Een tweede druk der Gedichten van den Heer van den Wildenborch behoort onder de verheugende teekenen des tijds, - het Nederlandsche publiek doet dan eindelijk zijnen eersten, zijnen eenigen humoristischen Dichter regt. Inderdaad, wie hoorde, welk een verbazende opgang bundels aan zoogenaamde Scherts en Luim gewijd, nog in onze dagen maakten, mogt er aan twijfelen of ons Vaderland verdiende eenen Zanger van zooveel talent te bezitten. Laat ons echter het algemeen niet te hard vallen, daar zelfs de aanzienlijkste kunstregters den grijsaard eerst eene plaats aanboden, welke de man voor jaren zoude hebben versierd. Staat de lauwer van het Instituut dan het schoonste op zilveren haren? Ook de late verkiezing van den Dichter van Diederyk en Willem van Holland wettigt dat vermoeden.
De begaafde Hoogleeraar Lulofs heeft de reden der laauwheid, waarmede zoo velen en zoo verscheidenen deze fraaije verzen ontvingen, doen opmerken ter plaatse, waar Zijn Ed. den Heer Staring, den taal- en stijlkeurigsten, zinrijksten, kortsten en kunstigsten onzer hedendaagsche dichters noemt; wij maken gaarne de woorden van dien voortreffelijken Criticus tot de onze. ‘Elk woord,’ gaat hij voort, ‘is bij hem juist gekozen, in elke uitdrukking steekt verstand en geest, overal heerscht logische afgepastheid, alles kenteekent den man van veelvuldige belezenheid en kunde;’ doch het was niet enkel ter herhaling dier hulde, hoe fraai en gepast, mijn Lezer! dat wij u het gevoelen van den Zanger der Avondmijmering mededeelden. Wij stelden ons voor, zijne laatste opmerking
eenigzins breeder te ontwikkelen, zij is deze: ‘Een zoogenaamd populair gevoelsdichter zal hij echter nimmer worden. Daarvoor discht hij eenen voor teedere, verweekelijkte magen te stevigen letterkost op.’
Hollanders met teedere, verweekelijkte magen, wie het betwijfelt of er om glimlacht, is vreemdeling in de geschiedenis onzer Litteratuur. Wij spreken in proza en poëzij van Hooft en Vondels dagen, als van die der gouden eeuw onzer letterkunde; maar voor negentig van de honderd is de lezing hunner werken, gelijk een geestig man van het rusten in Abrahams schoot zeide: ‘een genoegen, dat te grooter wordt, hoe langer men het uitstelt.’ En indien wij vragen, waarom deze, waarom ook de schriften van Visscher en Huygens zoo vergeten zijn, welke naam zweeft dan op onze lippen, is het niet dien van Cats? Voor mij, ik aarzel niet te bekennen, dat ik het betreurenswaardig vinde, dat de middelmatige Dordtsche dichtschool op de uitstekende Amsterdamsche kamer zegepraalde. Wilt gij een bewijs? Ik wed dat gij, mijn Lezer! honderd bladzijden uit den Trouwring of het Houwelick van buiten kent, daar u naauwelijks honderd regels uit de werken van Muidens Drossaard, naauwelijks enkele zangen van de Agrippynsche Zwaan heugen. Tracht dit niet te verklaren, door dat gij onder het bewind der achttiende eeuw geboren werdt, die eeuw van Feitamaas en Fonteinen; de kinderen der negentiende ging het niet beter. Vergeefs bekroonde de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde voor weinige jaren Van der Palm als onzen grootsten redenaar, Bilderdijk als onzen grootsten dichter; - wanneer men u vroeg: wie in onze dagen den uitgebreidsten invloed op ons volk uitoefende, de naam van eenen anderen Cats moest het antwoord wezen. Ge zoudt u zeer in mij bedriegen, indien gij waandet, dat ik geenen diepen eerbied gevoel voor de verdiensten der Heeren van Zorgvliet en Boschwijk (want waarom zoude ik aarzelen Feith te noemen?) Zij waren het niet, die hunne eeuw deden stilstaan of ruggelings treden, het waren hunne navolgers; de eersten schreven bevattelijk, eenvoudig, gevoelig; de laatsten schrijven sopperig, flaauw, lamzalig, - van daar die teedere, die verweekelijkte magen, waaraan zoo velen kwijnen!
Er is in onze letterkunde, als in die onzer naburen, aan welke wij dit beeld ontleenen, goudgeld, zilvergeld en kopergeld in omloop, en elke der drieërlei munten heeft hare betrekkelijke waarde. Ik stem het gereedelijk toe; mits het koper slechts het zilver en het goud niet verdringe. Over het algemeen heerscht er tusschen hen die de gouden en hen die de zilveren stukken slaan, eene zekere verwantschap van ziel, zij benijden elkander niet, ik had bijna gezegd, zij weten dat de beurs van een fatsoenlijk man beiden plaats
vergunt. Cats en Feith, geloof mij, wisten zeer wel de verdiensten van Vondel en Bilderdijk te huldigen, zij waren van één geslacht! Maar de navolgers der eersten, wat wilt gij, dat zij doen zouden? Zij gevoelden, dat zij slechts koperen munt konden leveren. Zij verzilverden zoo veel mogelijk hun minder edel metaal, dewijl er geen middel was, om het te vergulden; zij verklaarden de gouden speciën voor fraai, maar schaarsch, slechts voor enkelen bestemd, minder duidelijk van opschrift; - de verklaring van het wapen eischte moeite, de uitlegging van het randschrift tijd, en het publiek vond het eindelijk gemakkelijker bij schellingen en stuivers te rekenen, dan bij dukaten en rijders, - de middelmatigheid had gezegevierd.
Betwijfelt gij het nog? Doorblader het mengelwerk van een onzer tijdschriften, een almanak, een bundel gedichten, wat gij wilt, mits het den naam van poëzij drage, en gij zult honderd rijmen vinden tegen één vers; gij zult er aantreffen, welke u zullen doen hetwijfelen, dat er ten onzent eene dichterlijke taal bestaat. Lees onze proza-schrijvers en hen die deze beoordeelen; welk een klein gedeelte van het publiek, hoe weinigen onder de laatste weten de onderscheidene soorten van stijl naar waarde op prijs te stellen: het waas der bevalligheid, dat over de verhandelingen van den Hoogleeraar Van Lennep ligt; de schitterende geestigheid, die uit de schriften van den Hoogleeraar Geel vonkelt; het puntige en fijne van eenen Van Assen, het liefelijke en vloeijende van eenen De Vries. Er zijn ten onzent kunstregters, die eenen smakeloozen, dorren, vervelenden stijl, niet voor een gebrek houden in historische werken, die geen gevoel hebben voor de breede trekken, waardoor Bosscha zijner tafereelen gloed en kracht geeft, die, in de schriften van Lipman, juistheid van beschrijving niet met keurigheid van uitdrukking zien wedijveren, die er geene schilderachtigheid in huldigen, der Muze der Geschiedenis waardig. Er zijn schrijvers, die zich verbeelden iets van Van der Palm te hebben, omdat zij zich zoo plat mogelijk uitdrukken. Hollands Cicero vergeve het hun! voor hem, wien het gevoel voor het verhevene ontbreekt, is ook Mozes onovertrefbaar: ‘Er zij licht, en er was licht!’ eene alledaagsche uitdrukking.
Vleijen wij ons dan met eene ijdele hoop, indien wij gelooven, dat een beter tijdvak voor Hollands letterkunde aanbreekt, dat zij veelzijdiger, verscheidener, veeltooniger zal worden? Wij vreezen dit niet: de dichtwoede bedaart, het publiek eischt meer in verzen dan gedachten welke duizend en duizendmaal even goed zijn uitgedrukt; het getal der ongeroepene verhandelaars wordt kleiner, - men moet door eenige soort van oorspronkelijkheid beroemd of vermaard zijn, om op eene gevulde gehoorzaal te
mogen rekenen; Staring's gedichten worden ten tweede male gedrukt.
Wij ontvangen in deze twee stukken: Verhalen in Dicht, en gaan tot derzelver beoordeeling over. Niets zoude ons gemakkelijker zijn, dan haar, door eene vergelijking van het talent van den Heer van den Wildenborch met dat der meest bekende Engelsche humoristen, te doen voorafgaan, maar onze inleiding was reeds zoo lang; de definitie van Lulofs maakt dezelve overbodig. Ook koesteren wij zekere vrees voor de onregtvaardigheden, waartoe dergelijke spelingen des vernufts dikwijls verleiden; wij denken onwillekeurig bij dezelve aan Bisschop Hurd, die Petrarcha met Rousseau vergeleek en, om iets saillants te zeggen, eindigde, met te verklaren: ‘beide waren dwazen, maar van verschillenden aard.’ En wat alles afdoet, Starings hoogste verdienste is zijne oorspronkelijkheid; welke vergelijking kan dan juist wezen?
Wichard van Pont, 800-1000; een verhaal in twee zangen opent den bundel; hetzelve zag in 1793, in de Bijdragen van Feith en Kantelaar, voor het eerst het licht. Hoe verdienstelijk het zich daar onderscheidde, tusschen eenen Herfstzang van den eerste, en een stukje op den Dood van een Kind van den laatste; de Heer Staring liet het niet letterlijk overdrukken, maar betrachtte zelf de les, die wij aan het hoofd dezer beoordeeling plaatsten. Deze les en zijne andere overbekende, welke hij Polysten titelde, maar die op geene zijner verzen kan worden toegepast, wenschten wij, dat bij alle tweede drukken van gedichten werden in acht genomen! - Er zijn er onder onze jeugdige dichters die veinzen, of misschien inderdaad wanen, gaarne aanmerkingen te hooren en bij elke, hoe gegronde, den betwisten regel, het betwiste woord zelfs, hardnekkig verdedigen, - hun bevelen wij de twee drukken dezer beide zangen ter studie aan; waartoe zouden wij hen op al de verbeteringen der volgende stukjes opmerkzaam maken? Indien deze hen niet van het dwaze hunner eigenliefde overtuigen, wat kan hen dan van die kwaal genezen? - De enge grenzen onzer beoordeeling vergunnen ons niet met proeven te staven, hoe veel het stuk, vooral bij den fraaijen trek van den vererfden dolk (bl. 6), gewonnen heeft; voor het publiek kiezen wij, als modellen van korte en fraaije beschijving, de burgkapel, in welke de huid van het door Wichard verslagen monster tot trofée dient, en de schets van Herman, Graaf van Zutphen, op het bruidsmaal zijner dochter. Zie hier de eerste:
Gij moogt het uw gebrek aan verbeelding wijten, zoo gij in stede dier twaalf regels er liever honderd over hetzelfde onderwerp hadt ontvangen. En nu Graaf Herman:
Dat ik Breukelaar, Bing of Van Beveren het penseel in handen konde geven; welk een heerlijk beeld uit die krachtige eeuwen zouden deze coupletten u doen bewonderen!
Eene enkele aanmerking, eer wij van dezen eersteling scheiden, zij betreft de laatste strophen, of liever, een enkel epitheton; wij gelooven, dat de jongeling dit juister koos, dan de grijsaard, oordeel, lezer!
Hierop volgen Lenora en de Zwarte Vrouw, twee romances uit Starings jeugd, die ons, gelijk Wichard van Pont, op Gelderschen bodem verplaatsen, de eerste op het huis Ter Wildenborch, de laatste op het huis Staverden. Wij kunnen niet uit alle stukjes proeven geven, maar willen hier eene vraag inlasschen, welke het titelvignet uitlokte, die deze stukjes weder doen oprijzen. Waarom prijkt het Wapen van Gelderland niet langer op de lier des Dichters? Hij heeft regt hetzelve te voeren, voor wien de geschiedenis
van zijne oudere en latere bewoners geene schuilhoeken heeft, die zijnen geboortegrond zoo onnavolgbaar bezong:
Dat is con amore geschilderd! Maar waartoe eene koude ontleding der schoonheden van die oorspronkelijke verzen? Meer dan door deze zal de smaak onzer lezers gelouterd en verfijnd worden, door er een tafereel in een ander genre naast te hangen, dat op zich zelf ook zeer verdienstelijk mag heeten; - er is geene onvruchtbaarder kritiek dan de kritiek van het slechte, zegt Göthe. Daarom kiezen wij niet iets alledaagsch, daarom kiezen wij den fraaijen lof van Holland, uit de Academische Idyllen van Mr. J. van Lennep:
Adolf en Emma en Folpert van Arkel, 1160, zijn twee romances die te zamen een schoon geheel uitmaken; de scherpe tegenstelling welke het eene stukje aan het andere oplevert, verraadt den Meester. Het eerste schildert ons den jeugdigen en dapperen Adolf, terugkomende uit Italië, (waar hij, onder Hendrik I Graaf van Gelder, Keizer Frederik Barbarossa bij de belegering van Milanen had vergezeld), op weg naar zijnen burg, op weg naar zijne geliefde Emma. Hoe eenvoudig, hoe treffend, hoe verliefd zijn zijne herinneringen, zijne vooruitzigten:
Gaat het u als mij, Lezer! dan is uwe belangstelling opgewekt, en wenscht ge te weten, welke ramp Emma getroffen heeft:
En nu verwacht gij misschien eene heftige uitboezeming van Adolfs smarte? Hoe weinig zoudt gij Staring in kennis van het menschelijk hart evenaren, de jongeling klaagt noch weent, maar rijdt verder
En in plaats van het liefelijke landschap, dat ons in het begin dezer romance aanlachte, verrijzen nu de vesten van Van Arkel voor onze oogen, en eene huivering grijpt ons aan, terwijl wij den jongen held in het doodsche en ledige roofnest vergezellen. Wij vliegen de zalen met hem door, de enge kronkeltrappen van eenen kerker af en het wordt ons akelig te moede, wanneer eene vlam er ons den weg wijst, en de gewelven slechts het gebons zijner voetstappen terug kaatsen.
Hoe benijde ik den Dichter dat zwijgend sterven! ‘C'est trop aimer quand on en meurt’ is een woord uit den riddertijd.
Doch uw gevoel is onbevredigd, mijn Lezer! en de Dichter verplaatst ons in de volgende romance op het burgplein, onder de breedgetakte linde die voor het grijze slot der Van Arkels stond, dat binnen de wallen van Haestrecht lag. Het metrum is veranderd, maar de spelers nog meer dan het metrum, gij ziet hen voor u, de boozen:
Zie daar de gezellen Folpert waardig; eerst schildert de Dichter hem u zwijgende, maar hij moet afgrijzen inboezemen; - de haren rijzen te berge, bij zijn stoffen op zijne gruwelen, zijne minnekoorts voor Emma, (een Folpert spreekt van brand en niet van liefde), den moord der kuische en de helsche lust waarmede hij Adolf bespied heeft, (er is climax bij Staring zoo in het booze als in het goede:)
Wij zijn uitvoerig geweest, in het beoordeelen der eerste stukken uit dezen Bundel, deels, dewijl zij reeds voor zeventien jaren het licht zagen en er dus sedert hunne verschijning een nieuw geslacht ontloken is; deels en vooral, dewijl zij ons toeschijnen de beste van onzen Dichter bij uitnemendheid, zoo als Staring Bilderdijk noemt, te evenaren in juistheid van teekening des tijds, te overtreffen in verrassende wendingen. Wij kennen, zelfs bij onze Germaansche naburen, anders meesters in dit genre, geene verschijning des duivels die treffender werking doet, de poedel in Göthes Faust uitgezonderd, maar dit is een tafereel van geheel verschillenden aard. Op de verdiensten der versificatie opmerkzaam te maken, achten wij overbodig; eene andere dichtsoort zal ons ongezochte gelegenheid aanbieden, over het eigen-aardige van Starings stijl te spreken. Hoe gaarne zouden wij hier hulde doen aan al het schoone, dat ons in de overige stukjes van dezen aard wordt aangeboden; de fraai geschetste verkleeding van Ada (bl. 73), welke met de beroemdste schilderijtjes van die soort kan wedijveren, - het door breede trekken voltooide tafereel van Nijmegen, op Eleonora's bruidsdag (bl. 59); - den fikschen toon, dien wij in Arnhem verrast, - de krachtige taal, die wij in het Schip van Bommel bewonderen. Doch wij kunnen niet alles opnoemen, dat ons getroffen of bekoord heeft. Wij mogen echter Hertog Arnoud, in den kerker, 1469, niet met stilzwijgen voorbijgaan, de aanhef is echt dichterlijk:
Wij gevoelen eerbied voor en deernis met den gevangene eer wij hem aanschouwen. Het vertrek, waarin de Dichter ons binnenleidt is in overeenstemming met de stilte, die hij schetste, - met den
ernst, waartoe hij ons stemde. Eene grijze kloostervrouw leest bij het flaauwende lamplicht den rampzaligen Vorst I Samuël XIX voor, welk eene voortreffelijke greep! ‘Ach!’ jammert de Hertog
Schat gij naar waarde dien rijkdom van verbeelding, die aanschouwelijkheid van voorstelling? Een verhaal van het lijden in den kerker, konde, na het eerste couplet, in het tweede geen belang meer inboezemen (Staring herhaalt nooit!) daarom ontvangen wij die meesterlijke schets van den togt derwaarts. Dat onze jonge dichters dergelijke trekken wisten na te volgen!
En nu de Non. - Hoe fijn is het bezorgde, vrouwelijke karakter gevoeld in haar oprijzen en haar fluisteren! - zachtkens zegt zij:
Arnouds verhevene weigering is den grootsten Dichter waardig; wij willen u die plaats geheel mededeelen; welk eene diepte van gevoel, welk eene edelheid van harte!
Ik zoude mij zeer in u bedriegen, mijn Lezer! zoo ge niet met Staring uitriept:
ik ben zeker, dat gij, even als ik, de laatste regelen des Dichters al te bescheiden noemt. Wij gelooven, dat zijn voortreffelijk vers Mr. A. Bogaers uitlokte II Samuël XXIII v: 15, 16 en 17 te bezingen, wanneer ik de Heer van den Wildenborch was, ik zoude trotsch zijn op zulk eenen invloed.
Ik weet niet, of gij zoo veel als ik van bloemen houdt, of gij gaarne een uur tusschen die kinderen der lente verwijlt, niet op de
onafzienbare velden, welke men in de omstreken van Haarlem, in April, gaat bewonderen, om er zich bij wijlen het bekende versje van De Decker te herinneren; neen! op het kleine perk van een fraai buiten in de warme zonnestralen van eenen laten Meidag, verscheidenheid zonder vermoeijing, kunstweelde en geen handelschat. Indien ik er zeker van ware, ik zoude niet vreezen, dat ge mij kwalijk verstaan zult, u bekennende, dat, even als mij daar de kleurrijke en de geurigwasemende, de statelijke en de eenvoudige beurtelings uitlokken, even als ik daar gaarne uren bij elke verwijlen zoude, Starings gedichten mij doen stilstaan, mij boeijen en betooveren. Wilt gij den eersten lust verklaren, door dat het ten onzent zoo lang winter is, (ik zoude liever zeggen een voorspel en een naspel van winter, waaraan met het krachtig middenstuk, zin en geest ontbreekt,) - wilt gij het den tweeden doen, door dat in zoo vele dichtbundels een winter heerscht, als dien, welken ik beschreef, ik heb er niet tegen. Alles, wat ik er mede zeggen wilde, is, dat het tijd wordt van de trotsche bloemen te scheiden, om eenen blik op de nederige te slaan, ook zij hebben haar eigendommelijk schoon.
Het Vogelschieten schijnt ons het geschiktste stukje, om tot die soort van Starings poëzij over te gaan, waarin wel de locale kleur bewaard is, maar die niet schittert van des Dichters historische kennis, die ons allengs voorbereidt tot dien humoristischen verhaaltrant, in welken niemand hem evenaart, in welken, de hemel verhoede het! niemand beproeve hem na te volgen. Welke trekken van fijne opmerking en waarachtig gevoel biedt deze vertelling aan; wie heeft Mijntje niet lief:
De Vorstin in het Dorp, en de Hoofdige Boer, wie zoude gelooven, dat zij uit ééne veder vloeiden met de Verjaardag, uit welken wij ons niet kunnen weêrhouden deze verrassing des vaders af te schrijven:
Lees zelf verder, mijn Lezer! Edelard heeft familietrekken gemeen met der Wirth zum Goldenen Löwen, en der redliche Pfarrer von Grünau.
Wilt gij nog meer bewijzen van veelzijdigheid? lees: Hoop verloren, Trouw bewaard; Vulcanus Wraak, (waarop wij veelligt later terug komen), het Bezoek van Fohi, en de Tuchtiging der Algerijnen, 27 Aug. 1816, in Boeren-Zutphensch, een gesprek tusschen Engbert en Gartjan, een meesterstuk van objectiviteit. Hoe fraai is de aanleiding tot het Bombardement beschreven, - zij overtreft zelfs de gelukkige expositie. Engbert verhaalt:
Wij huldigen de fijne opmerkingsgave van Bilderdijk, waar hij ons, in zijn Buitenleven, de snorkerij van den Franschen soldaat:
vertaalt met den Hollandschen krijgsman, zediger en juister, van de marschen te doen spreken en de wonden te laten zien:
welk eenen lof komt onzen Gelderschen Dichter niet toe voor de naïve vergissing van den boer van Z.M. met Z.H. en dat onovertrefbaar gesprek tusschen den Koning en den Admiraal?! Verder.... maar ik mag niet meer afschrijven - gij zijt misschien mijne recensie moede. En toch wil ik voor dit maal niet van u scheiden, zonder u de lezing te hebben aanbevolen der twee Sprookjes in deze Stukken voorkomende; zonder u eene Anekdote, de Biecht getiteld, zeer geestig en, eilaas! even waar, te hebben medegedeeld. Het eene, de Doodendans, deed mij op nieuw ons gemis betreuren aan eenen geestigen Hollandschen omstrekschetser, zoo als Duitschers, Franschen en Engelschen er bezitten, - het is een der aardigste kinderen eener fantastische verbeelding. Sint Nicolaas, het andere sprookje, heeft in onze Letterkunde geene wedergade in aandoenlijkheid van trekken en bevalligheid van voordragt; het moest in geene bloemlezing, in geene Chrestomathie ontbreken.
Wijt het Starings veelzijdige begaafdheid, dat gij nu nog slechts zijne minst belangrijke zijde kent, en..... maar gij verlangt naar de Biecht, luister: