De Gentse Spelen van 1539


auteur: anoniem Gentse Spelen, De


bron: B.H. Erné en L.M. van Dis, De Gentse Spelen van 1539, (twee delen). Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage 1982.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 622]



illustratie

[p. 623]

Deynze

DE NAZAREENEN
zinspreuk
Doynze om een beter
Antwoord
Hope duer Schriftuere
 
(geen prijs)

[p. 624]

Inleiding

De personages

Hoofdpersoon
Menschelicke Crancheyt, Crancke Mensche 173, 188.
Wordt in 233 toegesproken als stervende, maar verder blijkt daar niets van.
 
Helpers
Troost der Schriftueren - ‘opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop zouden hebben’, Rom. 15:4.
Fraey Figuracye, betrouwbare en opwekkende zinnebeeldige voorstelling - na 50. Beide betekenissen van ‘fraey’ zullen meegespeeld hebben.
Gods gheestigh Verstaerken, versterking door Gods Geest, zie 43.
Levende Hope (vr. 95) - na 172, hoop op het eeuwige leven, Tit. 1:2.
 
De eerste drie helpers betrekken het betoog regelmatig mede op zichzelf; ze treden op als natuurlijke personen met een symbolische naam. Troost der Schriftueren verkondigt wat zijn naam noemt en Gods gheestig Verstraercken helpt hem daarbij. Fraey Figuracye verduidelijkt met togen, gelijkenissen (225, 304) en voorbeelden (392, 468). De beide eerste togen leidt hij zelf in, bij de andere hanteert hij waarschijnlijk alleen het gordijn.
Levende Hope begint als personificatie van de hoop, maar rekent zich door ons (275, 276, 376, 491) en wy (379) ook tot de mensen en spreekt dan óver hoop (369, 376). Zo verandert ze in korte tijd van een begrip in een mens die van dat begrip getuigt.
Uit de laatste toog spreekt Stephanus.

De vorm en het rijm

Deynze bestaat uit vier delen met gesloten einde, de eerste drie met een afsluitende toog. In het derde deel staan nog twee andere figueren. Het betoog loopt langs vragen en opmerkingen van de hoofdpersoon.

Introductie ontbreekt. 
Proloog 1-86(de pauze hierna blijkt niet uit de druk)
  toog tot slot; gesloten einde
Spel A 87-172toog tot slot; gesloten einde
B I 173-418toog tot slot; gesloten einde
  vragen/opme. met beantwoording
   a 192-235 open einde
  b 236-299 open einde, 268 figuere

[p. 625]

  c 300-361 open einde, 332 figuere
  d 362-395 open einde
  e 396-418 gesloten einde
B II419-492 
samenvatting       419-479 
  f 480-492 open einde
Afsluiting493-497 

Op enkele regels in het begin na (aabaab bcbc) is het rijm gepaard, eerst vrij vaak met overspringend binnenrijm, op de duur weinig. Voor het binnenrijm behelpt de schrijver zich herhaaldelijk met stopwoorden als breedt, bloot, ghemeene, vry en dergelijke. Opvallend oogrijm is er in 108/9 zyen:gheschyen:overlyen (-liën) en in 394/5, waar eescht en vreescht zonder ch zijn gedrukt om het rijm op meest. De drukker moet gatē uit het hs. (:principaten) veranderd hebben in gaet hem, 338. In zijn uitgave van de refreinen gebruikte Lambrecht af en toe wel het bovenliggende streepje als verkortingsteken (ghēē, wiēs, vāder), maar in de spelen niet.

Drie opeenvolgende rijmen zijn in 479-481 het gevolg van een eenregelige claus, in 170-172 van de behoefte aan afsluiting.

Strofen en andere versierende of markerende vormen ontbreken. Halve regels komen slechts twee maal voor, 51/2 em 98/9.

Overzicht van de inhoud

Proloog 1-86
Betrokkenheid bij de strekking van de ‘vraghe’ en bij de situatie waarin ze beantwoord moet worden, geeft de proloog een tweeslachtig karakter. Door de eerste is de hoofdpersoon somber gestemd, omdat hij zonder ‘goede werken’ sterven zal; de helpers kunnen hem niet opbeuren. De tweede doet hem aan de uitgeloofde prijzen denken. Hij wijst op de eisen die in de uitnodiging gesteld zijn en dringt aan op een goed antwoord, al is zijn verwachting gering. De helpers hebben meer vertrouwen en tonen dat met een figuere, waarin Christus door Levende Hope van het kruis wordt genomen.
 
Spel A 87-172 Over hoop
De toog bewees, dat Christus in hoopvolle verwachting gestorven is en aanhalingen uit het Oude Testament ondersteunen dit; die uit het Nieuwe gaan op oudtestamentische terug. Tot slot wordt het bijbelse begrip ‘hoop’ nader omschreven naar Romeinen 8.
In de figuere komt Christus tot leven.
 
B I 173-418 Hoop op Christus, die de dood overwon
Levende Hope treedt nu op en maakt Menschelicke Crancheyt duidelijk, dat God door de opstanding van Christus aan de mensen hoop op het eeuwige leven schenkt.
 
a 192 Hoe kan ik Christus volgen?
Degenen die hun weg buiten Christus om kiezen, gaan verloren, al menen ze zalig te zullen worden door zelfbedachte uitingen van vroom-

[p. 626]

heid als vasten en ordekleding. Ze dwalen en brengen ook anderen in het verderf. De ware vromen erkennen Christus als hoofd van hun ‘gemeente’; ondanks vervolging en spot blijven ze vertrouwen. Dwalenden worden gered indien ze zich tijdig bekeren, want Christus is de verzoening voor alle mensen. Hij is al door de dood heengegaan, dus is er geen reden tot angst.
 
b 236 Kunt ge dit met de bijbel bewijzen?
Troost der Schriftueren doet het aan de hand van het Nieuwe Testament, toegelicht met een toog over de opstanding van de doden in Jerusalem. Levende Hope legt deze uit als een teken voor de toekomst, Gods Gheestigh Verstaercken wijst op de veroordeling van beeldendienst bij Jesaja.
 
c 300 Kunnen vlees en bloed het koninkrijk Gods verwerven?
Eerst moeten ze veranderen en een nieuwe naam krijgen; wie bij het oordeel nog in leven is, zal op slag veranderd worden. Christus is voorgegaan (figuere van de hemelvaart) en staat in de hemel boven alle engelen. Hij maakte de weg vrij. Door hem gaat de mens door de dood heen in het leven, zonder dat zijn zonden hem nog schaden.
 
d 362 Dan moet hij eerst de staat van genade verwerven.
De mens die de openbaring van Christus verwacht, verkeert daar al in en put kracht uit de verwachting tot het einde toe. Daarom moet hij gehoorzamen aan de roepstem van de hoop, denkend aan de erfenis die hem te wachten staat. Als hoofd van zijn gemeente laat Christus deze niet los en in het bijzonder gaat zijn zorg uit naar de zwakken.
 
e 396 Maar als we plotseling zonder priester sterven?
Dan is Christus onze priester, middelaar, advocaat en rechter. Dit geeft zekerheid; figuere van Stephanus.
 
B II 419-497 Samenvatting 419-479
Wanneer de ziel het lichaam verlaat, vindt ze woning bij Christus. Wat hierover geschreven is, wil enkel duidelijk maken, dat hoop de krachtigste steun in het sterven is. De hoop is gericht op Gods genade, die door Christus ontvangen wordt. Abrahams geloof steunde op hoop en onze liefde tot God steunt daar ook op.
 
f 480 Waarom plaatst Paulus dan liefde boven hoop?
Wat nu gehoopt wordt, zal eens zichtbaar zijn. Dan is geloven en hopen makkelijk en wordt de liefde de meeste. Maar bij het sterven gaat het om de hoop.
 
Afscheidsgroet 493-497
Verzoek om een vriendelijke ontvangst voor de eenvoudige prestatie; de Deinzenaren kunnen nu eenmaal niet beter.

De godsdienstige opvatting

Het betoog begint met een woord van David als type van Christus: ook mijn vlees zal rusten in hope. Dit werkt de schrijver uit, voornamelijk met het beeld van Christus als hoofd van het christenlichaam. Wanneer het hoofd door de dood heen tot opstanding gekomen is, zullen de leden volgen. In deze verwachting levend, verkeert de mens in staat van genade (364). Bij zo'n uitspraak is het opvallend, dat op geen enkele

[p. 627]

wijze naar de kerk verwezen wordt. De volgende opmerking compenseert dit onvoldoende: bij dood door ongeval deert de afwezigheid van een priester niet, want dan zal Christus priester, advocaat en rechter zijn.

Met eigen goede werken, vasten of ordekleding trachten sommigen vergeefs buiten Christus om de zaligheid te verwerven (207); bekeren ze zich bijtijds, dan gaan ze toch niet verloren. Beeldendienst verwerpt God, het is een erfenis van de heidenen (288).

‘Heidenen’ voor ‘gentes’, in plaats van ‘volken’ komt uit de bijbel van Liesveldt (zie Bruessele 313). Invloed van Luther blijkt verder uit de weergave van ecclesia door ghemeente. Het woord kerk is konsekwent vermeden, zelfs op plaatsen waar het volgens Bakhuizen van den Brink (blz. 10) ‘onvermijdelijk lijkt’: 205 (Col. 1:18), 243 en 381 (Ef. 1:22, 30). Dit is een belangrijk détail, doordat ‘ghemeente’ in de reformatorische tijd een anti-roomse klank kreeg.

Aan sympathie voor de hervorming valt niet te twijfelen. Het woord ‘geloof’ is echter opmerkelijk spaarzaam gebruikt: 468/0. Daar is het niet de grond van Abrahams hoop, als in Rom. 4:18, maar gevolg ervan. Zo hanteerde ook deze auteur de bijbeltekst naar zijn behoefte.

De refreinen int zot en int amorues richten zich tegen ‘ghemaecte of gheveynsde heligheyt’ en ‘menschelicke of eyghen wijsheyt’, in het bijzonder van geestelijken die hulp bieden hoewel ze zich niet aan hun eigen raad houden en bovendien voor hun dienst betaald willen worden. De geliefde waar de dichter vergeefs naar zoekt, is de naastenliefde.

De opvoering

Meer nog dan Leffijnghe, waarmee het in enige opzichten overeenkomt, maakt Deynze de indruk zozeer onder dwang van de wedstrijdsituatie geschreven te zijn, dat de auteur met een stortvloed van citaten uit de bijbel en verwijzingen ernaar, alle aandacht gaf aan de bewijsvoering en de hoofdpersoon vergat. In het begin is deze nog verontrust over zijn lot, na de proloog blijft slechts de weetlust over waaraan de schrijver voldoen wilde. Van bewogenheid en bevrijding is geen sprake. Dat geldt zelfs nog bij de laatste vraag.

Wat dit betreft, is Deynze een van de slechtste spelen uit de bundel. De togen maakten voor de toeschouwers veel goed. Daar doelde de schrijver al op, toen Fraey Figuracye om zijn ‘behendyghe manieren’ warm verwelkomd werd (52).

Aan het eind van de proloog ziet men Hope Christus van het kruis tillen en in haar schoot nemen, een navolging van de Pietà, zie Timmers, blz. 142. Deze toog blijft tijdens de eerste scène van het spel open, zodat men Christus langzaam tot leven zag komen. Nu pas gaan de gordijnen dicht. In de volgende scène speelt Hope haar rol als personage. Deze eindigt met de steniging van Stephanus, waarna hij omhoog kijkend in de hemel God en Christus ziet, zoals ook in Thielt, Wynoxberghe en Axcele. Binnen die scène valt nog de hemelvaart van Christus (per lift) en de opstanding van de ‘heiligen’ in Jerusalem na de kruisiging. Alle activiteit vond dus in de togen plaats. Het toneel bood er voldoende mogelijkheid toe.