|
|
|
| |
44.
Corts na dat
Graef Lodewijc van Groeningen opghebroken, ende van
Gemminghen verdreven was, is de
Prince van
Oraengien na de Maze ghetoghen.
Een nieuw Christelick Liedt gemaect ter eeren des
Doorluchtichsten Heeren, Heere Wilhelm Prince van Oraengien, Grave van Nassou,
Patris Patria, mijnen G. Forsten ende Heeren. Waer van deerste Capitael
letteren van elck veers, syner F.G. name metbrengen.
+
Na de wijse van Chartres.
Ben ick van Duytschen bloet,
Blijf ick tot inden doot:
Den Coninck van Hispaengien
Om Landt om Luyd ghebracht:
| | | |
Lijdt u
17. mijn
Ondersaten
Die oprecht zijn van aert,
Godt sal u niet verlaten,
Die vroom begheert te leven
Bidt Godt nacht ende dach,
Dat hy my cracht wil gheven
Heb ick u niet verschoont,
Mijn Broeders hooch van Namen
Graef Adolff is ghebleven,
30
In Vrieslandt in den Slach,
Zijn Siel int eewich Leven
Verwacht den Jongsten dach.
35
Een Vorst des Rijcks vercoren
Als een vroom Christen Man,
Voor Godes Woort ghepreesen,
Heb ick vrij onversaecht,
Als een Helt sonder vreesen
40
Mijn Edel bloet ghewaecht.
Mijn Schilt ende betrouwen
Sijt ghy, o Godt mijn Heer,
45
Dat ick doch vroom mach blijven
Die my mijn hert doorwondt.
Van al die my beswaren
49.,
50
End mijn Vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verrasschen
53.
55
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.
Als David moeste vluchten
Soo heb ick moeten suchten
Maer Godt heeft hem verheven,
Een Coninckrijck ghegheven
65
Nae tsuer sal ick ontfanghen
65:
Van Godt mijn Heer dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Dat is dat ick mach sterven
Een eewich Rijck verwerven
Niet doet my meer erbarmen
Des Conincks Landen goet,
Dat u de Spaengiaerts crencken
Als ick daer aen ghedencke
80
Mijn Edel hert dat bloet.
Als een Prins op gheseten
Met mijner Heyres cracht,
Heb ick den Slach verwacht,
85
Die by Maestricht begraven
85.
Mijn Ruyters sachmen draven
Seer moedich door dat Velt.
Soo het den wille des Heeren
90
Op die tijt had gheweest,
Had ick gheern willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
En heeftet niet begheert.
| | | |
Seer Prinslick
97. was ghedreven
Stantvastich is ghebleven
100
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Dat hy mijn saeck wil reden,
103.
Mijn onschult doen bekant
104..
Die zijt in grooten noot,
Al zijt ghy nu verstroyt:
Tot Godt wilt u begheven,
110
Sijn heylsaem Woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaan.
Voor Godt wil ick belijden
End zijner grooter Macht,
115
Dat ick tot gheenen tijden
Dan dat ick Godt den Heere
|
+No. 44. Naar A. Het lied staat in alle uitgaven, ook reeds in
de oudste π, behalve in S.V. Bij V.L. XXXI; Van Duyse II, 1620 vlgg.;
Valerius bl. 46; Loman, Oud-Ned. Lied. no. 3. Zie de uitvoerige aantekening hierachter in de
bijlagen.
16.
Regiment: stadhouderschap.
17.
Lijdt u: wees geduldig, lijdzaam.
49.
beswaren: in het nauw brengen.
53.
verrasschen: overvallen.
65:Zo zal ook ik, evenals David, enz.
85.Overtocht van de Prins over de Maas bij
Stockem 5 Oct. 1568. —
Alva hield zich bij Maastricht binnen
zijn verschansingen uit vrees voor mijn krijgsmacht.
97.Prinslick, de lezing van A. Alle andere
hebben Christelick.
103.Dat hij mijn pleitbezorger wil zijn.
104.bekant. Zoo in A-D.F.O; in G. H. K
bekent; I. J. L. M. Q-DD oorkont; (E). N bekondt;
kondt.
|
|