terug  begin  verderprepost

Brieven van Mr. Willem Bilderdijk.

Eerste Deel. Te Amsterdam bij W. Messchert, 1836. XX en 320 bl.

Is dat een droom? ik zag nooit waakende zoo veel.
Hooft.

Hoe dikwijls heb ik gewenscht, nog éénmaal die hartverheffende geestdrift te kunnen gevoelen, welke mij weleer voor elk mijner geliefkoosde schrijvers bezielde, en tot zelfs hunne gebreken in bescherming deed nemen! Er ligt iets dichterlijks, iets der bloeijende jeugd voegende, in die dweepende vereering van hetgeen wij liefhebben, iets ridderlijks in dat bedekken der zwakheden, in dat strijden voor de eer van hetgeen wij voorstaan. Doch wat meer is, een hoog en innig genot is er mede verbonden, een streven naar waarheid en schoonheid wordt er door opgewekt, een mannelijke en krachtige wil wordt er door ingeboezemd.

Gij grimlacht en schudt het hoofd, wie het nooit gevoeld of door bittere ervaring verleerd hebt het te waardeeren; een meêlijdend schouderophalen is uw antwoord op mijne wonderspreuken; maar gij vergeet, dat de dood in de vruchten van den boom der kennis schuilt. - De dood van elke begoocheling, van elk zelfbedrog, zegt ge. - Het is waar! maar ook de dood van zoo menig onschuldig genot, van zoo menig vleijende hoop, van zoo menig heerlijke verwachting, de dood van ons geluk, de dood van ons hart.

En toch ligt het in den aard van onze bestemming, in den gang onzer ontwikkeling, ons gevoel - de eerste onzer gewaarwordingen - door ons oordeel te zuiveren, te leiden, te regelen. En toch, ik ben er van overtuigd, zou dat gevoel niet altijd even jeugdig en krachtig kunnen blijven, zonder ons verstand te bedwelmen. En toch zoude ik niet met die kalme zelfbewustheid over Bilderdijk durven spreken, indien ik hem nog aanhing met dat vuur mijner jeugd, met die hartstogtelijke hevigheid mijner eerste gewaarwordingen; toen ik een' God in hem meende te zien, die mij eene nieuwe en onbekende wereld van gevoel, denkbeelden en vormen ontsloot. De tijd der dweeperij is voor mij voor-

[p. 88]

bijgegaan, en schoon ik mij des beklaag, en in een juister oordeel geene genoegzame vergoeding gevonden heb voor alles, wat ik met de begoochelingen mijner jeugd verloor, misschien zal ik geschikter zijn dan toen, om te spreken over hem, die als Mensch, als Dichter, als Geleerde, onze hoogste belangstelling met regt vordert.

Want ook voor Bilderdijk is, in een' ruimeren zin des woords, de tijd der dweeperij voorbijgegaan. De tijd om hem te leeren kennen, zoo als hij was, is gekomen: en hoe vruchtbaar de studie - mag ik het zoo eens noemen? - van een groot man voor hart en hoofd is, zal geen betoog behoeven.

Zonder vooringenomenheid of partijdigheid dus, zonder hartstogt of vreeze, maar met billijke gestrengheid jegens zijne onvoorzigtige vrienden en kleingeestige vijanden, willen wij een' blik op het dichterlijk en menschelijk leven van Bilderdijk werpen.

En konden wij hiertoe ooit beter bouwstoffen vinden, dan in zijne brieven, een Werk, welks uitgave tot onze vurigste wenschen behoorde, en voor welks bezorging en uitvoering wij voorloopig den kundigen en bescheiden' Messchert onzen dank betuigen.

Wij kunnen intusschen, zoo lang niet het geheel of ten minste een groot gedeelte der brieven het licht ziet, met weinig zekerheid op de afgeperkte baan vorderen, en zullen ons daarom bij dit eerste deel tot een paar algemeene inleidende aanmerkingen en tot inhouds-opgave moeten bepalen.

Mogt het ons, na het doel bereikt te hebben, met eenig regt voegen, aan Bilderdijks degelijke vereerders, en aan zijne eerlijke tegenstrevers tevens, ons plaudite toe te roepen. -

De kunst kan iemants schyn vergrooten of verkleinen:
Hier staat het leven met de schildery gelyk.
Vondel.

Wat men ook denken moge van de geschied- en menschkundige waarde der veelvuldige gedenkschriften en brieven-verzamelingen, waarmede de geest der eeuw - is de kracht van het woord niet te zeer vervlogen? - ons overstelpt, het is buiten kijf, dat zij cum grano salis gelezen en beoordeeld moeten worden. Maar al te dikwijls heeft vernuftig bedrog of behaagzieke eigenwaan de foelie achter den spiegel gelegd, waarin wij het beeld der waarheid zochten. Maar al te dikwijls zijn zij niet anders dan een meer of min geestig momaangezigt, waar achter het moeijelijk valt de echte trekken op te sporen.

Iets dergelijks behoeven wij van Bilderdijks brieven niet te vreezen. Ze zijn onder zoo verschillende omstandigheden geschreven, aan zoo vele personen gerigt, zoo uiteenloopende onderwerpen bevattende, en begrijpen eindelijk een zoo ruim tijdvak, dat elk denk-

[p. 89]

beeld aan vóór-overlegde vertooningszucht van zelve wegvalt. Mogen ook die aan Jonkvrouwe De Lannoy - zelfs Bilderdijk vertrouwde zijn genie niet, wanneer hij met eene geestige vrouw brieven wisselde - en nog eenige weinige en keurige kladschriften onder zijne papieren gevonden zijn, de meeste waren voor ons verloren geweest, zoo zij, aan wie ze gerigt waren, (of hunne betrekkingen) dezelve niet met heusche vriendelijkheid aan den verzamelaar hadden afgestaan. Bilderdijk schijnt over het geheel geene afschriften zijner brieven te hebben gehouden; eene zorgeloosheid, waartegen ik onze jeugdige geleerden en vooral onze jeugdige dichters in hun eigen belang en in dat der nakomelingschap niet genoeg kan waarschuwen.

Verwachten wij echter in deze brieven geene levensbeschrijving van Bilderdijk! laat ons zelfs niet hopen, de personen, de zaken, de gebeurtenissen in derzelver ware kleur te zien! Het is veeleer eene geschiedenis zijner denkbeelden, zijner gewaarwordingen, zijner gevoelens, zijner poëzij. Bilderdijk was de man niet, geschikt om zijn eigen leven te verhalen, en hij heeft een' diepen blik in zijne ziel gedaan, toen hij daaromtrent aan Outhuys schreef: ‘ik heb geene kracht van geest om dit te doen, op eene wijze, die mij niet zou medeslepen in gevoelens, waarin ik niet vallen, of die ik niet weder opwekken moet of mag.’

Doch gij beschuldigt mij welligt, naauwlettende Lezer! nu reeds de door mij zelven geplaatste landpalen te overschrijden; gij zoudt gelijk kunnen hebben, indien niet mijne zucht om u eene teleurstelling te besparen - zoo het zulks heeten mag - mij het bovenstaande in de pen had gegeven.

De bundel wordt met twee brieven geopend, op drieëntwintigjarigen ouderdom, door B. aan Mr. Daniël van Alphen, Griffier der stad Leyden, geschreven: zij handelen voornamelijk over den Edipus (niet lang te voren uitgegeven), en bevatten hoogstbelangrijke denkbeelden over het Grieksche treurspel en bepaaldelijk dat van Sofokles. Zij getuigen tevens van het hooge standpunt, waarop B. toen reeds als letterkundige en Dichter zich geplaatst zag, van zijne ijverige en degelijke werkzaamheid, maar niet minder van zijne prikkelbare en tot zwaarmoedigheid overhellende gemoedsstemming. - Als een naïf - geef mij een goed Hollandsch woord voor den ‘overwonnen basterd?’ - als een naïf bewijs, dat de schoolschheid van zijnen tijd tot zelfs op Bilderdijk niet geheel zonder invloed bleef, is zijne vrees om Sofokles op sommige plaatsen van verachting of verzuim der Aristotelische kunstwetten beschuldigd te zien, en zijne inspanning om den goeden naam des Griekschen Dichters te redden en van die vreesselijke blaam te zuiveren, opmerkelijk.

Doch waar zouden wij eindigen - zeggen onze redenaars wanneer de verhandeling inderdaad ten einde is en de toehoorders

[p. 90]

ontwaken - waar zouden wij eindigen! - Met eenig meerder regt misschien mag ik het u vragen, geduldige Lezer! die zeker geen geduld genoeg zoudt hebben, den geheelen bundel op deze wijze met mij te ontleden. Ook wil ik u het genoegen niet ontrooven, de vernuftige vriendschappelijke brieven aan Feith, de geestig-bevallige, vleijende aan de Baronnesse De Lannoy, de taalkundige aan Rulofs en aan een' ongenoemden Vriend, de persoonlijke - mag ik het zoo eens noemen? - aan Van Santen, aan Izaak Bilderdijk enz., maar bovenal de hoogst gewigtige brieven aan Uylenbroek, Outhuys en Loosjes, zelve zonder voorproef te lezen. Ge zult er Bilderdijks hoofd en hart uit leeren kennen, en het zou mij bevreemden, zoo gij er voor het uwe geene opwekking of bevrediging in vondt.

En wanneer ge dan alles - mogt het nog zeer veel zijn! - wat wij langs dezen weg van B. kunnen weten, met mij gelezen hebt, zullen wij ons uit de verschillende brokstukken het beeld pogen te vertegenwoordigen van den man, die een der belangrijkste verschijnselen aan onzen letterkundigen hemel, ja, misschien aan dien der geheele Westersche Letterkunde is geweest.

Billyk moet men pryzen
Die hier wyst, en zich laat wyzen.
Vondel.

H.

prepostterug  begin  verder