|
|
|
| |
88.
Een nieu Liedeken, vanden slach voor Berghen.
+
Hoort alle gaer,, int openbaer,
Hoe datmen claer,, sach comen daer,
Int vierentseventichste Jaer,
Duck Dalfs
4. groot Armeyen
5
Met Trompetten en Scharmeyen
5.,
| | | |
Seer triumphant,, voeren sy vant Lant,
Van Berghen want,, met een cloeck verstant
Elck schip seer vroom ghemant
10
Met Spaengiaerts en Walen,
Meenden sy prijs te halen,
Maer deus aes
12. viel op de hant.
Als sy nu reen,, groot ende cleen
Quamen by een,, om haer te verbreen
15
Voor Remmerswael hielden sy ghemeen
Den Admirael moest vooren,
17.
Hem moeste beswijcken gheen.
Capiteyn Juliaen,, de Romero saen
20
Deed een vermaen,, willet wel verstaen
Lieve Crijsluy wilt ontfaen
Den wijn die ick u hier schincken
Daer by sult ghy ghedincken
Dat ghy Ketters sult verslaen.
25
Al in ootmoet,, valt nu te voet
Als Christen bloet,, u ghebedt nu doet
Voor dit heylich Cruyce soet
Dit Beelt dit wilt aenschouwen
30
Die neem ons in haer behoet.
Met dit ghebedt,, naer haer opset
Meenden sy net,, sonder belet,
Te comen deurt perket,
33.
Maer het was al qualijck ghebeden
35
Sy mosten leeren smeden
35.
Hoveerdich stout,, riepen sy bout
Draghende hout
38.,, de Geus
die schout
38.,
Ons ghewelt seer menichfout
Dit is den dach die u berout.
| | | |
Als Leeuwen vrij,, die Geusen bly,
Quamen haer by, clampen onder de Ly
44.,
Seer vreeslick sachmen schieten
De Spaengiaerts haer schepen verlieten,
Schampado
48. speelden sy.
Een vrijmoedich accoort,, de Geusen voort
49.
50
Quamen aen boort,, den Admirael verstoort
Groot gheschrey was daer ghehoort,
Papou tmoet u verdrieten,
T'onnoosel bloet te verghieten,
Dat binnen Haerlem is versmoort.
55
Een vlietsche Boot,, seer vreeslijck schoot,
55.
Soo dat elck vloot,, zijn ghewelt seer groot,
Jan van Spaengien viel seer bloot,
57:
Men hoorde roepen en kermen,
Misericordie wilt ons ontfarmen
60
Maer de loose was slaet doot.
Sonder verdrach,, ghelijck voor den slach
61.
Op een vrijdach,, twelckmen heughen mach,
Veel Edelen Cruysheeren
64.
65
Mosten daer sterven leeren
Met gheschrey en groot gheclach.
Dees tijding mal
67.,, met blijd gheschal,
Quam over al,, met groot gheral
68.
| | | |
70
Ons schepen niet en wijcken
Sy doen de Geusen strijcken,
Mijn Heerom verblijt,, met groot jolijt
Bootschapte dijt,, sonder respijt
Hy is op zijn Peert ghetreden
Al na sijn volck gereden,
Maer seer cort was daer sijn tijt.
Al hy daer quam,, vier ende vlam,
80
Tgheschut vernam,, sijn volck dat clam,
80
Over den dijck creupel en lam
Ellendich quamense hem teghen,
Sijn ghesellen seer versleghen
En riepen met luyder stem.
85
O Grand Seigneur,, le Gouverneur,
Adieu bonneur,, hier gaen wy deur,
Men sach hem wederom rijden,
Van lachen wel vermijden,
Mijn Heeroom voorseyt,, siende dit leyt,
91
Sijn vrolickheyt,, is in druck verspreyt,
Over de gantsche stadt verbreyt,
Mijn Heeroom onverduldich
Heeft de Spaengiaerts doot beschreyt.
Als de Philisteen,, voor Israel deen
Haer hoochmoedighe seen,, daelden beneen
98.
Alsoot hier claerlijck scheen
Seer dapperlick sachmense vluchten
Die Spaengiaerts voeren heen.
Als Pharao versaecht,, int Roo Meyr geplaecht
Soo ist hier gheslaecht,, twordt u bedaecht
104.
105
Al die dit spel behaecht,
Soo zijn oock dees Papisten
In haer selfs strick ghejaecht.
| | | |
Oorlof Admirael,, Officieren reael
109.
109
110
Capiteynen verbael
110.,, Bootsluyden altemael,
Van dat hier is bedreven,
Als David doet verhael.
114.
|
+No. 88. Naar A; het eerst opgenomen in de druk van 1575: χ.
Verder in alle, behalve S.V. Bij V.L. LXXXIII; Valerius, bl. 65; Loman,
Oud-Nederl. Lied. N o 5; Van Vloten II, 110; Van Duyse II, 1738. De
laatste noemt ook nog een hs. van Boeckx in de Kon. Bibl. te Brussel
n o 14275 en een hs. van Willem de Gortter, aldaar n o
15662. De tekst bij Valerius wijkt enigszins, maar niet belangrijk
af. De melodie is volgens Valerius bij het lied
gemaakt.
4.
Duck Dalfs. I.J.M lezen Des Monicks, N
Des Monnicxs, L Des Conicks, Q-DD Des Koninghs. De
toebereidselen voor de onderneming waren reeds door Alva gemaakt. Vandaar de
eerste lezing. De latere drukker, die wist, dat de strijd onder
Requesens plaats had, noemde nu diens bijnaam
de Monnik. In L, die geheel op I of J berust, kwam nu de drukfout
Conick, waaruit de latere lezing voortkwam.
5.
scharmeyen = schalmeien: fluiten.
12.
deus aes: twee enen nl. bij het dobbelspel. De
regel wil dus zeggen: het viel ongelukkig uit.
17.De admiraal moest voorgaan en niemand mocht hem
verlaten.
33.
deurt perket: door de gevaren en moeilikheden
heen.
35.
smeden op Sinte Stevens wet: slaan naar de wijze
van de heilige Stephanus d.w.z. gestenigd worden, omdat de heilige St.
gestenigd is.
38.
draghende houden: voor den wind houden. Zie Ndl.
Wdb. III, 3241 en vgl. de daar aangehaalde plaatsen. G. H. K lezen Dragon
die hout, wat ook een verstaanbare zin is:
Mondragon houdt het uit. Toch is dit slechts een
poging tot verklaring van hetgeen de drukker niet verstond.
38.
schout: schuwt, vreest.
44.onder de ly. Wil dit zeggen dat de Geuzen
aan de lijzijde enterden om de Spanjaarden het vluchten te
beletten?
48.Schampado quasi Spaans, gevormd van
schampen: vluchten.
49. Valerius: Met g'lyck accoort.
55.Gedoeld wordt wel op wat
Hooft vertelt IX, 346: ‘Hierop volgde 't
boordhechten; en de Spaanschen, hebbende nu dus veel vooruit, wipten oover in
Boisots Kog; hadde Hopman Adriaen Corneliszoon van Vlissinge.
ziende hem alzoo ontreddert, hen ook niet daatelijk, met zijn vlieboot,
aangevallen.’ Zie ook Van Meteren, fol. 97.
57:De Spanjaarden waren zeer bang.
61.Valerius:
Dees' fellen slag' Met groot gewag,
Men heugen mag' Op een vrydach
Men al dit schoone spel aensag.
In de tekst van A is moeilik zin te brengen.
64.
Cruysheeren: leden van de orde van St. Jacob, die
het zogenaamde Jacobskruis als ordeen kenteken droegen.
67.Dees tijding mal nl. wat in vs. 70 vlgg.
verteld wordt.
68.
gheral: gepraat, geschreeuw. Dit is de lezing van
A. (E). N, waarvoor alle anderen ghetal hebben, P
ghekal.
80vlg. Vgl.
Hooft,
over Romero IX, 347: ‘Aldus gefnuikt, en
speurende geen naader, joegh hy 't teeghen den Toolschen oever aan, sprong
t'eener buspoort uit; en raakte, neevens 't volk met roeiboot, oft zwemmen, te
lande.
91vlgg. Met mijn Heeroom wordt natuurlik
dezelfde geestelike bedoeld als in vs. 73. en wel niet de geesteliken in het
algemeen.
98.Hun hoogmoedig gedrag wordt vernederd.
104.
bedaecht: vertoond of verteld.
109.
reael: koninklik, prachtig enz.
109vlgg.
Valerius:
Oorlof egael, o Admirael!
Cap'teyns royael, bootslien te mael,
Soldaten al in't generael.
In 't algemeen schijnt Valerius de teksten hier en daar
met opzet wat te wijzigen, misschien ook, als ze hem wat onbegrijpelijk
lijken.
110.verbael kan hier alleen ‘met
name’ betekenen; maar het is vaak verloren moeite in de rijmwoorden een
betekenis te zoeken.
114.Bedoeld wordt vooral David's danklied na
‘hij verlost was uit de hand aller zijner vijanden en uit de hand
Sauls’, 2 Samuel, 22 = Psalm XVIII.
|
|