37.
De eerste vrucht van
Ducdalve was de Banninge der uutghewekene. Een nieu
Liedeken, allen vromen uutlantschen Christenen voor desen tijdt seer nut ende
oorboorlijck.
+aant.
Godt sal ons door die vander Maecht gheboren wert,
Ontbermen en minnen als zijn vercooren hert.
Anno 1570.
+No. 37. Naar A, reeds opgenomen in de oudste druk φ. Verder
in alle andere, behalve S. V. Bij V.L XXVII. In
Coornherts
Wercken, Amst. 1630, I, 490. De wijs is die van de 50e psalm van Datheen: in I en de latere
drukken staat de 30e aangegeven, maar die komt in maat met bovenstaand gedicht
niet overeen. De ondertekening verwijst het lied naar 1570. Er is geen reden
het vroeger te plaatsen, ofschoon het, wel jongere, opschrift wel op een
vroegere tijd wijst. Uit de laatste regel van het mooie lied blijkt, dat
Coornhert de dichter is, die inderdaad in 1570 in
ballingschap leefde.
19:Onze eigenlike vijand is het snode vlees, en onze
vervolgers zijn eigenlik alleen daarvan de vijanden.
22.de sondelicke Middelwant: de scheidsmuur der
zonde, die ons van de vertroosting Gods afsnijdt. Misschien wordt ook eenvoudig
het middelrif bedoeld, als zetel van de gemoedsaan-doeningen, van de zondige
begeerten. Reeds I en de latere begrepen het niet, en drukten daarom middel
want.
45.hem ghelaten: zich aan hem onderwerpende, aan hem
overgevende.