Kinderen wèl te leeren bidden, is zeker geene gemakkelijke zaak. Als zij dat geleerd hebben, dan zullen deze gebeden, niet door hen van buiten te leeren, maar met verstand na te lezen, het hun verder kunnen leeren; doch voor eerstbeginnenden achten wij deze gebeden ongeschikt: zij zijn toch voor de zoodanigen, hoe kort sommige zijn, werkelijk te lang; zij zijn geenszins in den echten kindertoon opgesteld; er komen uitdrukkingen in voor, die volwassenen naauwelijks, kinderen zekerlijk niet kunnen begrijpen; om eene enkele te noemen: in het gebed na den schooltijd lezen wij: ‘wisch alle onze overtredingen uit, om het bloed van Jezus Christus, uwen geliefden zoon.’ Om dit wèl te verstaan, wordt reeds gevorderd Godsdienstig onderwijs vereischt. Verstaan kinderen deze en andere uitdrukkingen, hier voorkomende, dan achten wij op dien leeftijd het opzeggen van gebeden als formulieren allerschadelijkst: zij moeten dan zóó geleerd hebben, wat zij bidden, dat zij hunne eigene woorden weten te gebruiken.
Wil men hun dan ook dit boekje ter hand stellen, om hen daarin verder te oefenen, wij hebben geene reden zulks te ontraden. Voor zoodanige reeds geoefende jongelingen en jonge dochters heerscht in deze opstellen een goede, echt Christelijke geest. De Opsteller dezer gebeden kan een welmeenend braaf man, een waardig en kundig Christen-Onderwijzer, een waar kindervriend zijn, dien wij gaarne, uit hoofde van den goeden en verlichten geest, in deze gebeden heerschende, hoogachten; hij kan zelfs waarschijnlijk bij mondeling onderwijs aan kinderen nuttige wenken geven, om welke dingen en op wat wijze zij bidden moeten. Maar om gebeden voor kinderen op te stellen, en deze hun als formulieren te laten opzeggen: daartoe meenen wij, dat hij zich eerst meer nog in den kinderlijken leeftijd en in de kinder-wereld zou moeten leeren verplaatsen. Zoo velen intusschen van deze zijne aanwijzingen, hoe te bidden, gebruik maken, wenschen wij hartelijk toe, dat zij door deze opstellen allengs mogen leeren, regt verstandig en Christelijk, in geest en waarheid te bidden.
Carolina Pichler bekleedt onder de Duitsche romandichteressen eene aanzienlijke plaats; doch het ging haar, om de aardige uitdrukking van een' harer landgenooten te bezigen, als vele groote talenten: eerst schreef zij fraai, toen schreef zij gaarne, daarna schreef zij veel, en eindelijk, neen.... Lezer! nooit schreef zij slecht, eindelijk schreef zij lang. Immers, schoon wij verre zijn, aan al hare latere Werken eene gelijke waarde toe te kennen, geheel onvoldaan legden wij nooit een boek van haar neder; maar wel rees dikwijls de wensch bij ons op, dat zij meer aan Pope's les had gedacht, zich ijverig te oefenen in:
‘The last and greatest art, the art to blot.’(1)
Het vóór ons liggende Werk duldt geene vergelijking met haren Agathocles, - het staat zelfs even veel beneden hare Vrouwenwaarde als deze beneden het genoemde meesterstuk; - maar wij geven het de voorkeur boven hare Zweden in Praag, waarvan het eene tweelingzuster moet heeten. Het is een goed geschetst historisch tafereel, rijk aan afwisselende episodes, dat vele bewijzen oplevert van den diepen blik, welken de begaafde vrouw in het menschelijk hart sloeg, van de getrouwheid, waarmede zij den strijd der hartstogten weet te schilderen.
Een enkel woord over de vertaling. Mevrouw Pichler heeft het echt Duitsch gebrek zeer lange volzinnen te schrijven; daar het echter in Nederland niet onder de verdiensten van stijl wordt gerekend, ons telkens in gevaar te brengen, dat ons het begin eener phrase vergeten is, eer wij haar einde hebben bereikt, vleiden wij ons in de overzetting op die klip niet te zullen stooten. Helaas, Lezer! wij zagen ons meer dan ééns verpligt denzelfden volzin meer dan ééns te lezen, niet om den rijkdom van gedachten met te kwistige hand er in gestrooid, - een gebrek van jeugdige vernuften, - louter om den rijkdom van scheid- en half lidteekens, - een gebrek van wie nooit, ter regter plaatse, een sluitteeken weten te zetten. - Dat men toch eindelijk ten onzent inzage, hoe onmisbaar een bekwaam vertaler is, zoo men eene fraaije vertaling verlangt; dat niet elk, die Duitsch verstaat, een' goeden stijl schrijft!
Zoo min de druk als het papier verdienen lof; het titelvignet is beneden kritiek; ordonnantie, teekening en uitvoering wedijveren in smakeloosheid: en toch zag het boek in 1836 het licht!
V.