+No. 33. Naar A, misschien reeds in de oudste bundel φ
opgenomen, ofschoon het niet in B voorkomt. Verder in E. I en alle latere,
behalve K.S.V. Bij V.L. XXVIII; Wackernagel no 91. Het lied is natuurlik van 1568. Voor de melodie vgl. Tijdschr. v. Ned. T. en Lett.kunde X,
179.
40.beus. Behalve A. AA-DD hebben alle
veus (= voos), wat wel beter is.
41.den Alf, eig.: de zot. In de Geuzenliederen
niet ongewone woordspeling met de naam van
Alva, vgl. vs. 45; no 47, vs. 57 en
no 56, vs. 105, 129.
45.int cot jaghen: terugdrijven, zoals men een hond
in zijn hok jaagt.
47.grau muncken: de Capucijners, die voor het
optreden der Jezuieten hier te lande, die in Geuzenliederen maar weinig worden
genoemd (zie echter no 1), de voornaamste geestelike bestrijders der
hervorming waren. —
knuncken: kanunniken.