|
|
|
| |
| | | | | |
Leffijnghe
DE JESUSTEN
zinspreuk
‘Altoos doende’
Antwoord
Hope der
Ghenaden Christi
(geen prijs) | | | | | | | | | |
Inleiding
De personages
Hoofdpersoon
De Mensche, Mensche
Helpers
Schriftuerlic Troost, een geestelijke, onder andere
toegesproken als vader 77, heer 269 en claerck 333;
vertroosting door de Schrift.
Hope der Ghenaden, waarschijnlijk als
een engel, ‘schoon om niemants versmaden’; met een anker als
symbool; haar ‘staf van ghenaden’ krijgt Mensche 358.
Schriftuerlic Troost en Hope vormen ondanks hun niveauverschil een twee-
mondige eenheid, die ‘Hope duer schriftuere’ zou kunnen heten. Het
betoog berust mede op toelichting van autoriteiten als Augustinus (84, 181,
291, 375, 530 en via Lombardus 309), Bernardus (100) en Gregorius (207). Beiden
betrekken hun woorden tevens op zich zelf (27, 281 e.e.). Hope wordt daardoor
in plaats van een personificatie van de christelijke hoop, een getuige
daarvan.
| |
De vorm
| Proloog | | | |
| (genoemd) | | 1-75 | Mensche en
Schriftuerlic Troost 50 vz. gekruist, dan gepaard rijm; gesloten
einde |
| Spel |
A I | 76-141 | gepaard rijm; open einde |
| | B I | 142-425 | Hope der
Ghenaden daalt neer gepaard rijm, tot slot gekruist in halve
vz.; gesloten einde |
| | II | 426-550 | gepaard rijm, tot
slot gekruist in halve vz.; gesloten einde |
| | III | 551-580 | gepaard rijm,
gesloten einde |
| Afsluiting | | 581-590 | Verzen in
drieën, de delen rijmend; gesloten einde |
N.B. Vs. 20 behoort nog tot de voorgaande claus. De druk laat geen
wit tussen proloog en Spel; Mensche blijft gedurende de pauze op het
toneel.
De nadruk heeft fouten verbeterd en plaatsen verduidelijkt, maar
ook nieuwe fouten gemaakt.
| | | | | |
Overzicht van de inhoud
Proloog (1-75) Als eenvoudig man, die geen theologische werken
lezen kan, voelt Mensche zich niet in staat het antwoord op de Gentse vraag te
vinden. Schriftuerlic Troost verzekert, dat het zonneklaar in de bijbel staat
(21). Vervolgens legt hij uit, dat de mens sterven moet als gevolg van de
erfzonde, ieder op zijn tijd - met figueren van kind, jongeling, man en
grijsaard (vanitas-motief). De vraag zal hij na de proloog
beantwoorden. Spel A (76-141) Inleiding
Wereldse
kennis, macht en rijkdom bieden in het sterven geen hulp (cotemptus-
mundi-motief). Schriftuere kondigt betere hulp aan. B I
(142-425) Hoop
Hope der Ghenaden daalt uit de hemel neer met de
blijde boodschap dat God de mens het eeuwige leven schenken wil.
178 Sterven is geen einde. Het is gevaarlijk door het optreden van de
duivel, maar als de mens berouw heeft, zal God zijn zonden niet gedenken;
Christus kocht hem vrij. Als Mensche dit aanvaardt, zal hem het antwoord
schriftuurlijk en figuurlijk gegeven worden. 246 Het schriftuurlijk
antwoord
Het geloof in Christus wekt hoop; geloof, hoop en liefde
helpen de mens, maar in het stervensuur is hoop het belangrijkst.
306 Naar de omschrijving door Lombardus berust hoop mede op goede
werken van de mens, al gaat het niet alleen daarom, maar ook om Gods genade
(334). Het goede dat men gedaan heeft, is samen hoopgevend en bevordert het
resultaat. 365 Na meer bijbelteksten verklaart Mensche dat hij vol
vertrouwen hopen zal; met zijn helpers verheerlijkt hij de hoop.
B II (426-550) Op Mensches vraag, wat hem in de hemel te wachten
staat, spreken de helpers over de heerlijkheid daar en wijzen op een trap van
vijf treden, die de weg omhoog voorstelt. Mensche kapt hun betoog echter met
een beroep op de beschikbare tijd en een herinnering aan de chaerte, die ook
een figuurlijk antwoord verlangt. 494 Het figuurlijk antwoord
Dit wordt gegeven in een uitvoerig tafereel naar 2 Makkabeeën 7: een
moeder en haar zeven zonen gingen onverschrokken de dood in, doordat ze op God
bleven hopen. Mensche is nu geheel overtuigd. B III
(551-580) Een samenvatting, over het hoofd van de hoofdpersoon ook tot het
publiek. Afsluiting (580-590) Opwekking om te leren sterven
voor het sterven en krachtig te hopen als God roept; verzoek om waardering.
| |
De godsdienstige opvatting
Ter inleiding verklaart de schrijver, dat wijsheid, macht of
rijkdom een stervende niet helpen kunnen. Daarna tracht hij enkel de juistheid
van zijn antwoord te bewijzen, met inachtneming van de opdracht; het laatste
blijkt uit de interrupties 472/6 en 492/63. Met een overvloed aan bijbelteksten
en verklaringen uit andere gezaghebbende bron (Augusti- | | | | nus,
Bernardus, Gregorius, Petrus Lombardus) betoogt hij voortdurend, dat alleen
hoop op Gods genade uitkomst biedt. Direct en indirect wordt hierbij naar
Christus verwezen. Hope der Ghenaden (Christi) leidt bijv. zichzelf met woorden
van Christus in (150) en associeert zich met de ‘Verwachting
Israëls’ uit Jer. 17:13 (158).
Leffijnghe is te beschouwen als een wedstrijdspel met een beperkt
doel. Wat de schrijver daarvoor niet dienstig of noodzakelijk vond, bleef
terzijde, zoals de betrekking tussen wet en genade. Discussie ontbreekt; vragen
van de hoofdpersoon dienen slechts om de voortgang te bevorderen.
De kerk blijft ongenoemd. Terloops blijkt echter wel instemming
met haar opvattingen: de vrije wil (302), de waarde van goede werken (311
e.e.), de noodzaak van biecht en boete (517). Er is geen reden om aan de
orthodoxe instelling van de auteur te twijfelen.
Het vroede refrein noemt de menswording van Christus aller hoop en
prijst de maagd Maria, door wie hij zich op liet voeden. Het trekt een parallel
met de vrouwen door wie de wapenstilstand van Nice tot stand kwam.
In het zotte kritiseert de dichter wel. Hij richt zich tegen
verwereldlijkte priesters, ook prelaten al mag dat niet gezegd worden, en tegen
hovaardigen die op hun boeken vertrouwen en meer denken te weten dan Gods
vissers. In het zotte genre mocht men wat vrijmoediger zijn.
| |
De opvoering
Leffijnghe is het enige spel waarin de dubbele opdracht van
schriftuurlijke en figuurlijke behandeling al in de proloog is gevolgd.
Schriftuerlic Troost loopt met Mensche langs vier togen en herinnert hem met
tekst en beeld aan de onzekerheid van het leven in elke periode, kindsheid,
jongelingschap, volwassenheid en ouderdom.
Indrukwekkend is in het begin van het Spel de verschijning van
Hope. Mensche ziet haar plotseling neerdalen. Hij moet diep onder de indruk
zijn, wanneer Schriftuerlic Troost verklaart, dat ze uit de hemel tot hem komt.
Het Gentse toneel beschikte voor zo'n vertoning over een lift; dat blijkt ook
uit Deynze, waar hij gebruikt wordt voor de hemelvaart van Christus. Naar
aanleiding van de regie-aanwijzingen van
Job Gommersz bij diens spel van
Onser Lijever Vrouwen hemelvaert (1565) heeft
Hummelen (4, blz.26) over een dergelijke installatie geschreven en
verondersteld (blz. 43), dat deze een vrij normaal onderdeel van de toneelbouw
zal zijn geweest. Die suggestie vindt hier steun.
Op het toneel was een trap van vijf treden gebouwd (462), als
symbool van de weg die de mens moet gaan: van het kommervolle aardse leven
langs verleiding en beproeving via de hoop naar de hemelse heerlijkheid.
Mensche kende de eerste stadia. De laatste werden hem getoond in de figuere van
de Macchabeeën, moeder en zeven zonen, die de dood verkozen boven ontrouw
aan het geloof van de vaderen (eerste rol). Het is niet moeilijk te
verstaan dat de schrijver hierbij aan het geloof van de r.k. kerk dacht. | | | |
Voor het uitvoerige tafereel was het gehele toneel beschikbaar. De
figueren uit de proloog waren verdwenen en in het kamertje boven waaruit de
lift was gekomen, kon een vloertje zijn gelegd. Alle ruimte was ook wel nodig,
want bij Antiochus behoorden in elk geval soldaten, een beul met knechten en
martelwerktuigen. Wanneer de Romein boven in de ‘troon’ zetelde,
konden de aangeklaagden in de kleinere toogruimten opgesteld zijn. De in het
Latijn gestelde rollen wijzen er op, dat ze niet spraken.
Opmerkelijk is de manier waarop Mensche de fictie van het spel
verbreekt, wanneer dit te lang dreigt te worden (474, 492).
Hope draagt een anker als attribuut. In het spel wordt daarop
gedoeld in 353 en 578.
|
|
|