terug  begin  verder

4.
Een nieu liedeken. +

Op de wyse: Een Vrouken lucht van gheeste.

 
Den Paus is onsen Vader,
 
Hy is van God vercoren,
 
Hy verlost ons allegader,
 
Niemant en blijft verloren;
5
Dus wilt vry vreucht orboren 5.,
 
Ghy menschen onvertsaecht:
 
De Hel sal hy verstoren 7.
 
Somen de spiessen draecht. 8.
[p. 10]
 
Hy heeft seer veelderhande
10
So Monicken ende Papen,
 
Zy hebben kleyn provande 11.,
 
Om niet zy singhen en gapen 12.,
 
Alleen sy altoos slapen
 
Soo lang tot dattet daecht:
15
Haer wercken zijn van God gheschapen
 
Soomen de spiessen draecht.
 
 
 
Zy soecken geen duccaten,
 
Goutguldens ofte Croonen,
 
Zy drincken al by maten,
20
En eten rouwe boonen:
 
Ic moetse wat verschoonen 21.,
 
My isser nae ghevraecht:
 
Den Heere salt hun loonen
 
Somen de spiessen draecht.
 
 
25
Zy hebben 25. geen dominien +
 
Hier noch in geene plecken,
 
Zy zijn goet van opinien, 27:
 
Hun schanden sy bedecken;
 
Hoort my haer deucht verwecken 29.,
30
Die geenich dinc 30. mishaecht;
 
Oock zijnse sonder vlecken
 
Somen de spiessen draecht.
 
 
 
Prince. +
 
Prince, ghy Sasserdoten 33.,
 
Wilt bet u eer bewaren,
35
Ghy zijt van Gods genoten,
 
Die wil u 36. langhe sparen,
 
Met allen u dienaren
 
De schriftuer ghy deurknaecht 38.:
 
Godts Woordt saldy verclaren,
40
Soomen de spiessen draecht.

+No. 4. Naar I. Verder in J.L.M.O.P.S. Bij V.L. IV. Om de luchtig spottende geest niet te laat te stellen, naar me voorkomt. Enige aanwijzing van de tijd van vervaardiging komt er niet in voor.
5. vreucht orboren: vrolik zijn.
7. verstoren: te niet doen.
8.d.w.z. achterste voren, dus: het is alles juist andersom. Vgl. het referein Pol. Ball. Ref. enz. Maatsch. der Vl. Bibl. 2e Serie VII, p. 132: Ghelyck de crevitsen gaen.
11. provande: inkomsten.
12. gapen: bidden, lezen van formulieren, enz.
21. verschoonen: mooier maken.
25.hebben, I gebben, drukfout, in de andere verbeterd.
+dominiën: grondeigendom.
27:Zij hebben een goede naam.
29. verwecken: verkondigen, eig. onder de mensen doen leven.
30. geenich dinc: in geen enkel opzicht.
+Prince: Met het laatste koeplet wendt zich de dichter in de rederijkerskamers altijd tot de prins van de kamer. In tal van geuzenliederen, ook waar van eigenlike rederijkersverzen geen sprake is, gebeurt hetzelfde.
33. sasserdoten: priesters.
36. wil u: moge u.
38. deurknaecht: doorzoekt ijverig.
terug  begin  verder