Het doel, de aanleg, het verschil van deze overdenkingen met anderen van dien aard wordt opgegeven in het Naschrift achter het stukje voor de maand Januarij. Wij kunnen ons daarmede zeer goed vereenigen, en willen niet angstvallig onderzoeken, of er aan deze nieuwe onderneming eene onmisbare behoefte was. Zij, die er zich op de regte wijze van bedienen, kunnen er door geleerd en opgewekt worden. De onderwerpen zijn doorgaans belangrijk, de wijze van behandeling derzelve stichtelijk, de keuze der verzen uit Psalmen en Gezangen meestal zeer juist en doelmatig. Bijzondere aanmerkingen zal men hier niet verwachten. Alleen vinden wij ons genoopt, uit eene benaming, aan onzen Verlosser gegeven (op bl. 6 reg. 2 van ond.), aanleiding te ontleenen tot het voordragen van eene bedenking, welke wij vertrouwen, dat in den tegenwoordigen tijd niet geheel ongepast zal worden geacht. Jezus namelijk wordt daar genoemd onze oudste Broeder, eene uitdrukking, die, met betrekking tot den Heiland, thans vrij algemeen wordt gebezigd. Wij willen ons gevoelen aan niemand opdringen, maar zijn toch van oordeel, dat het minder voegzaam is, om onder dezen naam van den Verlosser te spreken. De Discipelen althans noemden Hem Heer, en zullen wij ons dan grootere viijheid en gemeenzaamheid veroorloven, dan zelfs zijne vertrouwelingen zich toekenden? Den dichter kan men het gemakkelijk vergeven; maar het blijft nogtans de vraag, of het naauwkeurig gesproken, of het bijbelsch is? Het is waar, daar wordt gezegd, dat Hij zich niet schaamt ons Broeders te noemen; maar dit geeft ons nog geene vrijheid, die benaming wederkeerig te gebruiken. ‘Ten minste,’ - zoo hoorde ik eens een' wijs en achtenswaardig man hierover spreken, - ‘wanneer onder de menschen een vorst of aanzienlijk persoon zijnen mindere met den naam van geliefde vriend toesprak, dan zou de mindere
nogtans wel ernstige bedenking maken, zich in zijn antwoord van dezelfde benaming te bedienen. En hier betreft het den Heer der heerlijkheid, den zoon van God!’
Men houde ons deze uitweiding ten goede, terwijl wij voor het overige wenschen, dat het begonnen Werk met zorg voortgezet, door velen gebruikt worde, en een uitgebreid nut stichten moge.
B.
‘Dan, er is één ding, hetwelk ik niet begrijp: dat onze Vaderlandsche tijdschriften ten opzigte van de romans, meestal met eene onverschoonlijke zachtmoedigheid, den schepter der kritiek voeren, en zich vergenoegen, in de beoordeeling van zulk een boek, met een aantal bladzijden op te vullen door het verhaal der avonturen, en dan ten slotte er nog iets letterlijk uit overnemen, om de gewaande nuttigheid aan te toonen, in plaats van hetzelve streng op den regterstoel der aesthetica te regten.
Weiland.
Wij niet aldus, mijn Lezer! - maar wat zullen wij zeggen van een verhaal, dat ons bij elke bladzijde den wensch deed uiten: ‘Ach! had de Schrijver zich toch nimmer aan de schaduw der onbekendheid onttrokken!’ Wilt gij de redenen kennen waarom? Sla het boek open, in hetwelk eener hofdame de taal van eene vischteef (bl. 20 en volg.) wordt in den mond gelegd; waarin hoffestijnen als drinkgelagen worden geteekend (bl. 24); waarin men een' regerend Vorst zijne Excellentie heet (bl. 60); waar een behoeftig handwerksman, zeer naïf, zijne vrouw mijne waardste noemt (bl. 34); waar men een edelmeisje, uit den eersten stand, aan eenen jongeling, dien zij vermoedt dat haar bemint, eene eenzame avondwandeling laat voorslaan, en zachtkens de hand doet drukken, waardoor deze, zeer natuurlijk! zwelgde aan hare zijde in genot, (bl. 37); waarin men verder van eenen adellijken Baron leest, dat hij, na NB. eenigen tijd in de residentie vertoefd te hebben, in de Opera komende, betooverd werd, omdat hij nog nimmer eene zoodanige Vergadering had bijgewoond (bl. 64); waarin men eene ontmoeting geschetst vindt, die beter in een bordeel, dan in de kamer eener algemeen toegejuichte zangeres te plaatsen ware, maar nimmer in een Nederduitsch boek behoorde te zijn opgenomen (bl. 74 en volg.); waarin men eindelijk geheele afdeelingen of hoofdstukken, (zoo als bij v. No. 20) vindt, die men er uit kan ligten, zonder dat zulks in het minste den lezer blijkbaar zijn zal. - Is het eene zitting op den regterstoel
der aesthetica waard? Neen, door gebrek aan intrigue, door flaauwheid van stijl, door gemis van ontknooping en karakterloosheid van spelers, kan het slechts ter proeve strekken, hoe men Romantische verhalen niet schrijven moet; geloofde de Heer Seyhe, dat wij daaraan behoefte hadden?
Het steendrukplaatje, tegenover den titel, getuigt van het talent van den Heer N. Pieneman, dat echter niet tot aanbeveling van zulk een prulschrift dienen moest!
Eene vrijer navolging van Campbell's Pleasures of Hope, in een ander metrum, (b.v. in goede, gespierde en afwisselende Alexandrijnen) ware misschien gelukkiger geweest, dan de hier aangekondigde, die er wel eenigzins stijf en streng uitziet. Het oorspronkelijke is evenwel, met veel kunstvaardigheid, over het geheel goed, en hier en daar uitmuntend overgebragt, en men zal dit boeksken met genoegen lezen.
‘Das ganze Unheil entsteht daher, dass die poëtische Cultur in Deutschland sich so sehr verbreitet hat, dass niemand mehr einen schlechten Vers macht. Die jungen Dichter die mir ihre Werke senden, sind nicht geringer als ihre Vorgänger, und da sie nun jene so hoch gepriesen sehen, so begreifen sie nicht, warum man sie nicht auch prieset. Und doch darf man zu ihrer Aufmunterung nichts thun, eben weil es solcher Talente jetzt zu hunderten giebt, und man das Ueberflüssige nicht befördern soll, während noch so viel Nützliches zu thun ist.’
Göthe.
Door het overnemen dier woorden van den grooten Duitschen Dichter en Criticus, verklaren wij te gelijk, waarom ons publiek tegenwoordig zoo vele dichtbundels slechts met laauwheid ontvangt, waarom wij van deze Poëtische verscheidenheden noch veel goeds, noch veel kwaads weten te zeggen. De zanger derzelve, wiens Oostersche Liederen ons meer dan alledaagsche verwachting van hem inboezemden, worde niet toornig over ons vonnis, maar wreke zich, regt dichterlijk, door ons iets uitmuntends te schenken, - wij zullen de eersten zijn hem toe te juichen: n'est pas humoriste qui veut.
V.
Indien dergelijke geschriften in ons Land gelezen werden, geloof ik, dat het boekje veel nuts zou kunnen stichten. Thans is het een vox clamans. Men vergete niet dat de toonkunst, in hoogeren en dieperen zin, nog altijd niet tot het wezen onzes volks behoort; dat dezelve voor de groote menigte niets meer dan uitspanning is en blijven zal. Onze muzijkonderwijzers bovendien - ‘j'excepte les exceptions,’ zeide mijn schoolmeester - zijn zoo weinig gewoon zich met de regelen hunner kunst bezig te houden, dat zij in alles uitmunten, behalve in lesgeven, en reeds de inleiding van dit beredeneerd stelsel te beredeneerd zullen vinden.
Ik weet wel, dat volkstoon en volksgezang ten onzent vaak tot de vervelendste en oorverscheurendste van alle toonen behooren; doch zoo gij wilt, dat het vogeltje de wijs zal leeren, die gij begeert, zult ge met een kanarieorgeltje verder komen, dan met een' waldhoorn.
Wanneer men volksboeken over muzijk in ons Land wil schrijven, neme men een voorbeeld aan Het Kaartspelen gemakkelijk gemaakt of dergelijke.
Ik wil met dit alles de waarde van het Werkje, en der vertaling door den Heer De Seyff niet in het minst te kort gedaan hebben. Veel meer meen ik het elk te moeten aanbevelen, die iets meer dan voorbijgaand belang in de bevordering der toonkunst ten onzent stelt.
In waarheid, ik behoor niet tot de Romantische school, zóó weinig zelfs, dat ik gaarne de schrijver van zeker Gesprek op den Drachenfels zou willen zijn. Maar toch ben ik genoodzaakt te bekennen, dat er eenig leven in hare voortbrengselen is. Het moge dan een ziekelijk, overdreven, monsterachtig, verterend leven zijn, het is iets meer dan de ledeman, dien de middelmatigen der andere partij ons als kunstgewrocht voor oogen stellen.
Wanneer ik in hunne dramatische galerij rondwandel, verbeeld ik mij vaak in een groot wassen-beeldenspel te zijn, en ik kan een' kleinen grimlach niet onderdrukken, wanneer ik de pop, die gisteren Napoleon had voorgesteld, heden, met karabijn en rooden vederenhoed uitgedost, in Fra Diavolo herschapen zie, om morgen misschien als Prinses Victoria opgeschikt te worden.
Geef ons menschen bid ik u, Heeren Treur-, Tooneel- en Blijspel-schrijvers!
Tolstoi. Peter. Bleijer.
(Tolstoi, Russisch Staatsdienaar. Peter de Groote, Czaar van Rusland. Bleijer, Oostenrijksch Gezant bij het Russische Hof; door Tolstoi beschuldigd, door Peter verdacht, onderstand verleend te hebben aan de zamenzwering van Alexei, Peters zoon.)
De Heer, J. de Wal beklaagt zich in zijne voorrede over de harde kritiek, welke sommige der nieuwste dramatische voortbrengselen ondervonden. Wij geven de bovenstaande aanhaling zonder
paraphrase, zonder uitleggende aanmerkingen. Zoude hij zich over ons te beklagen hebben?
H.
Wijt het aan geene onverschilligheid jegens de studerende jongelingschap der hoofdstad, mijn Lezer! dat wij dezen zesden jaargang van hunnen Almanak zoo laat beoordeelen; een Tijdschrift, als het onze, stelt uit zijnen aard een hoog belang in onze toekomstige Geleerden en Letterkundigen, in het dichterlijkst gedeelte des volks. Het was ons plan het Amsterdamsche Jaarboekjen met die der onderscheiden Hoogescholen onzes Vaderlands te vergelijken; - de Redactiën der overige hebben ons van die taak genadig verschoond; haar verzuim zoude echter geene verontschuldiging voor het onze zijn.
Er is nóg iets. Een Studenten-Almanak vereischt zoo min eene spoedige aankondiging, als eene scherpe beoordeeling; hij heeft zijne koopers gevonden eer de eerste gedrukt is; waartoe zoude de tweede dienen, daar elk der medewerkers zijne papieren-kinderen als vondelingen de wereld inzendt? Wij zijn verre van dit af te keuren; er is menig stukje in dit bundeltje, dat de steller binnen weinige jaren niet meer voor een voortbrengsel zijner pen erkennen zal; wij lazen er geen in, dat ons eenen grooten Meester beloofde.
De hulde van den Heer J.a. Jolles, aan den veelbelovenden C.W.R. Scholten Jrz., is hartelijk gesteld; wij kunnen haar echter nieuw noch fraai noemen. Proeven van vertalingen van Horatius, als die, welke wij op bl. 89 vinden, 2de Boek 14de Ode, moesten in geenen Almanak van studerende jonge lieden worden opgenomen; het heerlijk oorspronkelijke, dat slechts 28 regels in Alcaïsche maat telt, is hier in 38 Trochaeën verlengd terug gegeven; men oordeele:
Der Schiffbruch is akelig genoeg; - aan de Lente is een lied aan de lente, och, ja! - de Klagt van Moschus Jr., over den dood van Minerva, (het Tijdschrift van het Amst. Athenaeum) scheen ons niet onaardig.
Wij raden der Redactie echter aan, in een' volgenden jaargang keuriger te zijn in het opnemen van verzen, en eenige bladzijden meer aan hare rubriek Losse Gedachten toe te wijden. Onder deze zijn er regt geestige; men oordeele:
De uitmuntend gelijkende beeldtenis van Prof. F. van der Breggen, Cornelisz., en Z.H.G. facsimilé prijken vóór het boeksken; de Schilder of de Graveur heeft echter eene uitdrukking van verbazing aan het gelaat gegeven, welke ons verbaast.
‘Het strekke slechts tot rigtsnoer voor dezulken, welke, bij genoegzame wiskundige kennis, nimmer het regtlijnig teekenen beoefend hebben, en zoo gaarne de jeugd in deze kunst willen onderrigten, luidt de voorrede; - het is dus eene schets voor toekomstige Meesters! Maar is voor deze de Handleiding tot het Meetkunstig Teekenen van Prof. De gelder te uitvoerig of te kostbaar? Wij zijn bang voor onderwijzers, die uit korte schetsen meesters werden; en echter heeft het boekje misschien een goed debiet: - waarom?