11.29 April. Door
Bor (1679) I. 169 wordt het in dit lied
behandelde aldus verteld: ‘Sommige Edel-luiden dewelke hem met vluchtinge
over zee wilden salveren, zijn door de ontrouwigheid van haer-luiden schipper
verraden geworden, en tusschen Harlingen en Staveren op een plaete of droogte
geset, alwaer sy van Hopman Ernst Mulert, schout tot Hasselt, een van de
Capiteynen des Graven van Arenberge aengegrepen en gevangen zijn genomen, en op
't Blokhuis of Casteel tot Harlingen gebrocht. De voornaemste
onder dese zijn geweest Gijsbert en Diederik Vryheeren van Batenburg’
enz.
+Misschien slaat het in dit koeplet verhaalde op wat
Hooft IV, 148 meedeelt omtrent de poging van
de Graaf v. Megen om het aftrekkende volk van Brederode, dat nu echter al door
de vroegere aanvoerders, de heren van Batenburg, was verlaten, te verslaan.
Megen was hen van Amsterdam naar Medemblik gevolgd,
maar zij hadden zich ingescheept en ontvluchtten opnieuw en kwamen 't Ypesloot
bij Amsterdam, aen den dijk' en vandaar naar Duitsland. Maar te
Medemblik had Megen toch gelegenheid gehad ‘de zijnen in
zekere raazeils te doen treden, die daar op de reede laaghen, om hen te
bestooken’. Intussen verwart de dichter dan twee verschillende
gebeurtenissen, aangezien
Hooft ook vertelt, dat in Waterland de heren
van Batenburg hen al hadden verlaten, ‘en voeren over de Zuiderzee naa
Vrieslandt’.
60.anders: ten minste. Indien zij ten minste in leven
blijven. Wat niet het geval is geweest; zij zijn ‘voor de wreetheyt des
Hartoghen van Alva gespaart’, en tegelijk
met
Egmond en
Hoorne onthoofd.