Gevoelt gij lust, mijn Lezer! thans met mij die verzen van Staring te beschouwen, in welke zijn humor beurtelings schertst, treft, gispt, roert en bijt? Ik stel niet gaarne iemand te leur, en zeg u daarom vooruit, dat zij niets van de parodiën en travestiën hebben, hier en daar met lachwekkende antithèses gekruid, dat Luimig Goed, door Jan de Rijmer aardig beschreven:
Zoo ik niet vreesde, dat de Heer van den Wildenborch met zijnen recensent den draak zoude steken, ik had grooten lust zijn gemoed bij eenen voorjaarshemel te vergelijken, uit welken op hetzelfde oogenblik zonnestralen en regendruppelen ons verwarmen en verkwikken. De gelijkenis zal den pijlen van zijn vernuft niet ontsnappen, en ik had beter gedaan, de geestige teekening van humor over te nemen, welke Mr. J.A. Weiland ons in zijne voortreffelijke inleiding tot de Gedachten van Jean Paul geschonken heeft. Of herkent gij in den Heer van den Wildenborch niet al de zeldzame voorregten van hoofd en hart, door dezen in den humoristischen Dichter vereischt, aangeboren luim, eene wereld-
burgerlijke menschenliefde, een streven om het eindige aan het oneindige te verbinden, - de kenmerken van elken humoristischen schrijver, - een' dichterlijken aanleg, eene rijke verbeelding, eenen voorraad van verkregen kennis - de onderscheidende gaven des humoristischen zangers? Staring ontving meer nog dan deze; zoo min het verkeer in de groote wereld, als zijne waarlijk veelzijdige studie, belette in hem de ontwikkeling of verstompte de fijnheid van zijnen open' zin voor het schoone der Natuur: zeldzaam verschijnsel in de letterkunde van smaak, voorwaar! Hij mag de schepper heeten van een nieuw genre van poëzij, dat alleen in eenen hoogst beschaafden tijd beoefend en gewaardeerd wordt, hetwelk evenzeer individualiteit als objectiviteit vereischt, en dat niet eer eene schaar van bewonderaars vindt, voordat, om met Addison te spreken, zoetvloeijende poëten het getal hunner geduldige toehoorders tot de broeders van den gilde bepaald zien, to keep up the dignity of the fraternity.
‘Gij bekent dus,’ hoor ik de middelmatigheid zegevierend uitroepen, ‘gij bekent dus, dat de verzen van den Heer Staring niet zoetvloeijende zijn?’ Hé, Mijne Heeren! heb ik dan ooit beweerd, dat zij voortkabbelden als de golfjes van een' vliet, (om u door geene vergelijking met dragonders laarzen te ergeren) dat zij elkander geleken als twee druppelen waters, (om niet te zeggen, als twee dorre halmen?) Laat ik mij op een gezag mogen beroepen, waaraan gij u niet onttrekken kunt. Göthe verklaart ergens het humoristische karakter voor de ziel van den gezelligen omgang van beschaafde lieden. Welnu, er heerschten in Weimar beide toon en takt; - zijne Excellentie wist zich even keurig als vloeijend uit te drukken, - hij had de gepolijste phrases van honderd vorstelijke personaadjes met eene beleefde buiging aangehoord en beantwoord: - van waar zijne liefde voor die stemming van geest? Omdat elke uitdrukking van eenen echten humorist iets eigenaardigs en oorspronkelijks heeft, omdat zij van denken, getuigt en tot denken opwekt. Staring rekent op een denkend publiek, dat smaak genoeg zal bezitten, zijne verzen niet naar den alledaagschen trant te lezen, ze voor te dragen met die afwisselingen van metrum en cesuur, welke de onderscheidene invallen of aandoeningen hem onwillekeurig geboden; - indien het feilen zijn, ze zijn de voorwaarden sine qua non van zijnen schrijftrant. Maar gij verzekert, dat het publiek niet denken wil; ik kan niet onbeleefd genoeg wezen, te zeggen, dat het uw belang is, uwe lezers voor stationair uit te krijten; al wat ik doen mag, is u verzoeken eerbied te hebben voor de schoonheden, welke, ondanks de soms grillige overtredingen van maat en rijmwetten, in deze verzen overvloeijen. Hel zoude dwaas van mij zijn, u
uit te noodigen in uwe dichtstukken de citer met de hekelpen te verruilen, of eensklaps uit den eenvoudigen verhaaltrant tot den hoogen odetoon over te gaan - ik eisch niet van u, dat gij beurtelings met het potlood, de etsnaald en het penseel zult kunnen schetsen, omtrekken en schilderen, - dat gij de regelen der versificatie met voeten zult durven treden, om ons door nieuwe schoonheden te verrukken; maar, eilieve! berispt staring over geene feilen, waar gij hem voortreffelijk zoudt hebben genoemd, mits hij u geleken had, eenvormig, eentoonig, eenkleurig geweest ware, om populair te zijn, en van niemand een' oogenblik nadenken had gevergd, om zijne fijne allusies te verstaan.
Doch, ‘nous trouvons partout des leçons, mais bien peu d'exemples,’ heeft voltaire te regt gezegd; zijne aanmerking zij mij ten waarschuwing, hier maakt alleen overvloed de keuze moeijelijk. Wij bepalen ons tot de Twee Bultenaars, een verhaal in de eerste helft der vijftiende eeuw geplaatst:
Ziedaar in vier regels den toestand der hoofdpersonen geschetst, en het onderscheid tusschen de beide Bultenaars comisch aangeduid. staring's exposities zijn meest altoos nog luimiger, b.v.
of:
doch gij wordt te regt knorrig, daar ik mijne Bultenaars voort laat vrijen zonder naar hen om te zien; wees gerust, de Heer van den Wildenborch zal u schilderen, hoe:
En de verteller vlecht er deze menschkundige opmerking in:
De jongeling was Dichter, Lezer! en hij bidt het meisje aan, niet slechts omdat zij schoon is, maar dewijl zij het land boven de stad de voorkeur geeft, dewijl zij den blik naar vreugde van hoogeren aard wendt, dan hoofsche schijnvermaken. Die hulde aan wat haar gemoed edels heeft, ontsnapt dan ook der schoone niet, zij voelt zich bekoord door den Dichter; maar hoe meisjesachtig, (vergeef mij, schoone Lezeres!) hoe natuurlijk!
En of dit nog niet duidelijk genoeg was, zie hier klara's laatste woord op het aanradend:
Een minder talent dan de Heer staring had ons hier nu op eene even verliefde als vervelende mijmerij der Bultenaars onthaald; de Heer van den Wildenborch kiest den natuurlijken toestand van verdrietigen:
En er verschijnt eene oorspronkelijke figuur op het tooneel; ik zoude vergeefs voor u schrijven, zoo gij niet al het fijne gevoeldet van het wij en ons des ouden vriends:
Zoo keuvelt de oude nog eene wijl voort, en hoe en waar breekt Freedrik hem af? Met eene ontkenning of eene bekentenis? Neen, - er ontbrak nog een trek, om ons den jongeling geheel te leeren kennen, die verliefd en mismaakt de prooi eener som-
bere zwaarmoedigheid is geworden; Roêl geeft hoop op herstel van het ligchaamsgebrek; staring heeft, in het antwoord des Bultenaars, de natuur naar het leven geteekend:
Wat dunkt u, Lezer!
Roêl troost hem op zijne wijze, en vertelt met zijne breedsprakigheid, ja, maar ook met zijne natuurlijkheid, dat de Kapellaan hem verzekerde:
Eene opmerking, mijn Lezer! vele schrijvers hebben beproefd, in proza den praatzieken ouderdom te schetsen; maar wie kent gij, die het, gelijk staring, in poëzij waagde? Hoe voortreffelijk teekent de keuze van een enkel beeld, in deze regelen, in Roêl den krijgsman en den jager; - met al het ongeduld der jeugd breekt Freedrik hem af:
De goede Roêl vergeet, dat de Graaf verliefd is.
‘Ontijdige vrome historie!’ zoude een minnaar onzer dagen uitroepen; doch wij lezen een verhaal in de vijftiende eeuw geplaatst, en Staring weet, dat juistheid in schijnbare kleinigheden eene schilderij van gewoonten en zeden voltooit; Freedrik waagt niet meer te zeggen, dan:
En dit is nog te weinig eerbieds naar het begrip van roêl:
En nu wenschte ik, mijn Lezer! dat gij de definitie, welke lulofs van het talent van staring gaf, overlaast en opmerktet, welk een onderscheid er is tusschen de wijze, waarop de Heer van den Wildenborch zijne personen laat kouten en praten, en die, waarop zoo vele andere Schrijvers bij ons zich verbeelden natuurlijk te zijn.
vertelt de Heer Staring verder, en ik zoude u den Wonderdoener met zijne woorden schetsen, indien ik alles mogt afschrijven. Vergun mij, het bij eene aanbeveling te laten; maar neen, er zijn nog eenige juweelen in dit snoer, wier luister mij te zeer in de oogen schittert - eene nieuwe halve kennismaking zoude slechts nieuwe spijt wekken.
Freedrik bezoekt Wolf en zijne dochter Agnes, en de uitkomst stelt hem niet te leur; geene mijner lezeressen, die het hem niet toewenschte:
Gij begrijpt, dat hij, in gepeinzen opgetogen, huiswaarts rijdt - ‘en bij Klara een bezoek aflegt als de vrijer van Cats, die zijn been regt heeft laten zetten?’ Neen, Lezer! het verhaal heet de twee Bultenaars, en niet de minste kunst des Vertellers schuilt in de behendigheid, waarmede hij de lotgevallen van beide dooreenvlecht:
Hetzelfde als de andere; ook hij getroost zich, trots het wintersaizoen, den springtogt over Maas en Rijn; zie hier de ontwikkeling van zijn karakter, gij moet romans schrijven, zoo gij het uit de woorden over hem in het begin van het stukje vermoeddet:
Hoe nieuw en hoe kiesch is hier dat oude beeld aangebragt!
Behoef ik u oplettend te maken op die keurige en krachtige taal? maar gij verwenscht mijne inlasschingen; zie hier hoe het Ot ging, nadat hem Wolf eenige woorden had toegevoegd. Zijn
En hoe Wolf aan Ot beval, een jaar later, maar gebeterd, weder te komen, en hoe Agnes Ot te paarde hielp, en hem uit haar vensterken bij het wegrijden bespiedde, en hoe Ot op zijn kasteel bij Luik boete deed en eindelijk, van den dubbelen bult bevrijd, Agnes, de dochter van Wolf, die een vriend van Graaf Willem VI van Holland bleek, te Heêl naar het altaar leidde, is dat alles niet beschreven in het Boek, genaamd Gedichten van A.C.W. Staring, IIde Stuk, bl. 25-36?
‘Maar Freedrik?’ lispelt misschien eene lezeres; schoone bekeerlinge tot de poëzij van Staring! wat heb ik u te weigeren? Minst van alles wil ik u de geestige regelen onthouden, waarin de Heer van den Wildenborch verhaalt, wat de jonge Graaf hij het Hedelsch reisje heeft gewonnen. Zij getuigen van verstand en geest, kunde en kennis; zie, melieve! hij won er veel bij:
Ziedaar de praatzieke stedelingen; nu de dichterlijke verteller:
Hoe veel valt er nog te bewonderen, hoe weinig ruimte schiet ons over! Uit Hertog Willems Bedevaart in 1389 deelden wij u eene proeve mede(2); zullen wij ons thans bepalen tot de Noordsche Goden en hun Bouwmeester, eene les voor minderen, die zich vermeten meerderen in den nood te helpen, en dwaas genoeg zijn op hunne dankbaarheid te rekenen; of bij de Radja's Dochter, een tafereel uit het Oosten, waarin wij niet weten, welk beeld het best geslaagd te noemen, de karikatuur van Alexander of de vermeende Thaïs? In beide stukjes verdient de beschrijving van het onderscheiden paardrijden gelijken lof. Doch, even als wij bij de beschouwing der ernstige gedichten menig meesterstuk stilzwijgend voorbij moesten gaan - het deert ons nog, dat wij de heerlijke verzen van Lochem Behouden niet prezen - kunnen wij ook hier uit alle fraaije stukjes geene proeven geven. Ter afwisseling kiezen wij een Fragment uit Marco, verzen, welker dictie niet onberispelijk is, en die men echter dus voorlezen kan, dat de feilen u ontgaan zullen.
Het is u als mij bekend, Lezer! hoe zekere Letterkundig-Godsdienstige school, in plaats van vooruitgang, achteruitgang predikt; welk eenen eerbied de dichterlijke talenten van haren Stichter den Heer Staring mogten inboezemen, zijn verstand was te ver-
licht, om in Bilderdijks poëtische voordragt het overdrevene of onjuiste zijner stellingen voorbij te zien. Zie hier de proeve, - hoe humaan-ironisch bezingt hij den lof van dien bon vieux tems:
Wie zoude het ons vergeven, indien, wij, bij dien lof der oude Toovenaren, niet aan een' hunner gedachten, door den Heer van den Wildenborch zoo voortreffelijk geschetst? Albertus Magnus, vraagt gij? Neen, Lezer! want schoon het ons toeschijnt, dat onze Dichter, in het behandelen der Sage van den Tooverwijnstok, den Duitschen Meester op zijde streeft, die een dergelijk wonder in den Auerbachs Keller in Leipzig laat gebeuren(1) - eene vergelijking zal u overtuigen, dat Göthe zijne verwen aan het palet van Ostade en Teniers, Staring die aan Rembrandt en Rubbens ontleende - toch is er een Toovenaar in de Verhalen in dicht, die het ver van den genoemde wint; wij bedoelen het vers: De Leerling van Pancrates:
Welk een geestig begin!
En van waar begon hij?
Maar dit zegt nog niet genoeg!
Dát mag climax, dát inwijding heeten in het tooverpaleis der Alchymie.
Hoe die laatste regel schildert! - Maar Pancrates verstond meer dan de Hyperphysica, en den leerlingen, die in drie jaren geen Collegie verzuimden, gaf hij in de afscheidsles iets van de Tooverkunst ten beste. De man had iets van Staring in zijne liefde voor kortheid; met twee woorden, op zijnen toon punktelijk nagesproken, kondt gij wonderen, doen:
En nu de alleraardigste vertelling:
C'est partout comme chez nous, mijn Lezer!
De wijze van gisteren? neen, van voor een half uur!
Ik ken geene plaats in een' onzer Dichters, zoo rijk aan natuurlijkheid van uitdrukking en levendigheid van beschrijving, als
de volgende, die ik niet durf afbreken, om u niet te veel te doen verliezen:
Eilieve, Lezer! verander een' enkelen regel in dit meesterstukje, en zie, hoe veel het zoude verliezen; wisch b.v. die herhaling van kameraad, vriend en vent uit; of beschrijf met weidscher woorden dat water, hetwelk gij op u ziet aanstroomen; - maar neen, gij hebt te veel gevoel voor het schoone, om dit fragment niet zonder zulke proeven te bewonderen; zie hier het slot:
Hij maakt geene weidsche vertooning met zijne kunst gelijk zijn leerling, neen:
Laat mij ter waarschuwing van allen, die Staring mogten willen navolgen, zonder als hij door de Natuur tot humoristisch Dichter te zijn bestemd, zonder als hij taal en versificatie meester te zijn, hier de les mogen herhalen, door Zijn Ed. aan het hoofd van dit stukje geplaatst: