terug  begin  verder
[p. 62]

31.
Als nu dit moetwillichste ende die fleur van Ducdalbens Krijchsvolck, die so lange binnen Malta ende elders gheleghen hadden, verslaghen was, Duckdalbe met zijn overghebleven Spaengiaerden, daer om seer verbittert zijnde, heeft de Graven van Egmondt ende van Hoorn, met de Batenburghers ende ander ghevanghen Edelen doen onthalsen. +

Op de wijse: Waect op ghy Christen al.

 
Alsmen schreef duysent vijfhondert
 
In dat achtensestichste Jaer,
 
Was menich mensch verwondert, 3.
 
Te Bruyssel int openbaer,
5
Vier 5. Graven Edel van Bloede
 
Doodemen in corten stont,
 
Daer toe seer rijck van goede,
 
Ick wilse u doen condt.
 
 
 
Een Heer van grooter machten 9.
10
En Grave van Egmont,
 
Als een Schaep ginck hy 11. ter slachten,
 
Want ghecomen was ure en stont,
 
Men sach daer weenen en trueren
 
So menich Man, en Wijf
15
Te Bruyssel binnen der mueren
 
Al om dit wreet bedrijf.
 
 
 
Cloeck ginck hy na der stede
 
Daer hy moste sterven, desolaet
 
En sprack ghy Heeren en Burghers mede
20
Och isser nu gheen ghenaedt,
[p. 63]
 
Soo ben ick een arme Grave 21, 22.
 
Daer toe gheen Edelman:
 
Niemant hem antwoort gave
 
Dies sprack den Grave nu wel an.
 
 
25
De Grave nam sonder trueren
 
Een Cussen, hoort dit bedien
 
Daer op hy den doot wilde besueren 27.
 
En booch daer op zijn knien,
 
Te samen leyde hy zijn handen,
30
Ten Hemel siende seer soet,
 
Godt doende zijn Offerhande,
 
Die edel Grave goet.
 
 
 
Als zijn knien waren gheboghen,
 
En zijn handen waren ghevoecht,
35
Een heeft dat sweert uutghetoghen,
 
Daermen hem zijn hooft af sloech:
 
Sijn bloet sachmen daer stralen,
 
Edel van Ordens verbont, 38:
 
Godt sal die wrake verhalen 39.
40
Van die Grave van Egmondt.
 
 
 
Terstont daer na quam vooren
 
Edel van Stam en Bloet,
 
Die Edele Graef van Horen,
 
Liefhebbende Gods woort soet,
45
Lieflijck sachmen hem daer treden,
 
Als een Slachtschaep in noot
 
Comende ter selver steden,
 
Daer hy moste sterven den doot. 48.
 
 
 
Egmont die daer lach eenpare 49. +
50
Ghedeckt met een cleet dicht,
 
Wert hijt aen zijn voeten geware,
 
Dies hy tcleet heeft opgelicht:
 
En sprack met cloecke reden
 
Sijt ghy daer Egmont?
55
Sijt ghy my voor ghetreden,
 
So wil ick u volghen terstont.
[p. 64]
 
Baals Priester met zijne cluchten
 
Tradt tot den Grave groot:
 
Gaet van my (sprack hy met suchten)
60
Want ghy doet my nu 60. aen den doot:
 
Hy wist wiese waren al voren,
 
Des duyvels en sPaus ghebroet,
 
Van Antechristus gheboren,
 
Die daer dorsten na donnoosel bloet.
 
 
65
Een Cussen heeft hy ghevonden
 
Daer hy op booch zijn knien,
 
Al om te zijn verslonden, 67 + +
 
Tot den Hemel sachmen hem sien:
 
Hy voer uut dese Warande 69.,
70
Sprekende seer onbevreest,
 
O Heer in dees Offrande,
 
Beveel ick u mijnen gheest.
 
 
 
Als hy zijn knien had gheboghen 73
 
En zijn handen had ghevoecht,
75
Een heeft dat Sweert uutghetoghen 75.,
 
Die den Grave zijn hooft af sloech,
 
Aldus sachmen crincken 77.,
 
Den Edelen Grave minioot 78.,
 
O Godt wilt toch ghedincken,
80
Den Tyran die hem bracht in noot.
 
 
 
Twee Broeders in goede zeden 81.,
 
Van Batenburch twee Heeren groot, 82.
 
Bervoets sachmense treden,
 
En bloots hoofts al na den doot,
85
Singhende uut helder kelen
 
Uut David den sesten Psalm:
 
Straft my niet Heer in velen:
 
Tot Godt quam haerlieder galm.
[p. 65]
 
Vry moedich int openbare
90
Aenriepen sy haren Schepper groot:
 
De Trommelen ginghen allegare,
 
En sloeghen daer al accoort:
 
De Jongste begost te treuren,
 
Hy liet soo menighen traen,
95
Om dat het niet mochte ghebeuren,
 
Dat die lieden hem conden verstaen.
 
 
 
Op den Savel zijn sy ghecomen 97. 97
 
Dees twee jonghe Heeren 98. soet
 
Al waer sy met onvervromen 99.
100
Moesten storten haer edel bloet
 
Want men sach haer thooft af smijten
 
Met noch thien edel mannen schoon
 
O Godt mijn hert wilt splijten
 
Als ick daer op denk ydoon.
 
 
105
Groot suchten ende claghen
 
En weenen ghebrack daer niet:
 
Men hoorde mans en vrouwen gewaghen,
 
O Godt wat grooter verdriet
 
Van dees Nederlantsche Heeren 109
110
Diemen daer doot en brant,
 
Met so menich Man, dwelck tsijnen vermeeren
 
Doet 112. Duckdalve den wreeden Tyrant.
[p. 66]
 
O Duckdalf met u ghenooten,
 
Sijt ghy niet sadt van tbloet
115
Dat ghy in Napels hebt vergoten,
 
En voor Mets soo menich man goet: 116
 
Waren dat niet Schelmsche wracken 117.,
 
Dat ghy den onghelesten kalck
 
Int broot hebt doen backen,
120
O Nero, Verrader end Schalck.
 
 
 
Al met u bloedighe tanden
 
Als Pharao en Jesabel
 
Coemt ghy in dees Nederlanden,
 
Als Herodes quaet en fel:
125
Hanghen, moorden en branden,
 
Ontlijven al metter spoet:
 
Dus coemt ghy met Babel ter schanden,
 
Al om tonschuldighe bloet.
+No. 31. Naar A, al opgenomen in φ. Verder in alle andere, behalve S en V. Bij V.L. XXIX; V. Vloten I, 348; V. Duyse II, 1615; Wackernagel no 75.
Van Duyse geeft nog enige andere plaatsen, waar dit mooie lied wordt afgedrukt, noemt ook een Nederduitse navolging, door Uhland, Deutsche Volkslieder, I, 356 meegedeeld, en verder nog verschillende andere liederen op de dood van Egmond en Hoorne.
'Breedvoerige verhalen, in tallooze exemplaren gedrukt, in het fransch en duitsch vertaald door gansch Europa verspreid, deden overal de bijzonderheden van de voltrekking van het vonnis kennen en wekten also deernis met het lot der vermoorden', Blok III, 74.
De tijd van vervaardiging is Juni 1568.
In A-H en K is de tekst vrijwel gelijk gebleven. Daarna wijkt de lezing meermalen sterk af.
n I enz. heet de wijs: Ontwaect ghy christenen alle. Zie nog Bouwsteenen, II, 229 en vlg. no 214.
3.I-DD: Sachmen geschien groot wonder.
5.Vier. Q-AA: Twee. — Graven. B-D. F-H. K. P: Heeren.
9.In I-DD, behalve in P, Prince i. p, v. Heer.
11.hy ontbreekt B-D. F-M, AA-DD.
21, 22.De verklaring is onzeker. De bedoeling schijnt te zijn: dan wordt aan mijn waardigheid als graaf en edelman weinig gewicht gehecht.
27. den doot besueren: de dood ondergaan.
38:van hem, die lid was der orde van het Gulden Vlies, vgl. vs. 22.
39. wrake verhalen: de wraak nemen, die Egmond toekomt.
48.I-DD voegen hier de volgende strophe in:
Als hy daer was gcomen
Die Graef Edel ghenaemt,
Hy sprac vry sonder schromen
Isser nu gheen ghenaed?
Niemant hem antwoord gave,
De Edel Graef goetront
Na Egmont was zijn vragen
Baals Priester by hem stont.
49.die daer lach eenpare. In P ontbreekt die, in H. K daer; I-DD lezen lach daer verslaghen.
+ eenpare: uit één stuk, enz.; hier een stopwoord zonder meer.
60.nu ontbreekt in B-D. F-H. K. O. P.
67vlgg. I. J. L-DD lezen:
Een kussen hy voor hem vande
Hy boog daer op zijn knien,
Tesamen leyd hy zijn handen
Ten Hemel sachmen hem sien.
+Deze lezing is duideliker dan de andere, maar reeds daarom zeker wel jonger.
+Vs. 67 schijnt te moeten betekenen: om zich geheel [aan God] over te geven enz.
69. deze warande: deze aarde.
73vlgg. In I. J. L-DD:
Als zijn knien waren gebogen
En zijn handen tsaem gevoegt,
Een heeft dat zweert uutgetoghen,
Die de Grave thooft afsloeg.
Zijn bloedt sachmen daer blincken
Edel van stamme root
Dus sachmen de Grave krincken
Van Hoorn seer minjoot.
75.uutghetoghen; B-D. F-H. K ghetoghen.
77.F. G. H. K: daer crincken.
78.A minoot.
81.in goede zeden; zoo in A en B; C. D. F-H. K. P van goede zeden; alle andere in Godes vreden.
82.Zie over de gevangenneming der gebroeders Gijsbert en Dirk van Batenburg bij no 23.
97.Op de zogenaamde Kleine Zavel, vroeger ook Paardemarkt genoemd, waar het paleis van Egmond, nu eigendom van de hertog van Arenberg, en het standbeeld van Egmond en Hoorne staan. De terechtstelling van de Batenburgen en de tien andere edellieden had eigenlik 1 Junie, dus enige dagen voor die van Egmond en Hoorne, op de 5e Junie, plaats. Dat in ons lied de eerste op de laatste volgt, doet vermoeden, dat het lied niet door een ooggetuige, dus waarschijnlik niet door een Brusselaar is vervaardigd, een vermoeden, dat enigszins wordt gesteund door de omstandigheid, dat hier bij de Batenburgen de plaats van de terechtstelling wel wordt genoemd, terwijl de Markt, waar E. en H. zijn onthoofd, en waar dan oorspronkelik ook hun standbeeld stond, niet wordt genoemd. Aan de andere kant is het lied zo aanschouwelik mogelik, wat weer wel aan een ooggetuige doet denken.
97vlgg. I. J. L-DD geven ook hier een andere, begrijpeliker, maar stellig minder oorspronkelike tekst:
Al comende op de stede
Dese Heeren Jonc van jaer
Zy waren in God te vreden
Totten doot begaven sy haer
Haer knien sachmen daer boogen
Men sloegse daer af het hooft
O God hoe meugdyt gedogen
Dat u woort dus wort berooft.
98.P leest De twee Heeren, N. O. Q-DD De twee graven.
99.met onvervromen zal wel moeten beteekenen: met onverschrokkenheid, maar de uitdrukking is vreemd. B heeft niet o., wat even onverstaanbaar is. Misschien is de lezing van C enz. de ware: niet om vervromen, d.i. ‘zoo, dat niemand hen in dapperheid kon overtreffen’.
109vlgg. I. J. L-DD lezen:
Vande Heeren der Nederlanden
Diemen daer doot en brant
Zoo menich man comt ter schanden
Door Ducdalf de wreeden Tyrant.
112.A. B Door, drukfout, verbeterd in C-H. K.
116vlgg. Deze regel ziet op de mislukte poging Mets op de Fransen te hernemen in 1552. Maar waarop de zinspeling van de ongebluste kalk doelt, is me niet bekend. Ik heb het verhaal elders niet gevonden.
117.Ook het woord wracken is mij onbekend; wraken van enkele latere uitgaven geeft noch opheldering, noch verbetering.
terug  begin  verder