terug  begin  verder
[p. 3]

1.
Van Christophoro Fabritio, Dienaer des Godtlicken Woorts, binnen Antwerpen verbrant,
Anno 1564 1. +.

Op de wijse vanden xliiij. Psalm:

Wy hebben ghehoort, etc.

 
Antwerpen Rijck,, O Keyserlicke Stede,
 
Niet uus ghelijck,, ghy zijt nu heel in vrede 2.,
 
U Cooplien al,, zijn al 3. Capharnaijten +,
 
Dies u Godt sal,, inden Afgront versmijten:
5
Tyrus heeft noyt ghedaan 5.,
 
Tgheen dat ghy hebt bestaen,
 
Nochtans ist wel versoncken:
 
Sydon quaet en verwoet
 
En heeft noyt Christen bloet
10
(Ghelijck ghy doet) ghedroncken.
 
 
 
U Tyranny,, sal die niet haest cesseren?
 
Verradery,, siet men in u regneren:
 
U Pastoor boos,, van onser Vrouwen Kercke,
 
Met een wijf loos,, legt zijn valscheyt te wercke:
15
Symon is hy ghenaemt,
 
En tWijf is wel befaemt,
 
Sy heet Langhe Margriete,
[p. 4]
 
Der Secten Jesuwijt 18.,
 
Die daer bringhen altijt
20
Gods kinders in verdriete.
 
 
 
Dit valsch Wijf ghinck,, met een dobbelen gronde 21.,
 
Een Ouderlinck,, groette sy met den monde,
 
Segghende: Vrient,, mijn gheest is seer verslaghen,
 
Goet raet my dient,, hoe ick Godt mach behaghen.
25
Ons Paep die vuyl Catijf,
 
Verdruct my arme Wijf,
 
En ghy weet doch de Waerheyt:
 
Hoord ick eens arme Schaep
 
U Dienaers met den Paep,
30
Mijn herte voer uut swaerheyt.
 
 
 
Christoffel cloeck,, draghende Christum binnen,
 
Heeft sulck versoeck,, aenghenomen uut minnen,
 
Tweemael dispuyt,, hadden sy met hen beyden:
 
Die Paep den Druyt 34.,, moeste met schanden scheyden,
35
Doe heeft dat wijf gheseyt,
 
De Paep my niet meer greyt 36.:
 
Vrient, ick wil u aencleven,
 
Stelt my een ander dach,
 
Datmen u hooren mach,
40
Ick soecke deewich 40. leven.
 
 
 
Daer wert ghestelt,, end een dach toe vercoren,
 
Maer twiert vertelt,, den Marckgraef 42. van te voren,
 
Dat hy alsdan,, neerstelick waken woude,
 
End volghen an 44.,, daer dat wijf ingaen soude.
45
Den tweeden Julij vroech,
 
Smorghens alst sesse sloech,
 
Christoffel cloeck van daden,
 
Quam daer als Predicant,
 
Dat wijf gaf hem de hant,
50
End heeft hem soo verraden.
 
 
 
Want corts daer naer,, quam de Marckgraef bloetgierich,
 
En ving aldaer,, den Herder goedertierich,
 
En leyd hem stranck 53.,, opt Steen + met veel tormenten,
 
Op den Pijnbanck,, vraechd hy zijn Adherenten.
[p. 5]
55
Christoffel onvertsaecht
 
Sprack: Wat ghy my oock vraecht,
 
Vraecht my na mijn Gheloove:
 
Christum heb ick bekent,
 
Voor wien ick hier present 59.
60
Gheve mijn Lijf ten roove.
 
 
 
Tvierschaer sloot toe 61.,, daermen hem ginc verwijsen,
 
Christoffel doe,, seyde niet om volprijsen:
 
Heer Schoutet, ghy,, moet tRecht niet corrumperen,
 
Oft ick wil dy,, voor Godt gaen appelleren.
65
De Schoutet seer confuys
 
Riep, Leerde ghy noyt thuys,
 
In Bosschen end Velden mede?
 
Och Ja ick, sprac hy, Godt weet,
 
End my is ooc seer leet
70
Dat ickt niet meer en dede.
 
 
 
De Schoutet 71. quaet,, wilde sulcks van hem keeren 71:
 
Met sConincx Placaet,, maer Christoffel vol eeren
 
Sprack tot henlien,, tPlacaet gheeft u geen voordeel,
 
Dat sult ghy sien,, Als ghy sult staen voor dOordeel:
75
Als die Basuyn sal slaen,
 
Om loon na werck tontfaen,
 
Dexcuse wert seer sober. 77:
 
Dus als Christoffel bleef,
 
Men vierentsestich schreef,
80
Den vierden van October.
 
 
 
Als hy ter doot,, zijn Offer sou volbringhen:
 
Uut dieper noot,, sachmen de Broeders singhen:
 
De Schoutet sprack,, tsa Beul, haest uwe sake,
 
Die hem doorstack,, daer hy stont aende stake.
85
Als tghemeen volck dit sach,
 
Het liep sonder verdrach,
 
En smeten som met steenen:
 
Maer tSchaepken bleef vermoort,
 
Verbrant, en dan versmoort,
90
Ist niet wel te beweenen?
 
 
 
Neemt dit voor danck 91:,, heylighe Godts Ghemeente,
 
Godt sal eer lanck,, aensien uwe vercleente 92.,
 
Ende Babel,, met tsweert zijns mondts verdommen,
 
Oock sult ghy snel,, by hem int Rijcke commen.
[p. 6]
95
Dus ghy Ministers 95. coen,
 
En swijcht tot gheen saysoen,
 
Opbout Gods Kercke schoone,
 
U Mondt sy een Trompet,
 
Om te leeren Gods Wet,
100
So crijcht ghy sLevens Croone. 100.
1.Naar A. Ook in B. I. J. L-N. Q. R. T. U. W-DD. Bij V. L. I. Het lied stond nog niet in de door mij veronderstelde uitgave φ van 1574, maar is het eerst opgenomen in 1575 in X. Het is vervaardigd in 1564. We bezitten het lied ook in een pamflet van 1610 in de bibliotheek van Thysius, No. 661, en gedrukt achteraan een werkje, waarin de gevangenneming en ter dood brenging van Fabricius wordt verteld. (Een exemplaar van de uitgave van 1565 in de Bibl. Thys., een van 1611 in de bibl. der Maatsch. der Ned. letterk.)
De wijsaanduiding is naar de 44e psalm van Utenhove, gedrukt te Emden in 1558. Hiermede heeft de wijze van psalm 79 van Datheen veel overeenkomst, die dan ook in I en de latere drukken genoemd wordt. Zie over laatstgenoemde melodie V. Duyse, Het Oude Nederl. lied II, 1775.
+Christoffel Fabritius, vroeger Karmelieter monnik te Brugge, later prediker te Antwerpen, werd aldaar 4 Oct. 1564 verbrand.
2.I-M: mogtmen leven in vrede; CC en DD: ghy zijt nu heel t'onvrede, d.wz. ‘in beroering’. Maar ook de druk van 1565 heeft ghêel in vrede.
3. zijn al: geheel en al. I. J. L. M. lezen als, wat hetzelfde beteekent.
+ Capharnaijten: bewoners van Kapernaum; hier ongeveer voor: materialisten, naar aanleiding van de aan de tegenstanders der transsubstantiatieleer gegeven scheldnaam; vgl. Joh. VI, 52.
5.Vgl. Jesaja, XXIII.
18. Jesuwijt: die wijd, ver van Jezus is. Deze hatelijke vervorming van Jesuijt of Jezuiet is hier in I. J. L. CC en DD door de gewone benaming vervangen. Ook elders komen dergelijke veranderingen voor.
21. dobbel: valsch; gronde: gemoed.
34. druyt: vent, met ongunstige betekenis.
36. greyt: bevalt.
40. deewich: dat eeuwich.
42. Marckgraef: te Antwerpen titel van de Schout, omdat hij tevens markgraaf van het Land van Rijen was. Zie Ndl. Wdb. i.v.
44. volghen an: achternagaan.
53. stranck: gestreng, hard.
+ Steen: burcht, in Antwerpen de naam van de gevangenis.
59. present: nu, op dezen tijd.
61. Tvierschaer sloot toe: misschien: de zitting werd gesloten, daar men het vonnis wilde vellen.
71.A Schout, drukfout, reeds in B verbeterd.
71:'wilde zich onttrekken aan het brengen van de zaak voor Gods rechtbank door zich op het plakaat des Konings te beroepen.'
77: ‘Dan is uw uitvlucht van weinig kracht.’ Verg. met vs. 73.
91: ‘Neem dit voor lief.’
92. vercleente: vernedering.
95. Ministers: predikanten.
100.Vgl. Openb. II, 10: Wees getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon des levens.
terug  begin  verder