Zóó zong Johan Heinrich voss in zijne Luise, ongeveer eene halve eeuw geleden, - de verdraagzaamheid heeft sinds dien tijd, ja, vorderingen gemaakt; maar indien wij een beeld voor dezelve moesten kiezen, zouden wij eer van slakkengang dan van reuzenschreden spreken. De groote Duitsche Dichter deed daarom wèl, den hemel tot tooneel der algemeene verbroedering te nemen; er wordt misschien de reinheid van geesten vereischt, om door geenerlei belang te worden medegesleept, door geenerhand vooroordeel te worden verblind.
Als echte Hollanders, behooren wij tot de voorstanders derzelve, verheffen er ons op, dat hare wieg in vroeger eeuwen ten onzent stond, hebben Huig de Groot te liever, omdat hij alle partijen zijner dagen mishaagde; maar ergerden ons echter niet aan den eenigzins onverdraagzamen titel dezer uitspannings-lectuur. De stellingen der Moederkerk, zoo als wij haar met Bilderdijk gaarne noemen, ten opzigte van boeken niet door leden uit haar midden geschreven, ten opzigte van Christenen met haar in gevoelen verschillende, zijn bekend - zij maakt van dezelve geen geheim. Wij eerbiedigen dien uitsluitenden geest als het gevolg van een beginsel, over hetwelk wij niet geroepen zijn te oordeelen - wie verdraagt erkent, - er is niets onverdraagzamer dan
het dulden met eene houding van meerderheid, in onzen tijd zoo algemeen.
Doch wij hielden u te lang met onze wijze van zien bezig; thans over het boek zelf, dat wij met belangstelling openden, daar het voor een aanzienlijk gedeelte onzer landgenooten geschreven is, daar het eenen grooten invloed kan en moet uitoefenen. De eerste bladzijde was eene teleurstelling; want wij vonden een verhaal naar het Fransch. Het is echter eene wélgeschrevene (minder goed vertaalde) schets van Torquato Tasso's Laatste Levensdagen, die zijne betrekking tot de Kerk in een voor ons ten minste nieuw licht stelt, en wij waren geneigd de aanmerking, die ons op de lippen zweefde, terug te nemen, toen wij ook de tweede en derde bijdrage als vruchten van vreemden bodem leerden kennen, toen wij ook de oorspronkelijkheid der vierde niet boven allen twijfel verheven vonden. Wij zouden niet met deze gisping zijn begonnen, indien ook de vijf andere nummers niet hetzelfde gebrek hadden. De onderhoudendheid dier stukjes is geene genoegzame verontschuldiging; wij gelooven ons overtuigd te mogen houden, dat de gemeente, welke zich op eenen Schrant mag verhoovaardigen, bekwame mannen genoeg bezit, om maandelijks vijftig bladzijden oorspronkelijke, algemeen nuttige lectuur, uit te geven. Want het betrekkelijk klein getal Prozaschrijvers en Dichters, welke de R.C. Kerk sedert een paar eeuwen onzer Letterkunde opleverde, stoutweg aan armoede van geest toe te schrijven, gelijk wij het eens liefdeloos hoorden doen, strijdt met ons gevoelen, dat er andere oorzaken bestonden dan deze, waardoor de leden van het Hervormde Kerkgenootschap zich, in de dagen van het Gemeenebest, onbetwistbaar in Wetenschappen, Letteren en Kunsten tot eene aanzienlijker hoogte dan hunne overige landgenooten verhieven. - Wij hadden deze aanmerking terug gehouden, indien de Redactie de fraaiste bloemen van de velden der Duitsche of Engelsche Letterkunde had overgeplant; wanneer zij Chateaubriand of Manzoni aan zich had cijnsbaar gemaakt. - Zij doe haar voordeel met dezen wenk!
Doch er zijn ook oorspronkelijke stukken in dezen bundel; wij willen gaarne over dezelve ons gevoelen mededeelen. In het Vierde Nommer begint een Reisverhaal van den Wel-Eerw. Heer B.G. Krijnen, Missionaris in Noord-Amerika, goedgunstig door deszelfs Broeder ter plaatsing medegedeeld. Waarlijk, een goed gedeelte van hetzelve heeft alleen voor de familie van den Zendeling iets belangrijks; - het zegt weinig voor het publiek, of de wind den 26sten of den 27sten September 1835 den reizigers vóór of tegen was, wie zeeziek waren en wie niet; de Redactie had met oordeel het kaf van het koren moeten scheiden. De ijver
van den Missionaris, zijne meer hartelijke dan keurige poëzij, nemen echter onwillekeurig voor hem in; - bij zijn Vaarwel aan mijne betrekkingen herinnerden wij ons de schoone plaats uit Fénélons Schriften, waar deze zich verontschuldigt, niet zelf het Kruis van Christus onder vreemde volken te zijn gaan prediken, en wij vergaven den man om zijnen arbeid het gebrekkige zijner woorden. Schoon niet onberispelijk van stijl, is het korte uittreksel uit het dagboek van den Heer Otto de Boer, Overtogt van den Simplon getiteld, veel meer voor algemeene lectuur geschikt; wanneer er eene fijner schaaf over gegaan ware, hadden wij het gaarne als eene proeve van levendige natuurbeschrijving medegedeeld. Deze jeugdige kunstenaar, vier van wiens teekeningen tot modellen der houtsneden dienden, welke de Uitspannings-Lectuur versieren, schijnt veel aanleg te bezitten; maar het gaat met zijne schetsen als met zijnen stijl, beide zijn te ruw, te weinig voltooid, en verraden eenen smaak, die nog verre is van op zuiverheid te mogen roemen - men zie het titelvignet! Veelligt echter leert hij in Ausonië der Bevalligheden offeren, zijn Waterval bij Tivoli geeft er ons hoop op; Gas Baronne, Het Klooster van de H. Catharina, en de geprezen Waterval, zijn nieuwe bewijzen van het talent des verdienstelijken Cranendoncqs. De druk had beter kunnen zijn.
Wij hebben misschien onze eischen op de Redactie te hoog gestemd voor het publiek, dat zij zich voorstelt; wij kennen haar gaarne den lof toe, niets dat naar godsdiensthaat of partijzucht zweemt, in deze bladen te hebben aangetroffen, en zoo zij ons al noch door de oorspronkelijke, noch door de vertaalde stukken opwekt, haren arbeid te bewonderen, zij boezemt ons achting voor haar karakter in. Elk stuk heeft eene zedelijke strekking, zelfs waar wij van haar in de keuze der middelen zouden verschillen, (als b.v. de lof der Kloosters op bl. 269, en enkele plaatsen in de trekken uit de Geschiedenis der Heiligen,) is het doel onberispelijk.
In het belang van haar en hare lezers, raden wij haar echter aan, er naar te streven meer oorspronkelijk te zijn - onze oudste Schrijvers, onze Vaderlandsche Geschiedenis, bekwame tijdgenooten, bieden er ruime gelegenheid toe aan. Mogt het haar, trots deze, bij wijle nog aan stof ontbreken, zij kieze de voortreffelijkste stukken van vreemden, en zij keuriger op stijl en taal, dan zij het in dit Deel was.
Het zoude ons verheugen indien onze raad ingang vond, - in geen geval miskenne men onze bedoeling, - want wij zijn diep doordrongen van de waarheid der woorden van de Amsterdamsche Kamer: