terug  begin  verderprepost

Grieksche Tafereelen, door H. Pol, Litt. Hum. Dr.

Te Amsterdam, bij J.H. van Heteren, 1836. IX en 220 bl.

Er zijn in de laatste vijftig jaren reeds zoo vele pennen stomp geschreven op romantische tafereelen, die ons menschelijke karakters en menschelijke lotgevallen in duizenderlei schakeeringen voor oogen stellen, dat het niet wel mogelijk schijnt, uit het rijk der verbeelding geheel nieuwe karakters en geheel nieuwe lotgevallen te scheppen. Het is dus een geluk voor de Romanschrijvers, dat het onmetelijke veld der Geschiedenis hun een zeker middel aan de hand geeft, om hunnen tafereelen belangrijkheid bij te zetten. Het valt niet te ontkennen, dat de Schrijver van Historische Romans, zoo hij zijn werk goed verstaat, zoo hij een man van studie is, en zoo hij met het tooneel, waarop hij ons voert, in al deszelfs bijzonderheden bekend is, in staat is, ons de Ge-

[p. 288]

schiedenis toe te lichten, door die kleine punten van zeden, gewoonten enz., welke de Geschiedschrijver met stilzwijgen voorbijgaat of slechts ter loops aanroert, breeder te ontwikkelen; - door ons de kleinere bijzonderheden van het tooneel, waarop groote gebeurtenissen zijn voorgevallen, te schetsen en ons geheel en al dáárop te verplaatsen.

Het schoone Griekenland, waar de Natuur en de Geschiedenis den Romanschrijver een aanlokkelijk veld ter bearbeiding aanbieden, is in dit opzigt nog door weinigen betreden, en het kan dus niet anders, of eene proeve, zoo als die, welke de Heer Pol hier levert, moet het beschaafde publiek aangenaam zijn. Wij vinden hier, zoo als de Schrijver (Voorr. bl. VIII) zelf erkent, geene ingewikkelde intrigues, verrassende ontknoopingen, zonderlinge gebeurtenissen, vreemde liefdesgevallen; maar slechts losse tafereelen uit onderscheidene tijdperken der Geschiedenis genomen. In het algemeen moeten wij den Schrijver lof toekennen voor de groote naauwkeurigheid en waarheidsliefde, waarmede hij de historische feiten in zijne romantische inkleeding heeft opgenomen; plaatselijke gesteldheid, zeden en gebruiken worden hier met zulk eene naauwgezetheid ingeweven, dat de Geschiedenis er nergens door gekwetst wordt, en wij overal bespeuren, hoe vertrouwelijk de Schrijver zich met de bronnen gemaakt heeft.

De verdichting is hier de bijzaak, de historische feiten de hoofdzaak; de laatste worden ons smaakvol verhaald of herinnerd. Jeugdige beoefenaars der Grieksche geschiedenis bevelen wij de lektuur dezer tafereelen ijverig aan; terwijl de belangrijkheid der gekozen tijdperken hen zal uitlokken zelf de geschiedenis te beoefenen, moet de keurigheid der voordragt hunnen smaak veredelen.

Het eerste verhaal: Eira of de ondergang der Messeniërs, is een tafereel uit een echt romantisch tijdvak der Grieksche geschiedenis. De lotgevallen van den bewonderenswaardigen Aristomenes zouden alleen de schoonste stof voor een' uitvoerigen roman kunnen opleveren, en zelfs zijne heldendaden gedurende de belegering van Eira waren hiertoe reeds voldoende. De Schrijver bepaalt zich in dit tafereel bij hetgeen kort vóór en bij de verovering van Eira door de Spartanen zoude zijn voorgevallen.

De gesprekken van Gorgus, den zoon van Aristomenes, met zijne beminde gade Chilonis, zijn vol leven en den echt Griekschen heldenaard waardig. Niet minder edel zijn de gevoelens, die Aristomenes en Theoclus aan den dag leggen. Wij moeten echter op dit stuk aanmerken, dat de verovering van Eira hier wel naar waarheid wordt voorgesteld; maar dat deze historische feiten al te

[p. 289]

karig door den Schrijver zijn aangevuld en niet rijk genoeg, naar eisch der inkleeding, uitgewerkt.

Fikscher van penseel en meer voltooid is het tweede tafereel Melos. Het gelukkig lot der eilandbewoners en het woelig leven der Atheners worden ons hier te gelijk in losse, schilderachtige trekken geschetst. Alcibiades verschijnt ter loops op het tooneel; zelfs Socrates ontmoeten wij op de markt; maar de Schrijver wacht zich hen veel te laten spreken of handelen. Het is dan ook slechts weinigen gegeven dit zoo kunstig en treffend te doen, als Meissner in zijnen Alcibiades. - Krachtig maalt ons de Schrijver daarentegen den schandelijken oorlog der Atheners en hunne gruwzame wreedheid jegens het ongelukkige Melos en zijne onschuldige bewoners. Hij had er misschien bij kunnen voegen, hoe Sparta zich naderhand over de mishandeling van deze hare kinderen gewroken heeft. Het begin van dit stuk is uitmuntend.

De landhoeve van Phrasidamas levert een bekoorlijk tafereel van huisselijke genoegens uit den gelukkigsten tijd van Sicilies geschiedenis. De honderdjarige Hermocrates houdt ons aangenaam bezig met zijn verhaal, waarin hij de voornaamste lotgevallen van het dikwerf geteisterde eiland tot op zijnen tijd doorloopt; terwijl de liederen, door ieder der aanwezigen in den gezelligen kring op zijne beurt gezongen, ons toonen, dat de Schrijver de brokstukken der Grieksche Muze gelukkig weet over te brengen.

In het laatste tafereel Athene leeren wij die beroemde stad der Oudheid, zoowel door de wandelingen van Tisias en Dionysius in haar uiterlijk verval, als op het gastmaal van Stratocles, in hare zedelijke verlamming kennen, ten tijde, dat de Apostel Paulus haar het woord des Heeren verkondigde. Het verval der kunsten en wetenschappen wordt met sterke kleuren afgeteekend, misschien wel wat al te sterke; want de wijzen van Athene, zelfs de Stoïcijn Cratippus, slingeren elkaâr op een gastmaal de bekers naar de ooren, terwijl de Cynicus Alcidamas zijne knods duchtig in het ronde laat spelen, zoodat het geheele gezelschap in verwarring geraakt. Op fijner wijze wordt ons het verval der wijsbegeerte verkondigd, waar wij twee verstandige en gevoelige vrouwen over de behoefte aan godsdienst en het onvoldoende van de spitsvindige drogredenen der toenmalige wijsgeeren hooren spreken. Nu zien wij Paulus voor den Areopagus verschijnen, en gevoelen met weedom, hoe gering de belangstelling was, die den Apostel hier ten deele viel. Voorzigtig heeft de Schrijver zich gewacht Paulus niet sprekende in te voeren; hoewel hij ons schetst, op welke wijze hier de beginselen eener Christelijke gemeente tot stand kwamen.

De korte aanteekeningen achter ieder verhaal zijn, zonder

[p. 290]

praal van geleerdheid, zeer geschikt, om den oningewijden lezer voor te lichten.

Taal en stijl zijn den beoefenaar der klassieke geleerdheid ten volle waardig. Wij onthouden ons van aanmerkingen, daar die van gering belang zijn, en kiezen ten slotte tot eene proeve de schildering van de Atheensche markt, op bl. 71.

‘Te Athene was het nu de tijd van den dag, dat de markt door ieder het meest werd bezocht. Het groote vierkante plein, met plataanboomen langs de zijden versierd, door prachtige tempels, gebouwen en gaanderijen omgeven, door talrijke winkels van reukwerkverkoopers, barbiers, schilders, boekhandelaren enz. verlevendigd, werd voller en voller door de menigte, die elken dag uit de meest verschillende standen bijeen vergadert; en, na den afloop der eigenlijke handelsbezigheden, zich onder elkander met de meest uit een loopende onderwerpen en uitspanningen onledig houdt. Als de heesche stem der visch- en vleeschverkoopers eindelijk zwijgt, de onbeschofte taal der uitventers van gebak, fruit en andere levensbehoeften ophoudt, en het tieren en razen voor den zachteren toon des gespreks plaats maakt, dan begeeft zich elk Athener, wie hij ook moge zijn, naar de markt: dáár gevoelt hij eerst regt zijne waarde als burger van Griekenlands grootste, prachtigste en beroemdste stad. Hier houden het nieuws van den dag, de oorlogsberigten, de staatszaken, de huisselijke belangen hem bezig; hier zoekt hij uitspanning en vindt dezelve altijd: kortom, hier leeft en woont eigenlijk de Athener; zijne bekrompene eenvoudige woning is slechts zijn nachtverblijf. Welk een bont gewoel! ginds hebben zich eenigen op de portalen der tempels of onder de schaduw der platanen nedergezet, en zijn in een luidruchtig gesprek over allerlei beuzelingen gewikkeld; dáár verdringt men zich in de winkels en oefent zich met grooten ijver in de kunst van liegen en smakelijk opdisschen van stadsnieuws of buitenlandsche tijdingen. Eenigen spreken met kracht van taal over het verkeerde eener onlangs beslotene wet, terwijl anderen met vuur als verdedigers van dezelve optreden, en in de hitte van den woordenstrijd reeds verre van het eigenlijk onderwerp afdwalen. Sommigen spotten en lagchen over alles, wat zij zien, en vermaken zich hartelijk met de bespottelijke gebaren en belagchelijke taal der Scythische wacht, die, in dienst van den Staat, de posten van geregtsdienaars en rustbewaarders waarneemt.

Men spaart elkander ook niet, maar hekelt ongestraft een ieder, die eenigzins aanleiding kan geven, terwijl men ook gaarne het scherpe wederantwoord afwacht en beantwoordt. Regeringsleden, aanzienlijke handelaars, beoefenaars van kunsten en weten-

[p. 291]

schappen, handwerkslieden, vrijen, slaven, Grieken, vreemdelingen, met één woord, de vreemdsoortigste vereeniging van menschen, die ooit eenige stad uit de oude of nieuwe wereld opleverde, was hier bijeen. Een geest van vrolijkheid, die de Atheners nooit verliet, hoezeer ook door den langdurigen oorlog gekweld en door de zwaarste verliezen benadeeld, bezielde alles met eene aantrekkelijkheid, die den vreemdeling het verblijf te Athene, in den beginne, als het aangenaamste deed beschouwen, wat eenig sterveling konde verlangen. Geene plaats toch was er, waar ligging, klimaat, overvloed van alles zoo met vrijheid, magt en luister waren vereenigd, en waar de kunsten en wetenschappen zoo alles tot een nooit geëvenaard geheel verbonden;’ enz.

prepostterug  begin  verder