terug  begin  verder
[p. 43]

23.
Een nieu liet +

Op de wijse vanden antechrist

 
Wie wil hooren een nieuw liet
 
Wat daer int Iaer van soevenensestich is geschiet
 
Hoort toe ick salt u singen
 
Van veel Heerschoppen hoort na mijn bediet
5
God wil haer noot verwinnen.
 
Sy zijn in Hollant te schepe gegaen
 
Om na Emden te trecken hoort mijn vermaen
 
Voor Harlingen zijn sy gecomen
 
Ses kerveels 9. mit knechten gelaen
10
Die hebbent so haest vernomen
 
Doen de Graef van Megen te Amstelredam binnen quam 11. +
 
De Goesen dit so haest vernam
 
Van Amsterdam zijn sy geweecken
 
Sy togen na Meemlick al binnen der stadt
15
Aldaer zijn sy gestreken.
 
Die Goesen waren in groter noot
 
Daer zijnder veel gebracht ter doot
 
Int water zijn sy verdroncken
 
En is dat niet lijden groot
20
God wil haer herte ontfoncken 20..
 
De Schipper heft hier niet op verdacht 21:
 
hy heftse te harlingen int sant gebracht
 
Daer hebben sy lange gelegen
 
Mijn Heer van Arenborch quam met grooter macht
25
Aldaer zijn sy gecregen 25..
[p. 44]
 
Het geschiede op een maendach
 
Datmen Arenborchs vaendele vligen sach
 
Te Harlingen op den haven
 
Al waren de Goesen noch so sterck
30
Wy willense veriagen
 
De Schipper vant schip heeft haer verraen
 
Hondert en vijf zijn daer gevaen
 
Soo alst is gebleeken
 
Sy worden te Harlingen gebracht
35
De boyen mosten sy slepen.
 
Doen sy te Harlingen binnen quam
 
Daer stont so menich Wijf ende man
 
Sy beclagen haer allen soo seere
 
O rijck God hoe wil ons dit vergaen
40
Dat weet ghy Godt den Heere.
 
Mijn Heer van Arenborch wel genant
 
Hy was Stathouder over Vrieslant
 
Gesellen wat hebt ghy misdaen
 
Ghy hebt tegen Coninges placaet gedaent
45
Dat sal costen u leven.
 
Wi hebben tegen Conincx placaet nie gedaen
 
Maer om de Inquisitie tegen te staen
 
om te beschermen de onnoselen haer leven
 
Daer toe hadden wy ons bereyt
50
Daer toe hadden wy ons begeven.
 
Sy zijn na dat blochuys gebracht
 
Daer toe alle so seer besocht 52.
 
Haer gelt ende geweer benomen
 
Sy spraken, Stathouder weest wel gemoet
55
Het sal u niet wel vromen.
 
Batenburchs sonen worden wech gesandt
 
Mit twee Heerschopen 57: al wt Vrieslant
 
Op dat huis te Vilfoort zijn sy gelegen
 
Sy sullen wel wederom comen
60
Mogen sy anders 60. leven.
 
De ons dit nieu liet eerst sanck
 
Dat was een Lantsknecht wt Brabant
 
Hy heft dat so wel gesongen
 
Hy heft te Harlingen gevangen gewest
65
Den dans is hy ontsprongen.
 
Loff prijsdense God in eewicheyt
 
Wy bidden door u Mayesteyt
 
Wilt ons genade geven
 
Op datwy moegen zijn bereyt
 
Na u woorden te leven.
+No. 23. Archief Kampen. Zie bij vorige liederen. Bij V.L. LXXXIII.
Tijd als van de vorige liederen,
9. kerveel: karveel, klein, snelzeilend schip.
11.29 April. Door Bor (1679) I. 169 wordt het in dit lied behandelde aldus verteld: ‘Sommige Edel-luiden dewelke hem met vluchtinge over zee wilden salveren, zijn door de ontrouwigheid van haer-luiden schipper verraden geworden, en tusschen Harlingen en Staveren op een plaete of droogte geset, alwaer sy van Hopman Ernst Mulert, schout tot Hasselt, een van de Capiteynen des Graven van Arenberge aengegrepen en gevangen zijn genomen, en op 't Blokhuis of Casteel tot Harlingen gebrocht. De voornaemste onder dese zijn geweest Gijsbert en Diederik Vryheeren van Batenburg’ enz.
+Misschien slaat het in dit koeplet verhaalde op wat Hooft IV, 148 meedeelt omtrent de poging van de Graaf v. Megen om het aftrekkende volk van Brederode, dat nu echter al door de vroegere aanvoerders, de heren van Batenburg, was verlaten, te verslaan. Megen was hen van Amsterdam naar Medemblik gevolgd, maar zij hadden zich ingescheept en ontvluchtten opnieuw en kwamen 't Ypesloot bij Amsterdam, aen den dijk' en vandaar naar Duitsland. Maar te Medemblik had Megen toch gelegenheid gehad ‘de zijnen in zekere raazeils te doen treden, die daar op de reede laaghen, om hen te bestooken’. Intussen verwart de dichter dan twee verschillende gebeurtenissen, aangezien Hooft ook vertelt, dat in Waterland de heren van Batenburg hen al hadden verlaten, ‘en voeren over de Zuiderzee naa Vrieslandt’.
20.ontfoncken, nl. tot geloofsmoed of iets derg.
21:heeft daar geen acht op geslagen, nl. op het lijden der Geuzen.
25. gecregen: gevangen genomen.
52. besocht: onderzocht.
57: Sjoert Byma en Hartman Galama.
60. anders: ten minste. Indien zij ten minste in leven blijven. Wat niet het geval is geweest; zij zijn ‘voor de wreetheyt des Hartoghen van Alva gespaart’, en tegelijk met Egmond en Hoorne onthoofd.
terug  begin  verder