Dect gy u neusen, gy Gods gemeynte verneerders,
73:
Diens einde snel als een valstric sal comen sonder vaer
74..
75
Gy sult weduwen en weesen op eenen dach worden daer,
Hoort gy logenaers, u val, die
76. ons
met last bezwaert,
Dus hooret of ghy wilt, of achtet vry lichte maer,
77:
Babels scharluynen, dect u Cruynen, etc.
+No. 12. Naar I. Verder in E. J. L. M. N. Q. R. T. U. X-BB. Bij
V.L. XVI. De tijd is moeilik vast te stellen. Ik heb het lied op 1566
geplaatst, maar het is zeer mogelik dat het niet onbelangrijk ouder is, al
spreekt het opschrift in I reeds van geuzen. De inhoud bestaat grootendeels uit
uit de Openbaring overgenomen klanken. Tegen welk gedicht het bedoeld is, weet
ik niet. Het opschrift luidt in I: Hier volghen de Geusen Refereynen ten
selven propooste dienende, het eerste is teghen enz. vs. l–4 niet in I—M, overgenomen uit N. Dat deze
verzen later bijgevoegd zijn, ziet men nog in de drukken, doordat Ghy in
vs. 5 een groote hoofdletter heeft. In N. AA en BB ontbreekt dit lied in het
register; in de andere staat het op Ghy Cains enz.
1.niet stilt: niet ophoudt. Toch moet Babels
dienaren wel onderwerp zijn en Gods volck object.
7.Deotrephische gezellen. In 3 Joh. 9,
10 wordt van een Diotrefès gesproken, die zoekt de eerste te
zijn en strijd in de gemeente brengt; de bedoeling is dus:
heerszuchtigen.
9.die Franciscus verdachte: die Fr. heeft
uitgedacht, uitgevonden.
12.gy Negromancenen: gij, die aan zwarte kunst
doet.