Gebrocht ende volent,, van den Raet gants verblent
Den dertichsten dach Meye,
[p. 82]
125
O Heeren nu toch beeft,, dat ghy dus groulick leeft
Met Gods Schaepkens seer goedich
En u hert toch begeeft,, tot Godt, eer dat ghy sneeft
127.
Want u handen zijn bloedich.
Neemt in danck dit gesangh,, O Gods ghemeynte bangh,
130
Mijn Broeders inden Heere,
Ick hoep Godt sal eerlangh,, helpen vrij uut bedwang
Ons als zijn kindren teere.
Ghy Predicanten net,, swijcht niet door gheen belet
+
Bouwt op Gods Kercke schoone
135
U mondt sy een Trompet,, om te leeren Gods Wet,
So crijcht ghy slevens Croone.
+No. 38. Naar A. het eerst opgenomen in de veronderstelde druk
van 1575 : χ. Verder in B. I. J. L. M. S. Bij V.L. XXXVI; Wackernagel
no 78. De 3e psalm zal wel die van Datheen zijn,
ofschoon ook Utenhove's zou passen. De hier bedoelde vier pastoors zijn genoemd bij No.
19.
41vlg. zijn niet geheel duidelik. De bedoeling zal wel
zijn: een van hen verflauwde in zijn moed, en schreef een dubbelzinnig antwoord
op, waardoor de eer der martelaren gekrenkt, verminderd zou worden. Maar een
der anderen sprak hem moed in.
47.B:
Daer ghy moet comen plaen: waar gij zonder twijfel
moet komen. De lezing van A geeft een minder goede zin.
De andere lezen:Daer toe ghy komt seer
plaen.
48.Blau onschult: verzonnen verontschuldigingen baten
niet.
61.Den Raet. Hier zullen, in tegenstelling met
vs. 22, de wereldlike rechters bedoeld zijn (vgl. vs. 89); indien de dichter
zich altans van deze dingen enigszins nauwkeurige voorstelling maakt, wat te
betwijfelen valt.
73.Dat heylichdom: het heilige, dat aan de vingers
was, omdat zij daarmee het Allerheiligste, het misoffer, plachten aan te raken;
hen andere vorm van hun, evenals op tal van plaatsen in deze
liederen.
83.ghy weet wel van tgebras: ge weet wel, wat die
rommel beduidt. In het verhaal, zoals
Bor I, 313, het geeft, antwoordt
Arent Dircksoon, de pastoor van de
Liere, die ook hier gemeend wordt, op de woorden van
Sonnius Exuo tibi vestem Iustitiae, quam volens
abjecisti (ik trek u uit het kleed der gerechtigheid, dat gij vrijwillig
verworpen hebt), Immo vestem Injustitiae (ja! het kleed der
ongerechtigheid).
+Omdat de laatste strophe bijna geheel gelijk is aan die van
no l, behoeft dit lied nog niet van dezelfde dichter te zijn. Wel
worden de vier pastoors daardoor op één lijn gesteld met
Fabricius. Allicht is hier een Hollander aan het
woord.