|
|
|
| |
| | | | | | | | | | | |
Deynze
DE NAZAREENEN
zinspreuk
‘Doynze om een beter’
Antwoord
Hope duer Schriftuere
(geen prijs)
| | | |
| | Inleiding
De personages
Hoofdpersoon
Menschelicke Crancheyt, Crancke Mensche 173, 188.
Wordt in 233 toegesproken als stervende, maar verder blijkt daar
niets van.
Helpers
Troost der Schriftueren - ‘opdat wij door lijdzaamheid
en vertroosting der Schriften hoop zouden hebben’, Rom.
15:4.
Fraey Figuracye, betrouwbare en opwekkende zinnebeeldige
voorstelling - na 50. Beide betekenissen van ‘fraey’ zullen
meegespeeld hebben.
Gods gheestigh Verstaerken, versterking door Gods Geest, zie
43.
Levende Hope (vr. 95) - na 172, hoop op het eeuwige leven,
Tit. 1:2.
De eerste drie helpers betrekken het betoog regelmatig mede op
zichzelf; ze treden op als natuurlijke personen met een symbolische naam.
Troost der Schriftueren verkondigt wat zijn naam noemt en Gods gheestig
Verstraercken helpt hem daarbij. Fraey Figuracye verduidelijkt met togen,
gelijkenissen (225, 304) en voorbeelden (392, 468). De beide eerste togen leidt
hij zelf in, bij de andere hanteert hij waarschijnlijk alleen het gordijn.
Levende Hope begint als personificatie van de hoop, maar rekent zich
door ons (275, 276, 376, 491) en wy (379) ook tot de mensen en
spreekt dan óver hoop (369, 376). Zo verandert ze in korte tijd van een
begrip in een mens die van dat begrip getuigt.
Uit de laatste toog spreekt Stephanus.
| |
De vorm en het rijm
Deynze bestaat uit vier delen met gesloten einde, de eerste drie met
een afsluitende toog. In het derde deel staan nog twee andere figueren. Het
betoog loopt langs vragen en opmerkingen van de hoofdpersoon.
| Introductie ontbreekt. | |
| Proloog | 1-86 | (de pauze hierna blijkt niet uit de druk) |
| | | toog tot slot; gesloten einde |
| Spel A | 87-172 | toog tot slot; gesloten
einde |
| B I | 173-418 | toog tot slot; gesloten
einde |
| | | vragen/opme. met beantwoording |
| | | a 192-235 open
einde |
| | | b
236-299 open einde, 268 figuere |
| | | |
| | | c 300-361 open einde, 332 figuere |
| | | d 362-395 open
einde |
| | | e 396-418 gesloten
einde |
| B
II | 419-492 | |
| samenvatting | 419-479 | |
| | | f
480-492 open
einde |
| Afsluiting | 493-497 | |
Op enkele regels in het begin na (aabaab bcbc) is het rijm gepaard,
eerst vrij vaak met overspringend binnenrijm, op de duur weinig. Voor het
binnenrijm behelpt de schrijver zich herhaaldelijk met stopwoorden als breedt,
bloot, ghemeene, vry en dergelijke. Opvallend oogrijm is er in 108/9
zyen:gheschyen:overlyen (-liën) en in 394/5, waar eescht en
vreescht zonder ch zijn gedrukt om het rijm op meest. De drukker
moet gatē uit het hs. (:principaten) veranderd hebben in gaet
hem, 338. In zijn uitgave van de refreinen gebruikte
Lambrecht af en toe wel het bovenliggende streepje als
verkortingsteken (ghēē, wiēs, vāder), maar in de spelen
niet.
Drie opeenvolgende rijmen zijn in 479-481 het gevolg van een
eenregelige claus, in 170-172 van de behoefte aan afsluiting.
Strofen en andere versierende of markerende vormen ontbreken. Halve
regels komen slechts twee maal voor, 51/2 em 98/9.
| |
Overzicht van de inhoud
Proloog 1-86
Betrokkenheid bij de strekking van de ‘vraghe’ en bij de
situatie waarin ze beantwoord moet worden, geeft de proloog een tweeslachtig
karakter. Door de eerste is de hoofdpersoon somber gestemd, omdat hij zonder
‘goede werken’ sterven zal; de helpers kunnen hem niet opbeuren. De
tweede doet hem aan de uitgeloofde prijzen denken. Hij wijst op de eisen die in
de uitnodiging gesteld zijn en dringt aan op een goed antwoord, al is zijn
verwachting gering. De helpers hebben meer vertrouwen en tonen dat met een
figuere, waarin Christus door Levende Hope van het kruis wordt genomen.
Spel A 87-172 Over hoop
De toog bewees, dat Christus in hoopvolle verwachting gestorven is
en aanhalingen uit het Oude Testament ondersteunen dit; die uit het Nieuwe gaan
op oudtestamentische terug. Tot slot wordt het bijbelse begrip
‘hoop’ nader omschreven naar Romeinen 8.
In de figuere komt Christus tot leven.
B I 173-418 Hoop op Christus, die de dood overwon
Levende Hope treedt nu op en maakt Menschelicke Crancheyt duidelijk,
dat God door de opstanding van Christus aan de mensen hoop op het eeuwige leven
schenkt.
a 192 Hoe kan ik Christus volgen?
Degenen die hun weg buiten Christus om kiezen, gaan verloren, al
menen ze zalig te zullen worden door zelfbedachte uitingen van vroom- | | | | heid als vasten en ordekleding. Ze dwalen en brengen ook anderen in het
verderf. De ware vromen erkennen Christus als hoofd van hun
‘gemeente’; ondanks vervolging en spot blijven ze vertrouwen.
Dwalenden worden gered indien ze zich tijdig bekeren, want Christus is de
verzoening voor alle mensen. Hij is al door de dood heengegaan, dus is er geen
reden tot angst.
b 236 Kunt ge dit met de bijbel bewijzen?
Troost der Schriftueren doet het aan de hand van het Nieuwe
Testament, toegelicht met een toog over de opstanding van de doden in
Jerusalem. Levende Hope legt deze uit als een teken voor de toekomst, Gods
Gheestigh Verstaercken wijst op de veroordeling van beeldendienst bij
Jesaja.
c 300 Kunnen vlees en bloed het koninkrijk Gods verwerven?
Eerst moeten ze veranderen en een nieuwe naam krijgen; wie bij het
oordeel nog in leven is, zal op slag veranderd worden. Christus is voorgegaan
(figuere van de hemelvaart) en staat in de hemel boven alle engelen. Hij maakte
de weg vrij. Door hem gaat de mens door de dood heen in het leven, zonder dat
zijn zonden hem nog schaden.
d 362 Dan moet hij eerst de staat van genade verwerven.
De mens die de openbaring van Christus verwacht, verkeert daar al in
en put kracht uit de verwachting tot het einde toe. Daarom moet hij gehoorzamen
aan de roepstem van de hoop, denkend aan de erfenis die hem te wachten staat.
Als hoofd van zijn gemeente laat Christus deze niet los en in het bijzonder
gaat zijn zorg uit naar de zwakken.
e 396 Maar als we plotseling zonder priester sterven?
Dan is Christus onze priester, middelaar, advocaat en rechter. Dit
geeft zekerheid; figuere van Stephanus.
B II 419-497 Samenvatting 419-479
Wanneer de ziel het lichaam verlaat, vindt ze woning bij Christus.
Wat hierover geschreven is, wil enkel duidelijk maken, dat hoop de krachtigste
steun in het sterven is. De hoop is gericht op Gods genade, die door Christus
ontvangen wordt. Abrahams geloof steunde op hoop en onze liefde tot God steunt
daar ook op.
f 480 Waarom plaatst Paulus dan liefde boven hoop?
Wat nu gehoopt wordt, zal eens zichtbaar zijn. Dan is geloven en
hopen makkelijk en wordt de liefde de meeste. Maar bij het sterven gaat het om
de hoop.
Afscheidsgroet 493-497
Verzoek om een vriendelijke ontvangst voor de eenvoudige prestatie;
de Deinzenaren kunnen nu eenmaal niet beter.
| |
De godsdienstige opvatting
Het betoog begint met een woord van David als type van Christus: ook
mijn vlees zal rusten in hope. Dit werkt de schrijver uit, voornamelijk met het
beeld van Christus als hoofd van het christenlichaam. Wanneer het hoofd door de
dood heen tot opstanding gekomen is, zullen de leden volgen. In deze
verwachting levend, verkeert de mens in staat van genade (364). Bij zo'n
uitspraak is het opvallend, dat op geen enkele | | | | wijze naar de kerk
verwezen wordt. De volgende opmerking compenseert dit onvoldoende: bij dood
door ongeval deert de afwezigheid van een priester niet, want dan zal Christus
priester, advocaat en rechter zijn.
Met eigen goede werken, vasten of ordekleding trachten sommigen
vergeefs buiten Christus om de zaligheid te verwerven (207); bekeren ze zich
bijtijds, dan gaan ze toch niet verloren. Beeldendienst verwerpt God, het is
een erfenis van de heidenen (288).
‘Heidenen’ voor ‘gentes’, in plaats van
‘volken’ komt uit de bijbel van Liesveldt (zie Bruessele 313).
Invloed van Luther blijkt verder uit de weergave van ecclesia door
ghemeente. Het woord kerk is konsekwent vermeden, zelfs op
plaatsen waar het volgens Bakhuizen van den Brink (blz. 10)
‘onvermijdelijk lijkt’: 205 (Col. 1:18), 243 en 381 (Ef.
1:22, 30). Dit is een belangrijk détail, doordat
‘ghemeente’ in de reformatorische tijd een anti-roomse klank
kreeg.
Aan sympathie voor de hervorming valt niet te twijfelen. Het woord
‘geloof’ is echter opmerkelijk spaarzaam gebruikt: 468/0. Daar is
het niet de grond van Abrahams hoop, als in Rom. 4:18, maar
gevolg ervan. Zo hanteerde ook deze auteur de bijbeltekst naar zijn
behoefte.
De refreinen int zot en int amorues richten zich tegen
‘ghemaecte of gheveynsde heligheyt’ en ‘menschelicke of
eyghen wijsheyt’, in het bijzonder van geestelijken die hulp bieden
hoewel ze zich niet aan hun eigen raad houden en bovendien voor hun dienst
betaald willen worden. De geliefde waar de dichter vergeefs naar zoekt, is de
naastenliefde. | |
De opvoering
Meer nog dan Leffijnghe, waarmee het in enige opzichten overeenkomt,
maakt Deynze de indruk zozeer onder dwang van de wedstrijdsituatie geschreven
te zijn, dat de auteur met een stortvloed van citaten uit de bijbel en
verwijzingen ernaar, alle aandacht gaf aan de bewijsvoering en de hoofdpersoon
vergat. In het begin is deze nog verontrust over zijn lot, na de proloog blijft
slechts de weetlust over waaraan de schrijver voldoen wilde. Van bewogenheid en
bevrijding is geen sprake. Dat geldt zelfs nog bij de laatste vraag.
Wat dit betreft, is Deynze een van de slechtste spelen uit de
bundel. De togen maakten voor de toeschouwers veel goed. Daar doelde de
schrijver al op, toen Fraey Figuracye om zijn ‘behendyghe manieren’
warm verwelkomd werd (52).
Aan het eind van de proloog ziet men Hope Christus van het kruis
tillen en in haar schoot nemen, een navolging van de Pietà, zie
Timmers, blz. 142. Deze toog blijft tijdens de eerste scène van
het spel open, zodat men Christus langzaam tot leven zag komen. Nu pas gaan de
gordijnen dicht. In de volgende scène speelt Hope haar rol als
personage. Deze eindigt met de steniging van Stephanus, waarna hij omhoog
kijkend in de hemel God en Christus ziet, zoals ook in Thielt, Wynoxberghe en
Axcele. Binnen die scène valt nog de hemelvaart van Christus (per lift)
en de opstanding van de ‘heiligen’ in Jerusalem na de kruisiging.
Alle activiteit vond dus in de togen plaats. Het toneel bood er voldoende
mogelijkheid toe.
|
|
|