terug  begin  verderprepost
[p. 113]

Boekbeoordeelingen.

Twee Leerredenen ter nagedachtenis van Jhr. Mr. W. van Swinderen, laatst Grietman van Wonseradeel, door P. Hofstede de Groot en G.C. Duval Slothouwer.

Te Groningen, bij J. Oomkens, 1836.

Wie las niet met hartelijke deelneming het uitvoerig en belangrijk berigt van de uiterlijke levensomstandigheden en de letterkundige werkzaamheid van den waardigen overledene, aan wiens nagedachtenis deze twee leerredenen zijn gewijd, door den Hoogleeraar C. Star Numan medegedeeld in den Kunst- en Letterbode van den 18den November 1836, bl. 323 en volg.! Wij althans verklaren gaarne, dat het bij ons hoog gestemd gevoel van ware hoogachting voor dezen brave verwekte; dat wij, hoezeer geheel onbekend met hem en zijne geëerde nageblevene betrekkingen, der weduwe en den kinderen van dien edelen afgestorvene tranen van meewarige deelneming wijdden, en het in hem geleden groot verlies voor de Maatschappij en de Gemeente van Christus ongeveinsd betreurden. Ging het ons alzoo bij dat berigt aangaande dezen voortreffelijken mensch; het laat zich nagaan, dat zijn overlijden allen, die met hem in betrekking hebben gestaan, diep moet hebben geschokt; dat de Gemeenten van den Eerwaarden Duval Slothouwer, wier hoofd van het burgerlijk Bestuur deze echt Christen-Regent was, behoefte hadden, om een hartelijk woord te zijner nagedachtenis en te harer vertroosting van haren waardigen Leeraar te hooren: - en dat de Hoogleeraar Hofstede de Groot, onder wiens bijzondere Akademie-vrienden de voortreffelijke Van Swinderen eene eerste plaats bekleedde, zijn hart ontlasten moest in eenen aandoenlijken brief aan 's mans nagelatene Weduwe, en, bij zijne eerste Akademische predikbeurt te Groningen, na het afsterven van zijnen vriend, eene stof koos, welke hem en al de treurende vrienden van den overledene, zonder 's mans naam te noemen, telkens ook dat zwaar verlies voor Vaderland en Kerk gedenken, en in het vertroostend licht des Evangelies voorstellen deed. - Ter dankbare vereering van de nage-

[p. 114]

dachtenis van dezen waardigen afgestorvene, werden beide deze leerredenen met bovengenoemden brief, als eene opdragt derzelve aan de diep bedroefde Weduwe, ter drukpers gegeven.

Uit den brief zien wij, welk een edel jongeling, man en vader, welk een werkzaam lid der Maatschappij, voortreffelijk Bestuurder en Christen Van Swinderen was; en hoe Hofstede de Groot bedroefden troosten en aan edele vrienden van zijn hart hulde bewijzen kan. 's Mans leerrede handelt over den dikwijls vroegen dood van de uitnemendste menschen, naar Hand. XII:2, daartoe den dood van Jacobus, den broeder van Joannes, tot eene proeve kiezende. Een ernstig en belangrijk woord, vooral voor de kweekelingen der Hoogeschool, maakt de inleiding of voorafspraak uit. - In het eerste deel der leerrede beschouwt de Hoogleeraar den dikwijls vroegen dood der uitnemendste menschen op zich zelven; in het tweede: dien dood in betrekking tot het Godsbestuur. In het eerste deel wordt de Gemeente bepaald bij den voortreffelijken aanleg van dezen Apostel des Heeren, en hetgeen de Gemeente van Christus zich van hem, bij langer leven, regtmatig had mogen beloven; terwijl aan het slot herinnerd wordt, wat al voorbeelden door alle tijden henen hetzelfde staven, dat dikwijls de uitnemendste menschen, van wie men zoo veel mogt verwachten, door vroegtijdigen dood worden weggerukt. Zoo men dien dood op zich zelven beschouwt, is alles verward en raadselachtig. Daarom wijst de Hoogleeraar in het tweede deel daarbij op God, en doet dien dood beschouwen in betrekking tot het Godsbestuur. Niet om de reden op te sporen, waarom God eenen Jacobus en zoo vele andere voortreffelijke menschen zoo vroeg van hunnen post op aarde roept; maar om te overdenken, wat wij, nu God het zoo dikwijls doet, daaruit kunnen leeren. Wij moeten dan van de eene zijde daarbij onze geheele afhankelijkheid van God gevoelen. Zoo geheel ondoorgrondelijk in dezen zijn bestuur is, het kan toch niet anders dan wijs en liefderijk zijn. Wij moeten dat gelooven, onderworpen zijn en gehoorzamen. Van de andere zijde, zien wij in dat vroege sterven van de uitnemendste menschen, hoe naauw dit tegenwoordige leven met het volgende zamenhangt. Het verpligt ons te denken aan een volgend leven; - dat dat leven eene voortzetting moet zijn van het tegenwoordige; - en dat wij alzoo dezelfde personen blijven, en onze liefde tot hen, die wij eens hebben lief gehad op aarde, behouden. De rijkdom van leering en opwekking dáárin gelegen, wordt met een enkel woord ten slotte nogmaals overzien.

Wij vertrouwen, dat elk deze leerrede van den Hoogleeraar met dezelfde stichting en hetzelfde genoegen lezen zal, als wij zulks deden; en wij zijn versterkt in de overtuiging, welke reeds vroeger, bij

[p. 115]

Hofstede de Groot's hulde aan wijlen den jongen Hoogleeraar Clarisse, de onze was, dat des Hoogleeraars hulde aan waardige voortreffelijke afgestorvenen ten modèl strekken kan voor allen, die tot gelijke, niet gemakkelijke taak, geroepen worden.

Ook de leerrede van den Leeraar van Burgward en Hichtum, ter zelfde gelegenheid uitgesproken, zal, dunkt ons, als eene waardige nagedachtenis van den overledene aan al zijne betrekkingen aangenaam moeten geweest zijn en blijven. Wij ook lazen die leerrede met genoegen. Vielen ons ook hier of daar kleine aanmerkingen op dezelve in, wij meenen ons te moeten onthouden, om dezelve mede te deelen; gedachtig zijnde, dat het doel der uitgave is, een vereerend blijvend aandenken der waardige betrekkingen van den edelen Van Swinderen ter hand te stellen; geenszins eene met bijzondere zorg gestelde leerrede als zoodanige ter proeve zijner predikwijze uit te geven. Wij willen echter in geenen deele met die aanmerking doen denken, dat 's mans Werk niet naast dat van den Hoogleeraar zou mogen staan. In tegendeel, wij troffen ook in zijne leerrede veel schoons en doelmatigs aan. Het vóór- en nágebed gaat dezelve vooraf en maakt het slot uit; zoowel als, hetgeen wij ook in de leerrede van De Groot aantroffen, wat vóór-, tusschenbeide en nágezongen werd. De leerrede is over Gen. III:19b. Ter inleiding ontvangen wij hier ook eene doelmatige hulde aan den afgestorvenen Brave. De Eerwaardige Duval Slothouwer spreekt dan, naar aanleiding van den tekst, over onze sterfelijkheid. In de eerste plaats wijst hij de gegrondheid van hetgeen in den tekst gezegd wordt aan; vervolgens hoe wij onze sterfelijkheid moeten gadeslaan in betrekking tot onze zedelijkheid en tot ons geluk; ten laatste spoort hij een iegelijk, naar zijne eigene gesteldheid, aan, om uit deze voorstelling het meeste nut te trekken.

Wij bidden der treurende weduwe en haren kinderen den rijksten troost des Evangelie's toe, haar ook door deze toespraak van den vriend haars overledenen echtgenoots, en den waardigen Evangelie-dienaar der Gemeente aangewezen en herinnerd; en wij wenschen, dat het edel voorbeeld van haren in Christus ontslapenen dierbare vele navolgers in zijnen stand en werkkring vinde!

prepostterug  begin  verder