+No. 41. Naar I. Verder in J.L.M.S. Bij V.L. XVII. Dit gedicht komt voor in het handschrift in de Bibliotheek der
Universiteit te Gent, waarin de Refereynen enz. van
Laurens Jacobszoon Reael, waarover ik in de
aantekeningen van het volgend lied spreek. Het lijdt dus geen twijfel, of het
is van die dichter, ofschoon in geen der drukken zijn zinspreuk er onder is
geplaatst. De door mij er boven geplaatste titel is uit het hs. overgenomen. De
inhoud is grotendeels ontleend aan Openbaring, XVIII en volgende
capita, ook veel aan Jesaja, XLVII.
8.U tien hoornen, vgl. Openb. XVII,
16: Ende de tien hoornen die ghy ghesien hebt op het Beest, die sullen
de Hoere haten, ende sullense woest maken ende naeckt: ende sy sullen haer
vleesch eten, ende sullense met vyer verbranden.
45.sy. Alle drukken hebben hy. Blijkbaar
begreep men dit vers niet, dat echter met moderne interpunctie zeer
verstaanbaar is: ‘Een Coninginnen ben ic’, seyt sy tot mijner
schant.
+Bij vs. 62 tekent Reael aan: roepen die vorsschen uit den
modder; alsoo seyt Apoc. 16 dat des Pausen legaten de menschen ten oren roepen,
ende onlustig maecken met haer roepen; van den allerheyloosten onder den
Paus.