terug  begin  verder
[p. 23]

12.
Refereyn teghen een lasterlick ghedicht dat binnen Antwerpen uitghegaen is. +

 
Om dat Babels dienaren (Godts volck) niet stilt 1. te schelden,
 
Maer dichten leugen Refereynen (als Hypocrijten),
 
Soo moetmense straffende, haer selfs quaet vermelden
 
En heerlijck (met Schrift, als Christus) haer boosheyt verwijten.
 
 
5
Ghy Caims gebroetsel, ghy Aderen 5. geslachte,
 
Ghy Baals dienaers, die den Antechrist 6. wrachte,
 
Ghy Judas zaet, ghy Deotrephissche gesellen 7.,
 
Ghy Babels boeleerders, die de Hoere vercrachte,
 
Gy Satans beschermsel, die Franciscus verdachte 9.,
10
Ghy Afgoden dienaers, ghy Draken der Hellen,
 
Schroemt, beeft, draecht rou, weent ende huylt, begint te tellen
 
De graden uus vals, o gy Negromancenen 12.,
 
Want tis seer na by, dat u de Heer wil quellen.
 
Hem walcht u Offranden, en toovery met eenen
15
Den tijt is haest hier, dat hy wil verkleenen
 
U Rijck met menschenhanden, door grouwelicke plaghen,
 
Want so segt de Propheet: 17. laet rusten sy die meenen
 
Met haer heyrcracht te worgen, die God behagen,
 
Ter lester tijt suldy tLant incrygen met lagen,
20
Ghy sult haer tzweert bringen, en God pestilentie vervaert.
 
Hier met dreycht hy u boose, ick moet u gewagen:
 
Babels scharluynen 22., dect u cruynen, gy Judas aert,
 
Verborght u nou, draecht vry rou, en laet groeyen den baert.
 
 
 
Ghy Pharaos Succedenten, die ons beschuldigt met moort,
25
Ghy Achitophels plegers 25., verre moet zijn gehoort
 
Ons onschult (van u) 26., maer u moordadigen schijn
 
Roept wraec (inden Hemel) hoe gy d'onosele verschoort.
[p. 24]
 
Roept vry opten Coninc, en u Antechrist ghestoort, 28.
 
Wy hopen op de levendige God: hangt met gepijn,
30
Moort, worgt, gy verleyders, en wast u handen fijn
 
Int bloet der gerechter, so ghy oock doet certeyn:
 
tSchaet niet, tis God al bekent: tsal haest vergolden zijn,
 
Want tgeschrey is voor Gods ooren gecomen gemeyn.
 
Ten ginc Core, Dathan, noch Abirom noyt so onreyn 34.
35
(Alst u) ghy sodomitische Epicureen quaet,
 
Die tegen Nature sondicht, ooc uut hoogmoet vileyn,
 
Wel wetende wat recht is, dan om eygen baet
 
Verraet en verjaecht gy, op dat u schandelic gelaet 38.
 
Niet kenlic wort: maer God hevet de zijne verclaert 39.,
40
Dus wacht gy op Jesabels hulp, maer ic geef u raet, 40.
 
Babels scharluynen, dect u cruynen, gy Judas aert,
 
Verborcht u nou, draecht vry rou, en laet, etc.
 
 
 
Dect u Cruynen, draecht rou, en laet groeyen den baert net,
 
Ghy geveynsde, meyneedige, en ongeschoren met
45
Die daer vrede beloeft hat: maar tzweert opgeheven.
 
Ghy roept wraec over ons, maer tverderven ongelet
 
Met een eewich knagen der conscientien besmet
 
Comt snel over u eygen, soot claer is beseven 48.,
 
Gy Pharos gelijcke, die vrede beloefde te geven,
50
Als Gods toren over u is, maer dan wert verwoet.
 
God noemt u dieven, moorders, meyneedige Teven:
 
Ja wil niet datmen bidde voor sulc verstocte bloet.
 
Tfy, schaemt u der sonden, dat 53. gyse opschrijven + doet,
 
Die uwe stinkende God Melis 54. daerin gy vertrout,
55
Niet eeren, en treet so met voeten tbloet Christi soet
 
Tot teeken van boosheyt, o ghy huychelaren stout,
 
Daer is doch geen salicheyt, dan in (tbloet menichfout)
 
Christi Jesu, ghy Vipren 58., hoe ghy daer teghen haert +:
 
Volget raet, of gy ontcomet niet met gelt of gout,
60
Babels scharluynen, dect u Cruynen, etc.
 
 
 
Schaemt u, gy dwase, die op Princen hoept volheerdich 61.,
 
Schaemt u boose, die steelt Christi genade weerdich 62.:
 
Schaemt u, Cooplieden, die vercoopt u God mits desen:
 
Schaemt u, Hoereerders verbiedende tHoulic expeerdich 64.,
[p. 25]
65
Schaemt u, die daer vervalst het doopsel lichtveerdich,
 
Schaemt u, die verbiet twoort Gods te singen of lesen,
 
Schaemt u, gy die den Paus eert voor Christum gepresen,
 
Schaemt u, gy stomme houten beelden Honnoreerders,
 
Schaemt u, ghy die den Antechrist u hooft laet wesen,
70
Somma, schaemt, schrict, beeft, al ghy boose obedieerders,
 
Die daer consenteert, dat de spaensche boeleerders
 
Met u wijven en dochters hoereren eenpaer 72..
 
Dect gy u neusen, gy Gods gemeynte verneerders, 73:
 
Diens einde snel als een valstric sal comen sonder vaer 74..
75
Gy sult weduwen en weesen op eenen dach worden daer,
 
Hoort gy logenaers, u val, die 76. ons met last bezwaert,
 
Dus hooret of ghy wilt, of achtet vry lichte maer, 77:
 
Babels scharluynen, dect u Cruynen, etc.
+No. 12. Naar I. Verder in E. J. L. M. N. Q. R. T. U. X-BB. Bij V.L. XVI.
De tijd is moeilik vast te stellen. Ik heb het lied op 1566 geplaatst, maar het is zeer mogelik dat het niet onbelangrijk ouder is, al spreekt het opschrift in I reeds van geuzen. De inhoud bestaat grootendeels uit uit de Openbaring overgenomen klanken. Tegen welk gedicht het bedoeld is, weet ik niet.
Het opschrift luidt in I: Hier volghen de Geusen Refereynen ten selven propooste dienende, het eerste is teghen enz.
vs. l–4 niet in I—M, overgenomen uit N. Dat deze verzen later bijgevoegd zijn, ziet men nog in de drukken, doordat Ghy in vs. 5 een groote hoofdletter heeft. In N. AA en BB ontbreekt dit lied in het register; in de andere staat het op Ghy Cains enz.
1. niet stilt: niet ophoudt. Toch moet Babels dienaren wel onderwerp zijn en Gods volck object.
5. aderen: adders.
6.Antechrist, onderwerp.
7.Deotrephische gezellen. In 3 Joh. 9, 10 wordt van een Diotrefès gesproken, die zoekt de eerste te zijn en strijd in de gemeente brengt; de bedoeling is dus: heerszuchtigen.
9. die Franciscus verdachte: die Fr. heeft uitgedacht, uitgevonden.
12. gy Negromancenen: gij, die aan zwarte kunst doet.
17.Welke profeet?
22. scharluynen: bedriegers.
25. Achitopels plegers: die handelen als Achitophel, de ontrouwe raadsman van David, 2 Samuel XV, 12 vlgg.
26. ons onschuld van u: onze eed, dat wij tegenover u geen schuld dragen.
28.Beroept u vrij op de Koning en op de Paus. — ghestoort: vertoornd.
34.Vgl. Numeri XVI. De genoemde mannen werden door de aarde verzwolgen, omdat zij zich tegen Mozes verzetten.
38. gelaet: gedrag.
39. verclaert: licht gegeven, bemoedigd.
40.Wel een toespeling op het verhaal 1 Kon. XVIII, 17 vlgg. Gij wacht te vergeefs, zoals die priesters op het vuur, dat Baal zenden zou.
48. soot claer is beseven: zoals het duidelik is bespeurd.
53. der sonden, dat: over die zonde, dat gij ….;
+opschrijven: veroordeelen, nl. ten doode opschrijven.
54. Godt Melis: de hostie.
58. vipren: ‘adderen gebroedsel’;
+haert: schreeuwt (Ndl. Wdb. V, 2203).
61. volheerdich: standvastig, hardnekkig. Q. R. U volveerdich.
62. weerdich: kostbaar.
64. expeerdich: voortreffelik, voor expeert: beproefd.
72. eenpaer: gelijkelik. Heel vaak is het niets dan een stopwoord.
73:Gij, die Gods gemeente vernedert.
74. sonder vaer: daer hoeft gij niet bang voor te wezen, niet aan te twijfelen.
76. u val, die: de val van u, die …
77:of acht het vrij onbeduidende praat.
terug  begin  verder