terug  begin  verderprepost

De Roode Zeeroover, door J.F. Cooper, schrijver van den Loods, de Spion, den Bravo, enz.

Naar het Engelsch. III Deelen. Te Amsterdam, bij J.F. Schleijer, 1836.

Deze Roman van den beroemden Schrijver, dien men wel eens den Amerikaanschen Walter Scott genoemd heeft, is in onderscheidene talen overgebragt, en reeds zoo verschillend beoordeeld,

[p. 200]

dat wij bijna zouden aarzelen er ons gevoelen over mede te deelen, indien zij, die geroepen worden om een Werk te recenseren, ooit mogten nalaten rondborstig to zijn, waar het hun pligt geldt, anderen tot gidsen te verstrekken. Wij hebben Cooper's Rooden Zeeroover gelezen en herlezen, en het is er even verre af, dat wij er zoo hoog mede wegloopen als sommigen, als dat wij er zoo laag op vallen als anderen. Het plan van dezen Roman, (gedeeltelijk op eene geschiedkundige overlevering gegrond) is zóódanig ontworpen en ingekleed, dat het den Schrijver allezins vereert; doch de bewerking vereenigt, onzes inziens, aan schoonheden van den eersten rang grove gebreken - die te meer verwondering mogen baren, naar mate zij ligter hadden kunnen worden vermeden. De karakterschildering is over het algemeen uitmuntend volgehouden; niet slechts toch de Roode Zeeroover, Wilder, kapitein Bignall, Geertruida en Mevrouw Willys blijven tot aan het einde, in de hoofdtrekken, dezelfde personen, als die, welke zij zich vertoonden toen wij hen voor het eerst aanschouwden: maar ook Richard Fid en Guinea verloochenen nimmer hun karakter, en zelfs Homespun, dien wij zoo zonderbaar op het eind der geschiedenis weder zien te voorschijn treden, herkennen wij, na een meerdan twintigjarig afzijn, terstond, aan zijne wijze van redeneren zelfs zonder dat zijn naam genoemd wordt. Dit alles kenmerkt voorzeker den Romanschrijver, die ook in deze bladen nieuwe proeven levert van zijn talent, stille, oogenschijnlijk ééntoonige zee-tooneelen zoo juist en indrukmakend te beschrijven, dat hij evenzeer de aandacht boeit, wanneer hij twee schepen, elkander op effene zee vervolgende, of eenige matrozen, die hun scheepswerk verrigten, uitvoerig beschrijft, als dán, wanneer hij ons te midden van een gevecht voert, in hetwelk dapperheid en vermetelheid de schaal der zege beurtelings doen overhellen. Doch bij dit alles hinderde ons de vervelende gerektheid, die op sommige plaatsen het Werk ontsiert, en welke wij in geen' zijner Romans in grooter mate aantroffen dan in den Zeeroover. Bij dit gebrek ergerde ons een ander, dat men voegzaam als een' tegenvoeter van het eerste zoude kunnen beschouwen: het niet voltooijen van de levensbijzonderheden van den Rooden Zeeroover en eenige tot hem in verband staande personen. Het laatste hoofdstuk toch bevat de gebeurtenissen van een twintigtal jaren, of maakt ons, beter gezegd, met den toestand der hoofdpersonen bekend, nadat wij in twintig jaren niets van hen hoorden. De Roode Zeeroover treedt daar als de broeder van Mevrouw Willys op, deze herkent hem nu in één' oogenblik, en heeft dit niet gedaan gedurende de vele dagen, die zij op zijn schip doorbragt: dit is onwaarschijnlijk; - maar bovendien, wat er van den Zeeroover geworden is, sedert hij de Dol-

[p. 201]

fijn in brand stak, na zijne schatten aan zijne onderhoorigen te hebben afgestaan, wordt niet opgegeven; evenmin wie eigenlijk de dame is, die de draagkoets, op welke hij stervende ligt uitgestrekt, vergezelt; noch wat er van Roderik geworden is, of hoe hem deze eigenlijk bestond. Wij vernemen alleen, dat hij, voor de vrijheid van Amerika strijdende, eene doodelijke wond ontving. Het is dus, of Cooper zich met het laatste hoofdstuk gehaast heeft, om het einde te vinden; - dáár is hij te kort en te oppervlakkig, in vroegere veel te lang en te gerekt.

Hoe gaarne zouden wij gezien hebben, dat de vertolking van dezen Engelschen Roman aan iemand ware toevertrouwd geworden, hun gelijk in talent, die de meesterstukken van Walter Scott en Bulwer in onze schoone moedertaal overbragten; - te dezen opzigte is de Heer Schleijer in zijne keuze niet gelukkig geweest; - dikwijls toch stieten wij op bijna onverstaanbare zinsneden, op stroeve en gewrongene constructiën, en op de gedurige herhaling van hetzelfde woord, terwijl men het zoo ligtelijk door een ander had kunnen doen vervangen. Wij zijn genoodzaakt daartegen ernstig te waarschouwen, gelijk ook tegen drukfeilen, die men hier te vaak ontmoet: de schriften van Cooper zijn te oorspronkelijk, om niet met naauwgezetheid te worden overgebragt door een' kundig vertaler, die zich eerst den geest des schrijvers zocht eigen te maken, die gevoel voor stijl heeft! Een fraai vignet versiert dit duidelijk gedrukt Werk.

prepostterug  begin  verder