terug  begin  verderprepost
[p. 71]

Handleiding bij de beoefening der Sterrekunde van sir John F.W. Herschel, Ridder van de Guelphen-Orde, Lid van de Koninklijke Societeit te Londen en van andere In- en Uitlandsche Geleerde Genootschappen.

Voor lezers uit den beschaafden stand. Uit het Engelsch, door J.W. Ermerins, Hoogleeraar te Groningen. Eerste Aflevering. I-XII. 156 bl. Te Franeker, bij G. Ypma, 1836.

‘Deze Handleiding bij de beoefening der sterrekunde van J.F.W. Herschel (waarvan thans de vertaling aan onze Landgenooten wordt aangeboden), maakt een gedeelte uit van de met zoo veel lof in Engeland en ook elders bekende Dr. Lardners Cabinet Cyclopaedia; zijnde eene verzameling van verhandelingen over verschillende wetenschappelijke onderwerpen, door onderscheidene, in hun vak met grooten roem bekende, mannen geschreven. Het hoofddoel dezer verhandelingen is, om lezers uit den beschaafden stand, welke door hunne betrekkingen zich vaak buiten de gelegenheid gesteld zien, om kunsten of wetenschappen te beoefenen, met deze nader bekend te maken, en hen, als het ware, mede te doen genieten van de vorderingen, welke gedurende de laatste jaren in dezelve gemaakt zijn’ (bladz. 1 der voorrede). Lardner, Herschel, Biot, Dupin, Campbell, Brewster, Kater, Berzelius, en anderen zijn de namen van Engelsche en vreemde geleerden, die elk in hun vak van geleerdheid de keurigste verhandeling hebben geleverd, of dit nog zullen doen. De Uitgever dezer Handleiding, de Heer Boekhandelaar YPMA te Franeker, zegt in de voorrede, de belangrijkste stukken daarvan in onze taal te zullen uitgeven. Hetgeen wij hier ontvangen is eene eerste aflevering, bevattende de twee eerste Hoofdstukken der Verhandeling over de Sterrekunde (Treatise on Astronomy) van Herschel, den jongen, in 1833 in Engeland uitgekomen.

De Schrijver van dit Werkje J.F.W. Herschel, thans zijne wetenschappelijke onderzoekingen aan de Kaap de goede Hoop voortzettende, is te wèl bekend, om niet iets goeds, ja uitmuntends te doen verwachten. De Vertaler is de Groninger Hoogleeraar Ermerins. Het oorspronkelijke Werk is in 13 Hoofdstukken verdeeld. Hetgeen wij in deze 1ste aflevering ontvangen, zijn, behalve eene inleiding van den schrijver, de twee eerste Hoofdstukken van het Werk, bevattende: eene beschrijving van de gedaante en grootte der aarde, van de kimduiking, van den horizon, de straalbreking, het verschilzigt, eenige bepalingen van de as der aarde,

[p. 72]

en verdere punten en cirkels op de aarde gesteld, van de breedte en lengte, en eene verklaring van de regte opklimming enz. In het 2de Hoofdstuk worden eenige sterrekundige werktuigen en derzelver gebruik kortelijk opgenoemd, en meer of min uitvoerig gehandeld over den meridiaan-verrekijker, over de uurwerken, over den middelbaren- en zonne-tijd, over het meten van hoeken, over den muurcirkel, kunstkim, collimator, hoogte- en azimuth-instrument, over den Sextant, reflectie-cirkel enz., over de feilen bij de waarnemingen en bij de instrumenten veroorzaakt door ongelijke uitzetting, door het voorbij laten gaan van het gunstigste oogenblik, het niet behoorlijk vast zetten der schroeven en kleinschroeven, eindelijk over de feilen in het instrument zelf, of het niet naar behooren stellen derzelve, worden belangrijke wenken medegedeeld, wier nalezing zelfs deskundigen aan te bevelen is.

De Heer Ermerins doet een goed werk met deze Sterrekunde in de Nederlandsche taal over te brengen; bij gebrek in dit Land aan dadelijke voortbrengselen, aan wezenlijke astronomische waarnemingen van het toch ook in ons Vaderland niet onaanzienlijke getal van Professoren in de Sterrekunde, verheugen wij ons in de poging van den Hooggeleerden vertaler. Hij houde ons echter ten goede; wij wenschen van hem niet eene letterlijke vertaling; enkele uitbreiding, eene meer gemakkelijke omzetting, eene kleine tusschen- of toevoeging zullen dikwerf den korten stijl van Herschel ook voor den minkundige meer verstaanbaar maken; eene vertaling alleen zoude door een' gewoon vertaler geleverd kunnen worden!

De noot op pag. 75 is onnoodig; ook spreekt de schrijver van Yards en niet van ellen. Het is reeds lang buiten de gewoonte der Nederlandsche astronomici, om de lengte van Teneriffe te rekenen, zoo als de vertaler op pag. 83 heeft ingevoegd; zijn veeltijds van Greenwich kan als bepaald aangenomen worden: eene koninklijke rescriptie heeft dit reeds voorlang verordend. Ook wij bezitten wel eenige Werken, die aangehaald hadden kunnen worden, om den meridiaan-verrekijker te leeren stellen: wij zien dus de reden niet in, waarom de noot, bl. 81 van het Engelsche Werk, niet vertaald of gewijzigd overgenomen is. Het in den tekst daaromtrent medegedeelde zal Herschel zelf wel als niet genoegzaam rekenen, ten opzigte van dit in de sterrekunde zoo belangrijke werktuig. Bij het stellige van Herschel, op bl. 115, waar gezegd wordt, dat 1s verschil in gang van eenen chronometer thans niet wordt toegelaten, klinkt het vreemd hij het men zegt, op bl. 137, dat de waterpassen eene afwijking van 1″ kunnen aanwijzen!

Wij gelooven, dat Herschel, na zijnen nu gedanen zeetogt, den Sextant beter zoude beschrijven: het daaromtrent aangevoerde is

[p. 73]

zeer kort en algemeen, en wij betwijfelen, of een onkundige hierdoor wel dit zoo nuttige werktuig zal leeren kennen.

De vertaling is over het algemeen getrouw, en met slechts zeer weinige invoegingen voorzien. In No. 81 lezen wij, dat de hoogten door verticale cirkels worden gemeten; dit moet zijn op die cirkels gemeten (on these are measured the altitudes). Het Engelsche woord quadrant (No. 156) moet door octant en geenszins door quadrant vertaald worden: het is toch hier naar de wezenlijke grootte van den boog van het werktuig, en niet naar den boog, dien men met het werktuig kan meten, dat het genoemde woord in onze taal overgebragt moet worden. Op bl. 84 staat, reg. 22 van boven, breedte, dit moet zijn lengte, en op bl. 151 No. 175 voor 157.

Deze weinige aanmerkingen zullen kunnen strekken ten bewijze, dat wij het Werkje met naauwgezetheid hebben gelezen, en zullen ons bij het lezend publiek van den beschaafden stand, waarvoor hetzelve, volgens den uitgever, bestemd is, welligt ook eenig vertrouwen schenken. Nut en vermeerdering van kennis moet steeds het streven van elk wetenschappelijk Werk zijn; wie dáárnaar haakt, zal voorzeker gelegenheid vinden, veel in dit Werkje op te zamelen. Ook den sterrekundige kan het mede niet dan aangenaam zijn, en Herschel's ondervinding geeft hem hier en daar verrassende opmerkingen. De geleerde vertaler houde echter steeds in het oog, dat het oorspronkelijke in 1833 is uitgekomen, dat men in vier jaren niet weinig vorderingen heeft gemaakt, en dat het tevens een onmisbaar vereischte is van een wetenschappelijk Werk, dat het steeds op de hoogte van den tijd is.

Bij eene volgende aflevering van dit hoogst belangrijke Werkje hopen wij ruimte te vinden, om eene proeve van den stijl en inhoud te geven. Intusschen bevelen wij hetzelve aan, en wenschen, dat de vertaler zijne niet gemakkelijke taak gelukkig moge voortzetten, en dat belangstelling van het algemeen den uitgever aanmoedige, om met meerderen spoed niet één, maar, in korten tijd, vele dezer Werkjes met even bevallige plaatjes, als de oorspronkelijke zijn, in onze taal in het licht te geven.

prepostterug  begin  verder