terug  begin  verderprepost

Nederlandsche Volks-Almanak voor 1837, (zevende jaar).

Te Amsterdam, bij Hendrik Freijlink, 1836. Behalve den Calender, 193 bl.

Onder de veelvuldige Almanakken, wier getal van jaar tot jaar grooter wordt, bekleedt de hier aangekondigde eene eerlijke plaats, en heeft, gedurende nu reeds zes jaren, eenen goeden naam verworven. Wij gevoelden wel lust om te vragen, waarom hij, bij uitnemendheid, Nederlandsche Volks-Almanak wordt genoemd? En wat men hier door het woord volk moet verstaan? Doch het boeksken is nu reeds zoo lang in het bezit van dien naam, dat wij het over ons niet kunnen krijgen het daarin te storen.

Behalve de ongenoemde J.J.A.G. en V.D.P.S. en Jufvrouw

[p. 212]

Petr. Moens, leverden de Heeren Mr. C.P.E Robidé van der Aa, N. Beets, S.J. van den Bergh, Mr. J.H. Burlage, P.J.V. Dusseau, Q.J. Goddard, J. van Harderwijk Rsz., G.V. Enst Koning, C. Looijen, B.T. Lublink Weddik, E.J. Potgieter, J. Pietersen, V. Rems, A. May Vollenhoven, J. van Walré, W.H. Warnsinck Bsz. en C.A.P. Weissman de Villez, bijdragen in dichtmaat. Twee naamlooze stukjes, en één van den Heer Lublink Weddik, maken met de hier herdrukte gesprekken over de Sterrekunde, door wijlen A. Fokke Sz., het prozagedeelte van dit jaarboekje uit. De uitgever heeft wèl gedaan zijn boeksken met deze gesprekken te verrijken; want, de levende Heeren vergeven het ons, wij vonden ze het lezenswaardigste. Nu, zij beslaan dan ook bijna een derde van het gansche Werkje (van bl. 99-165). De overige proza-stukjes laten zich echter ook wel lezen.

Van de dichtstukjes verheffen er zich weinige boven het middelmatige. De Heeren N. Beets en Mr. J.H. Burlage hebben, - naar ons oordeel, - niet de beste verzen uit hunne portefeuille als bijdragen gezonden. Wij hadden moeite in het stukje, aan de starren, den begaafden en door ons zoo hoog gestelden dichter van den Jose, van den Cuser, van zoo vele kleinere heerlijke stukjes, te herkennen. Het is wel niet zonder verdiensten, maar te alledaagsch, en dat wachten wij niet van hem. Nu, het draagt dan ook reeds het jaarmerk 1833. - De Gevonnisde voor zijne Regters van Burlage staat, naar ons inzien, verre, zeer verre beneden al hetgeen wij immer van dien verdienstelijken dichter lazen; verre beneden zijne Gekerkerde Moeder, geplaatst in den Nederlandschen Muzen-Almanak van dit jaar. Wij vinden van hem in het hier aangekondigde Werkje nog een extempore, aan eene Moeder, na het ontvangen van kleederen voor eenen zuigeling in de gevangenis. Het wordt tijd, dat hij de gevangenis verlate en weder vrije lucht scheppe.

Wij lazen het stukje van den Heer Van Walre, de Schijnheiligen, met genoegen. - Vrij wel, (in het genre namelijk) voldeed ons de 's Gravenlandsche kermis van den ons tot dus verre, zelfs bij naam, onbekenden J. Pietersen van Rems. Het deed ons denken aan de Purmerender kermis van P. Muller; aan de Beemster van Jan Bartelinck, en aan de Boeren-kermis van L. Rotgans, die al de genoemde overtreft. Ook het stukje van den Heer Weissman de Villez mijne beide buren, schoon wat lang, is niet onverdienstelijk. Maar wij kunnen van al de stukjes niet gewagen, en besluiten onze aankondiging van den inhoud van dit jaarboekje met te verklaren, dat van de dichtstukjes ons het meest beviel dat van Potgieter, getiteld, Levens-beschouwing aan eenen vriend, hetwelk wij hier afschrijven:

[p. 213]
 
Een heilwensch bij de wieg? Wat wilt ge u zelf bedriegen?
 
De tranen van het kind, ziedaar zijn voorgevoel! -
 
Wie louter weelde spelt, heet zijne ervaring liegen,
 
Of doet den langen togt, onwetend van zijn doel.
 
 
 
't Wicht schreit totdat het slaapt, en 't lacht soms onder 't schreijen:
 
De Dichtkunst heeft geen beeld, dat beter 't leven schetst.
 
Eens durfde uw hart als 't mijn zich met een Eden vleijen;
 
Ons beide heeft de slang der kennis vroeg gekwetst.
 
 
 
Zij doet het allen, Vriend! de schittrende idealen
 
Verdwijnen, als de voet de grens bereikt der jeugd,
 
En waarheids zonnelicht moog 't pad des mans bestralen;
 
Ach, weelde en vreugd zijn heen - ons blijft slechts pligt en deugd.
 
 
 
O, laat mijn hart den Heer dan voor uw lievling vragen,
 
Dat hij reeds vroeg, altijd, het leven dus beschouw'; -
 
En zal zijn jonge borst dan schaars van wellust jagen,
 
Nooit stelt hem 't lot te leur - nooit foltert hem berouw.
 
 
 
De beêvaartganger zet door brandende woestijnen,
 
Met staf en waterflesch, den togt blijmoedig voort:
 
Soms moge ons 't leven meer dan zulk een reize schijnen, -
 
Heil, ruste, zaligheid woont slechts in beter oord!

En nu nog een woord over de uitvoering. Maar wat zullen wij er veel van zeggen? - Wanneer wij de jaarboekjes onzer Naburen, van de Duitschers, van de Franschen, van de Engelschen in handen nemen, en dan het oog op de onze slaan, dan blozen wij, en zouden wenschen, geenen anderen Almanak dan den Enkhuizer of dien van den Tamboer te bezitten. Wij staan hierin bij onze naburen verre ten achteren. - Aan goede dichters mangelt het ons niet. Spoedig zou ik u een tiental kunnen noemen, - en waartoe meerdere? - die u juweeltjes voor een jaarboekje zouden kunnen leveren. Aan bevallige Proza-Schrijvers, het getal moge klein zijn, hebben wij geen volslagen gebrek. Ook hier wil ik geene namen noemen, schoon zij mij op de lippen zweven. - Aan schilders? - gij schudt ontkennend het hoofd. - Aan Graveurs? - Laat u eens even brengen Trudesinde van Friesland, in 1835 bij den boekverkooper Poelders uitgegeven; - het Werk behoeft gij niet te lezen, (de hemel en de goede smaak bewaren ons voor meer zulke Werken!) - maar beschouw de twee staal-gravures van H.W. Couwenberg, vooral vóór het 2de deel; of bezie, vóór en ná het lezen van de Roos van Dekama, de vignetten, die dat Werk versieren: - bezie de houtgravure in het eerste No. van dit Tijdschrift, en die in sommige Nos. van het Nederlandsch Magazijn, en gij zult tevreden wezen. - Aan drukkers? - geloof mij, ik zou u van onze vaderlandsche pers stukjes kunnen tonnen, welke met die van andere

[p. 214]

Landen kunnen wedijveren. - Hapert het dan aan uitgevers? - Doch wij willen niet meer vragen. Misschien hapert het aan deze; wij willen echter aan hun eigen oordeel overlaten, om in deze voor ons te antwoorden. - Maar wij voor ons meenen, dat indien een bekwaam, kiesch en onbekrompen uitgever, een man van smaak en oordeel, het met ernst wilde, het niet onmogelijk zou zijn, een jaarboekje te leveren, dat zich niet zou schamen, naast die onzer naburen, in het werkmandje onzer Schoonen te liggen. Maar de prijs? - nu ja, den prijs moest men welligt hooger stellen. Maar wij hebben nog te veel vertrouwen op den goeden smaak onzer landgenooten, dan dat wij zouden durven vooronderstellen, dat dit een bezwaar zou opleveren; zoo slechts de uitgever, vooral in het begin, er niet te veel eene geldspeculatie van wilde maken. Wij zijn van meening, misschien dwalen wij, - doch zijn hiervan op verre na niet overtuigd, - dat het zou lukken; te wagen was het dunkt ons wel.

Wat nu de uitvoering van den door ons aangekondigden Almanak aangaat, moeten wij zeggen, voor den prijs, tamelijk wel, en hierbij berusten. De vier gesteendrukte plaatjes zijn niet onaardig en over het geheel goed geteekend.

 

A. Febr. 1837.

W.

prepostterug  begin  verder