De inhouds-opgave, door den Hoogleeraar zelven vóóraan in dezen bundel geplaatst, moet deszelfs titel verklaren. Zij is deze: I. De Goddelijke voorzienigheid waakt voor het welzijn der menschen. Tekst I. Kon. XVII:1-6. II. Het heilzame der beproevingen. Tekst I. Kon. XVII:7-16. III. De godsdienst noodzakelijk in de huisgezinnen. Tekst I. Kon. XVII:17-24. IV. De eenheid der godsvrucht. Tekst I. Kon. XVIII:21. V. God is liefde. Tekst I. Kon. XIX:9-13. VI. Na dapperen strijd op de aarde volgt heerlijke zegepraal in den Hemel. Tekst II. Kon. II:1-12. VII. Jezus meer dan Elia. Tekst Luc. IX:52-56.
Wij zien dus hieruit, dat de hoofdbedoeling van den prediker niet geweest is, Elia in zijn karakter en zijne werkzaamheid voor te stellen, maar wat er uit de geschiedenis van den profeet omtrent God en zijne dienst te leeren is, te ontwikkelen. Niet de persoon, maar de leering van het Bijbelsch Geschiedverhaal, is hier de hoofdzaak. Zoo ligt dan ook de zamenhang dezer leerredenen niet in het onderwerp, maar in den tekst. Wij merken dit aan, opdat de Lezer wete, wat hij bepaaldelijk in dezen bundel te zoeken heeft. De titel is minder juist, zoo ook de zinspreuk van den geheelen bundel: ‘indien het verbond, dat te niete gedaan zou worden, in heerlijkheid was; veel meer is datgene, dat blijft, in heerlijkheid.’ Wel vindt de verstandige in iedere Leerrede wenken, die deze uitspraak van Paulus verklaren; maar alleen de laatste heeft de bepaalde strekking, haar in het licht te stellen. Evenmin houde men de opschriften der vier eerste Leerredenen voor de juist bepaalde uitdrukking van derzelver inhoud. Zelfs van de vijfde, anders in alle opzigten voortreffelijk, is het onderwerp te onbepaald aangegeven door het opschrift: God is liefde; beter is het in de Leerrede zelve bij herhaling dus uitgedrukt: ‘God kan door Zijne magt zich geducht, maar verkiest door Zijne liefde zich beminnelijk te maken.’
Eene verstandige, mannelijke, werkzame Godsvrucht en den
geest van het Evangelie te bevorderen, is de strekking van alles, wat hier voorkomt. De toon is die van vriendelijken ernst, welke den zwakken, zondigen mensch niet vleit, maar ook niet hard veroordeelt; hem evenmin het gezigt van zijne afhankelijkheid, behoefte en schuld, als van zijne vrijmoedige hope in J.C. onthoudt. De toon dus van het Evangelie. Het Christendom, dat hier gepredikt wordt, is niet eene leer, maar de bezielende verschijning van eenen persoon, van eenen Middelaar Gods en der menschen, wiens beeld in het Evangelie, wiens geest in het hart der zijnen, die zelf in den Hemel leeft. Dus het Christendom van het Evangelie. De behandeling kenmerkt zich door die orde, duidelijkheid en veelzijdigheid van beschouwing, welke toonen, dat de prediker zijn onderwerp geheel meester is. De voorstelling der geschiedenis boeit de aandacht, wekt belangstelling, en doet ongezocht uitkomen wat verder het onderwerp der overdenking wordt. De teekening is altijd krachtig, dikwijls levendig tot aanschouwelijkheid toe, soms treffend door eenen fijnen trek en gelukkige wending. Diep in het leven brengt de toepassing niet, maar blijft toch ook geenszins over de oppervlakte zweven. Zij licht voor en leidt op den weg, om met eigen nadenken dieper door te dringen. Het karakter van den stijl is waardigheid en kalmte. De laatste is wel niet zonder gloed; maar toch wat meerdere afwisseling, verheffing en voortgaande opklimming onderscheiden de vijfde en zesde Leerrede gunstig boven de overige. Het is alsof het onderwerp den prediker geweld moet aandoen, om uit zijne gelijkmatige kalmte tot eene meer levendige voorstelling te worden opgevoerd. Wij raden daarom niet aan, deze Leerredenen kort achter elkander te lezen. Dán zou eene zekere eentoonigheid aan den indruk kunnen schaden. Maar evenzeer bevelen wij eene herhaalde lezing met eigen nadenken aan. Dit zij met nadruk van de laatste Leerrede gezegd, die in eene vergelijking van den handhaver des O. Verbonds met den Grondlegger van het N., hoogst belangrijke opmerkingen mededeelt omtrent het kenmerkend onderscheid tusschen de oude en nieuwe bedeeling. Een onderwerp, dat tot het innerlijke wezen van het Christendom behoort; waaromtrent onder de Christenen nog zulke jammerlijk verwarde denkbeelden heerschen; dat door vele predikers en Godgeleerden, vooral buiten ons Vaderland, in dienst van hun Theologisch Systeem zoo geheel eenzijdig wordt voorgesteld; en waarvan eene verlichte, grondige en bezadigde ontwikkeling voor ongeleerden, meer uitgewerkt dan deze Leerrede ze geven kon, ook onder ons eene behoefte van den tijd mag heeten, om menigeen' de oogen te openen, dat hij niet de letter der wet boven den geest des Evangelies verkieze.
R.
T.