Na een aanroeping van Christus of van de Drieëenheid begint de geomanticus met in het zand, op de grond of op papier zestien rijen punten te zetten met zijn rechterhand. Dit willekeurig aantal punten moet evenwel bestaan uit vier groepen van elk vier rijen. De geomanticus plaatst de punten van rechts naar links, terwijl hij zijn geest concentreert op de vraag waartoe hij het orakel raadpleegt. Het aantal punten per rij is willekeurig maar moet toch tenminste twaalf of zestien bedragen. De vier reeksen punten binnen elke groep moeten bovendien ongelijk in aantal zijn. Het aantal punten op elke lijn wordt dus echter verder wel aan het toeval overgelaten.
De eerste groep van vier reeksen punten is b.v. als volgt:

Men telt de punten per rij en bekomt een paar of een onpaar getal: voor de pare getallen zet men twee punten, voor de onpare één punt, zodat men in het gegeven voorbeeld de volgende figuur bekomt:

Voor de tweede groep van vier rijen punten bekomt men b.v.

wat dan de tweede figuur oplevert:

De derde en de vierde groep van telkens vier rijen is b.v. als volgt:

Deze vier figuren (I-IV) zijn de moederfiguren (matres). Men tekent nu een figuur die er als volgt uitziet en waarin deze vier moederfiguren worden aangebracht:

Door de combinatie van deze als resultaat van het toeval ontstane moederfiguren worden hieruit de vier dochterfiguren (filie) gevormd. De punt (en) uit de bovenste horizontale rij van de eerste moederfiguur leveren de bovenste punt (en) van de eerste dochterfiguur (V) op; de bovenste rij van II geeft de tweede rij punten van figuur V; de bovenste rij van III geeft de derde rij van figuur V enz. In het gegeven voorbeeld ontstaat de eerste dochterfiguur dus als volgt:

Voor de tweede dochterfiguur gaat men op dezelfde wijze te werk met de tweede horizontale rij in de vier moederfiguren; voor de derde dochterfiguur (VII) neemt men de derde horizontale rij van de moederfiguren en voor de vierde dochterfiguur (VIII) is de werkwijze dezelfde maar dan natuurlijk uitgaande van de onderste rij van de moederfiguren.
Voor figuur VI, de tweede dochterfiguur wordt dit in ons voorbeeld:

Nadat deze vier dochterfiguren aldus zijn gevonden, worden ze op de grote figuur ingevuld:

Voor de figuren IX tot XV verandert de werkwijze. Elk van deze figuren wordt gevormd door de optelling van de punten uit twee reeds gevonden figuren: IX is de som van de bovenste puntenrij van figuren I en II; is het totaal paar, dan zet men twee punten; is het onpaar één punt. De tweede rij van I en II geeft de tweede rij van IX, enz. In het gegeven voorbeeld wordt IX dus:

Deze figuur (IX) wordt op de tweede horizontale balk van de grote figuur geplaatst. Voor figuur X gaat men op dezelfde wijze te werk met IV en III; voor XI met VI en V en voor XII met VIII en VII. De vier nieuwe figuren die aldus bekomen worden zijn de kleindochters of nichten (neptes). Ze worden eveneens op de grote figuur elk in het daartoe bestemde vakje ondergebracht.
Op precies dezelfde manier gaat men te werk om de figuren XIV en XIII te vinden: door optellen van de respectieve rijen punten van IX en X bekomt men figuur XIII en door optellen van de rijen uit XII en XI bekomt men XIV. Door het optellen van de punten uit XIII en XIV, tenslotte, bekomt men XV. De figuren XIII en XIV zijn de getuigen (testes): ze komen in de grote figuur op de volgende horizontale balk, telkens onder de twee kleindochters waaruit ze zijn afgeleid.
De vijftiende figuur (XV) wordt de rechter (judex) genoemd en krijgt een plaats helemaal onderaan op de grote figuur.
Aldus ziet de volledig ingevulde figuur er voor het gegeven voorbeeld uit:

Uit de uiteengezette methode volgt dat de rechter steeds een figuur is waarvan het totaal aantal punten een paar getal is.
Op basis van vier groepen van vier willekeurige rijen punten bekomt men een maximum van zestien verschillende moederfiguren. Elk van deze figuren heeft een naam die sterk kan verschillen bij de verschillende auteurs maar waarvan de meest voorkomende Latijnse namen de volgende zijn:

Van deze zestien kunnen, zoals reeds gezegd, alleen die welke een paar totaal aantal punten als som opleveren, als rechter dienst doen. Er zijn dus acht rechters: Populus, Via, Conjunctio, Carcer, Fortuna major, Fortuna minor, Acquisitio en Amissio.
De rechters verenigen in zich de betekenissen van alle figuren die in het geomantisch thema voorkomen. Aan
de hand van deze rechters kan men dan ook in het algemeen een eerste gunstig of ongunstig antwoord geven op de vraag waarop men het antwoord door het geomantisch prognoseprocédé wil krijgen. Bij het beantwoorden van een vraag wordt dan ook uitgegaan van de interpretatie van de rechter. Om het antwoord echter nog scherper en precieser te kunnen formuleren met bovendien een hogere graad van waarschijnlijkheid, wordt elke rechter vergezeld van de twee mogelijke getuigen waaruit hij kan afgeleid worden op de manier die hierboven beschreven werd. Het zijn deze drie figuren die men op de antwoordtabellen van de Nederlandse geomantie die hierna volgt, links bij elk van de acht horizontale stroken vermeld ziet: bovenaan de twee getuigen met eronder de rechter.