terug  begin  verderprepost

Specimen Novae Albi Tibulli Editionis, primam exhibens hujus poëtae libri primi elegiam cum adnotatione.

Accedunt observationes quaedam in Sexti Aurelii Propertii carmina, auctore J.F. Büser, Judicii Pacificatorii in pago Hasseletensi Graphiario. Zwollae Ex typographeo J.J. Tijl, 1836, pagg. IV et 42.

Van al de Elegiën, welke Tibullus ons heeft nagelaten, is er zeker geene, wier verklaring den uitleggers meer moeite gekost heeft, dan juist de eerste. Dikwijls toch is het niet gemakkelijk, om na te gaan, hoe het eene vers met het andere zamenhangt, zoodat Scaliger, Broekhuizen en Heyne dit dichtstuk voor fragmenten hielden van onderscheidene andere Elegiën; ja, de eerstgenoemde ging zelfs zóó ver, dat hij verzen, die hem voorkwamen minder goed gerangschikt te zijn, op eene andere plaats inlaschte, hetgeen door Heyne, zoo als het ons voorkomt, met regt is afgekeurd. Bovendien vindt men in deze Elegie een enkel woord in eene beteekenis gebruikt, waarvoor men elders vruchteloos een voorbeeld zoeken zoude, en een paar verzen, waarvan het niet gemakkelijk is, den waren zin aan te duiden.

Met belangstelling dus namen wij deze proeve van den Heer Büser in handen, in de hoop, dat het hem mogt gelukt zijn, die zwarigheden uit den weg te ruimen, welke zich altijd bij het lezen dezer Elegie aan ons hadden opgedaan en die de onderscheidene Uitgevers van Tibullus niet op eene wijs hadden opgelost, welke ons geheel en al bevredigde. Ook nu zijn wij weder eenigermate in onze verwachting te leur gesteld. Wel heeft Büser, het voet-

[p. 133]

spoor van latere uitleggers volgende, vrij vernuftig het verband aangewezen, hetwelk er tusschen de schijnbaar niet zamenhangende verzen bestaat; maar echter is hij, naar ons gevoelen, niet in staat geweest, om van de moegelijke plaatsen, welke in deze Elegie voorkomen, eene verklaring te geven, die men in alle opzigten voldoende mag noemen. Het gaat hiermede, even als met ligchaams-kwalen, die voor geene genezing vatbaar zijn: de eene Arts moge er al eens gelukkiger in slagen, dan de andere, om eenige verzachting toe te brengen: het kwaad zelf kan hij niet uitroeijen, en de lijder blijft onherstelbaar verloren. Doch laat ons kortelijk opgeven, op welke wijs de Heer B. zich van zijne taak gekweten heeft.

Eerst geeft hij den hoofdinhoud op der Elegie in het algemeen, en daarna meer uitvoerig het argument der onderscheidene afdeelingen, waarin hij dit dichtstuk gesplitst heeft. Deze wijs van behandelen is zeer geschikt, om den lezer den waren zin en den zamenhang van het eene met het andere aan te wijzen. Het verwondert ons, dat Büser niets gezegd heeft- van den tijd, waarop Tibullus waarschijnlijk deze Elegie gedicht heeft: namelijk toen hij van Corcyra naar Rome terugkeerde, terwijl Messala den oorlog in Egypte voortzettede; doch dit kon hij als genoegzaam bekend vooronderstellen. De aanteekeningen, die in goed Latijn geschreven zijn, bevatten veel tot opheldering, zoowel door aangehaalde plaatsen van andere Dichters, als uitvoerige woordverklaringen. Dat niet al hetgeen hier voorkomt nieuw is, begrijpt men gemakkelijk; veel heeft B. van andere uitleggers overgenomen: maar toch vindt men hier ook het een en ander, hetgeen uit eigene adversaria is medegedeeld. Wij willen deze aankondiging met eenige weinige aanmerkingen besluiten.

V. 2. Geeft B. de voorkeur aan multa boven magna, zonder reden op te geven waarom: hetgeen men echter zoude mogen verwachten.

V. 3. Zegt B. Labor (πονος, εργον), quamvis per se non recte quem terrere dici queat: si tamen adsiduus sit, plenusque molestiarum, inprimisque, si, ut hoc loco notionem sibi adjunctam habeat periculorum, non erit, cur nobis displiceat. Ook deze verklaring geven andere uitleggers, en daar de Mss. geen verschil van lezing opleveren, moeten wij in dezelve berusten, ofschoon wij haar met Heyne voor gedwongen houden. Hetzelfde mag gezegd worden van de uitdrukking classica pulsa, schoon deze spreekwijs misschien zou kunnen verdedigd worden door het gebruik der Grieksche woorden κρουω, κρουμα en κρουσις, die zoowel van blaas-instrumenten, als van dezulke, welke met snaren voorzien zijn, gebezigd worden. Vgl. Plutarch. Sympos. II. 4. De plaats, welke Huschke hiertoe aanhaalt uit Claudianus:

[p. 134]
 
Qui nutu manibusque loquax; cui tibia flatu
 
Cui plectro pulsanda chelys:

bewijst dit niet genoegzaam, daar zij per zeugma kan verklaard worden.

V. 25. Büser volgt hier de verklaring van Huschke, schoon hij niet even als deze de woorden omzet, maar met Cyllenius modo non als parenthetisch gesteld opvat, hij interpuncteert dus op de volgende wijs:

 
Jam, modo non, possum contentus vivere parvo.

De zin is dan: Ego, qui modo non contentus er am parvo, jam possum parvo vivere contentus. Ons komt deze constructie zeer gedwongen voor, schoon wij gaarne bekennen, geene betere uitlegging in de plaats te kunnen geven.

V. 45. Büser gist, dat men hier quem in plaats van quam moet lezen: hierin verschillen wij van gevoelen. Vooreerst omdat quam veel meer kracht en levendigheid aan de uitdrukking bijzet, dan quem, en ten anderen, omdat, zoo als bekend is, de zin meestal met het distichon een einde neemt, of niet dan door de particulae at, sed, et, neque en dergelijke in het volgende vers voortloopt. Van dezen regel wijkt Tibullus bijna nimmer af, en behalve v. 3 van deze Elegie vind ik hiervan alleen een voorbeeld, II. 5. 37 en III. 4. 53.

Eenige aanmerkingen op onderscheidene plaatsen van Propertius, meestal van critischen aard, besluiten dit Werkje. Sommige gissingen vonden wij zeer gelukkig, zoo als II. 2. 55, waar Büser gist: Jupiter ignorat pristina furta sua: II. 19. 73, celare voor semel ire en II. 23. v. 108-111, waar B. leest:

 
Hic mos, Saturno regna tenente fuit,
 
Sed quum Deucalionis aquae fluxere per orbem,
 
Et post antiqui Deucalionis aquas
 
Dic mihi. etc.

welke verbetering, zoo als B. zelf getuigt, hij gezien heeft, dat reeds door Valckenaar Fragm. Callim. p. 101 was voorgeslagen. Voorts III. 5. 67-70, schoon wat gewaagd:

 
Pauper, at interitum nil ubi ferre solet,

terwijl voor patrio waarschijnlijk patrios moet gelezen worden, hetgeen Burman gist, ad Claudian. p. 687. Andere hebben wij minder gelukkig gevonden, b.v. I. 7. v. 6.

 
Atque aliquid duram quaerimus in dominam

waar B. leest durans. Ons dunkt, dat de gewone lezing een' vrij goeden zin oplevert, vergeleken met het 7de vers en I. 9, 7. Zoo

[p. 135]

zoude ook de lezing I. 9. 33, ni pudor est kunnen verdedigd worden. Men vgl. Broekhuizen o.d. p. IV. 6. 72 gist, B. voor blanditae, languidulae. Blanditus komt echter in den zin, die hier past, voor bij Plinius H.N. X. 23. De gissing op III. 18. 4, waar gewoonlijk gelezen wordt, Tantine in lucris Africa tota fuit? en waarvoor B. in de plaats stelt, Tangi (vel frangi) nec lacrymis aspera cor dasinit, is, schoon vernuftig, wat al te stout; en de Heer B. zal ons gaarne toestemmen, dat op die wijs wel een goede zin wordt opgeleverd, maar dat hier de tekst van Propertius niet bij winnen zal.

Deze weinige aanmerkingen mogen den Schrijver ten bewijze strekken, dat wij zijn Werkje met oplettendheid en bedaard hebben doorgelezen. Wij wenschen, dat hij, bij de werkzaamheden aan zijnen post verbonden, tijd moge vinden, om zijne studiën voort te zetten, en dat de Geleerden in ons Vaderland, door het toezenden van meer zeldzame uitgaven van Tibullus, of van varianten en aanteekeningen, welk verlangen B. in zijne voorrede te kennen geeft, hem in staat mogen stellen, dat hij zijn plan, om eene nieuwe uitgaaf van Tibullus te bezorgen, ten uitvoer brenge.

 

M - S.

prepostterug  begin  verder