-motief). Schriftuere kondigt betere hulp aan.
 
B I (142-425) Hoop
Hope der Ghenaden daalt uit de hemel neer met de blijde boodschap dat God de mens het eeuwige leven schenken wil.
178
Sterven is geen einde. Het is gevaarlijk door het optreden van de duivel, maar als de mens berouw heeft, zal God zijn zonden niet gedenken; Christus kocht hem vrij. Als Mensche dit aanvaardt, zal hem het antwoord schriftuurlijk en figuurlijk gegeven worden.
246 Het schriftuurlijk antwoord
Het geloof in Christus wekt hoop; geloof, hoop en liefde helpen de mens, maar in het stervensuur is hoop het belangrijkst.
306
Naar de omschrijving door Lombardus berust hoop mede op goede werken van de mens, al gaat het niet alleen daarom, maar ook om Gods genade (334). Het goede dat men gedaan heeft, is samen hoopgevend en bevordert het resultaat.
365
Na meer bijbelteksten verklaart Mensche dat hij vol vertrouwen hopen zal; met zijn helpers verheerlijkt hij de hoop.
 
B II (426-550)
Op Mensches vraag, wat hem in de hemel te wachten staat, spreken de helpers over de heerlijkheid daar en wijzen op een trap van vijf treden, die de weg omhoog voorstelt. Mensche kapt hun betoog echter met een beroep op de beschikbare tijd en een herinnering aan de chaerte, die ook een figuurlijk antwoord verlangt.
494 Het figuurlijk antwoord
Dit wordt gegeven in een uitvoerig tafereel naar 2 Makkabeeën 7: een moeder en haar zeven zonen gingen onverschrokken de dood in, doordat ze op God bleven hopen. Mensche is nu geheel overtuigd.
 
B III (551-580)
Een samenvatting, over het hoofd van de hoofdpersoon ook tot het publiek.
 
Afsluiting (580-590) Opwekking om te leren sterven voor het sterven en krachtig te hopen als God roept; verzoek om waardering.
 

De godsdienstige opvatting

Ter inleiding verklaart de schrijver, dat wijsheid, macht of rijkdom een stervende niet helpen kunnen. Daarna tracht hij enkel de juistheid van zijn antwoord te bewijzen, met inachtneming van de opdracht; het laatste blijkt uit de interrupties 472/6 en 492/63. Met een overvloed aan bijbelteksten en verklaringen uit andere gezaghebbende bron (Augusti-

[p. 55]

nus, Bernardus, Gregorius, Petrus Lombardus) betoogt hij voortdurend, dat alleen hoop op Gods genade uitkomst biedt. Direct en indirect wordt hierbij naar Christus verwezen. Hope der Ghenaden (Christi) leidt bijv. zichzelf met woorden van Christus in (150) en associeert zich met de ‘Verwachting Israëls’ uit Jer. 17:13 (158).

Leffijnghe is te beschouwen als een wedstrijdspel met een beperkt doel. Wat de schrijver daarvoor niet dienstig of noodzakelijk vond, bleef terzijde, zoals de betrekking tussen wet en genade. Discussie ontbreekt; vragen van de hoofdpersoon dienen slechts om de voortgang te bevorderen.

De kerk blijft ongenoemd. Terloops blijkt echter wel instemming met haar opvattingen: de vrije wil (302), de waarde van goede werken (311 e.e.), de noodzaak van biecht en boete (517). Er is geen reden om aan de orthodoxe instelling van de auteur te twijfelen.

Het vroede refrein noemt de menswording van Christus aller hoop en prijst de maagd Maria, door wie hij zich op liet voeden. Het trekt een parallel met de vrouwen door wie de wapenstilstand van Nice tot stand kwam.

In het zotte kritiseert de dichter wel. Hij richt zich tegen verwereldlijkte priesters, ook prelaten al mag dat niet gezegd worden, en tegen hovaardigen die op hun boeken vertrouwen en meer denken te weten dan Gods vissers. In het zotte genre mocht men wat vrijmoediger zijn.

De opvoering

Leffijnghe is het enige spel waarin de dubbele opdracht van schriftuurlijke en figuurlijke behandeling al in de proloog is gevolgd. Schriftuerlic Troost loopt met Mensche langs vier togen en herinnert hem met tekst en beeld aan de onzekerheid van het leven in elke periode, kindsheid, jongelingschap, volwassenheid en ouderdom.

Indrukwekkend is in het begin van het Spel de verschijning van Hope. Mensche ziet haar plotseling neerdalen. Hij moet diep onder de indruk zijn, wanneer Schriftuerlic Troost verklaart, dat ze uit de hemel tot hem komt. Het Gentse toneel beschikte voor zo'n vertoning over een lift; dat blijkt ook uit Deynze, waar hij gebruikt wordt voor de hemelvaart van Christus. Naar aanleiding van de regie-aanwijzingen van Job Gommersz bij diens spel van Onser Lijever Vrouwen hemelvaert (1565) heeft Hummelen (4, blz.26) over een dergelijke installatie geschreven en verondersteld (blz. 43), dat deze een vrij normaal onderdeel van de toneelbouw zal zijn geweest. Die suggestie vindt hier steun.

Op het toneel was een trap van vijf treden gebouwd (462), als symbool van de weg die de mens moet gaan: van het kommervolle aardse leven langs verleiding en beproeving via de hoop naar de hemelse heerlijkheid. Mensche kende de eerste stadia. De laatste werden hem getoond in de figuere van de Macchabeeën, moeder en zeven zonen, die de dood verkozen boven ontrouw aan het geloof van de vaderen (eerste rol). Het is niet moeilijk te verstaan dat de schrijver hierbij aan het geloof van de r.k. kerk dacht.

[p. 56]

Voor het uitvoerige tafereel was het gehele toneel beschikbaar. De figueren uit de proloog waren verdwenen en in het kamertje boven waaruit de lift was gekomen, kon een vloertje zijn gelegd. Alle ruimte was ook wel nodig, want bij Antiochus behoorden in elk geval soldaten, een beul met knechten en martelwerktuigen. Wanneer de Romein boven in de ‘troon’ zetelde, konden de aangeklaagden in de kleinere toogruimten opgesteld zijn. De in het Latijn gestelde rollen wijzen er op, dat ze niet spraken.

Opmerkelijk is de manier waarop Mensche de fictie van het spel verbreekt, wanneer dit te lang dreigt te worden (474, 492).

Hope draagt een anker als attribuut. In het spel wordt daarop gedoeld in 353 en 578.