De Heer Van Blanken, vroeger reeds door eenigen wiskundigen arbeid bekend, had voor eenigen tijd aan zijnen vriend T...., onderwijzer te Amsterdam, brieven over natuurkundige onderwerpen geschreven. De Heer T. meende, dat de inhoud ook voor anderen belangrijk zijn kon, en dit gevoelen was den Heer Van Blanken voldoende, om zijn Werk, zoo als het dáár lag, aan de drukpers over te geven. Wij ontvangen hier dan, onder den naam van Beschouwingen, in 158 bladzijden, zes brieven over zeer verschillende onderwerpen. De eerste handelt over de theorie van het licht, die in den tweeden meer bijzonder op de verklaring van den regenboog wordt toegepast. In den derden brief wordt de leer der warmte ontwikkeld; in den vierden de warmte van onzen aardbol en eenige, daarmede in betrekking staande, verschijnselen beschouwd; - de vijfde spreekt over vulcanen en aardbevingen, terwijl eindelijk in denzelfden de waarschijnlijkheid van het gevoelen onderzocht wordt, dat aan de Aerolithen eenen Lunarischen oorsprong toekent.
Deze brieven zijn, over het geheel, wèl geschreven, en het verwondert ons niet, dat de Heer T. ze met genoegen gelezen heeft. Of dit echter genoegzaam ware, om de uitgave te wettigen, zouden wij betwijfelen. Een' goeden brief aan een' vriend te schrijven en als schrijver op te treden voor het publiek, zijn geheel verschillende zaken. Als men een' brief schrijft, schikt men zich naar den smaak en de bekwaamheden van zijn' vriend; men schrijft, zoo als de pen het opgeeft, nu eens wat meer, dan wat minder uitvoerig, en als men geen' lust meer tot schrijven gevoelt, maakt men er zich af met te zeggen, dat de brief al te lang is. Wie echter schrijft, om gedrukt en dus ook gelezen te worden, moet niet langer een bepaald persoon, maar ten minste eene bepaalde soort van lezers zich voorstellen; hij moet zich afvragen, niet slechts wat, maar ook bovenal voor wie hij te schrijven heeft. Wij gelooven niet, dat de Heer V.B. deze vraag zich gedaan heeft, toen hij tot de uitgave zijner brieven besloot. Een boek toch van wetenschappelijken inhoud kan slechts een tweeledig doel hebben: het moet dienen óf om de wetenschap uit te breiden, óf om ze te verspreiden. In het eerste geval schrijft men voor geleerden; hier komt alles op den inhoud aan. In het laatste geval is het óf voor leerlingen, óf voor lezers van den zoogenoemden beschaafden stand, en daarbij is ook de vorm een hoofd-
vereischte. Voor Natuurkundigen nu is het boek van den Heer V.b. niet; zij vinden hier niets, wat niet elders even goed, soms beter, gevonden wordt. Voor leerlingen dient het nog minder, daartoe ontbreekt de noodige orde, uitvoerigheid en volledigheid. En voor beschaafde lezers, - van deze kan men niet vergen, dat zij met wiskunstige formules, met differentialen en integralen zich bezig houden. Voor hen is het boek het minst van allen geschikt; daartoe wordt eene meer eenvoudige, levendige, populaire voordragt vereischt, zoo als die, waarvan Arago, in de nommers van het Annuaire, het modèl heeft gegeven.
Wat mag dan het oogmerk van den Heer V.B. met de uitgave zijner brieven geweest zijn? Was het welligt, om zich zelven, bij het publiek, als beoefenaar der Natuurkunde bekend te maken? Wij zouden het bijna gelooven. Het grootste gedeelte toch van dit boek kan tot niets anders dienen, dan om den lezer te doen zien, dat de Heer V.B. een Natuurkundige is. En inderdaad, hij schijnt de wetenschap, zoo als die uit boeken te leeren is, met ijver te beoefenen, en, bij de onderwerpen, die hij behandelt, ook met de nieuwste ontdekkingen, althans bij name, bekend te zijn. Zoo worden hier de proeven over de stralende warmte van Melloni, die over de interferentie der warmtestralen van Matteucci, die van Baden Powell over het afstootend vermogen der warmte en anderen vermeld. Tot de beste gedeelten van het boek rekenen wij die, waar over den regenboog en over de aantrekking der maan gehandeld wordt; de Heer V.B. toont, dat hij de wiskundige theorie dezer verschijnselen wèl begrepen heeft. Den schrijver dus mogen wij den lof niet onthouden van een vlijtig en naauwkeurig gebruik te hebben gemaakt van de hulpmiddelen, welke hem ten dienste stonden; - zijn boek echter, dat noch tot uitbreiding noch tot verspreiding der wetenschap, dient, dat noch voor natuurkundigen, noch voor leerlingen, noch voor beschaafde lezers bruikbaar is, mogen wij niet aanbevelen. Wij wenschen, dat de Heer V.B. den kostbaren tijd, die hem van zijne bezigheden overig blijft, in het vervolg meer tot eigene oefening, dan tot het uitgeven van nuttelooze boekjes besteden moge; misschien zal hij dan eenmaal in staat zijn iets beters en degelijks te leveren.
De volgende aanmerkingen mogen ten bewijze strekken, dat wij deze brieven met eenige aandacht gelezen hebben.
Bl. 33. De thermometer van Drebbel schijnt anders zamengesteld geweest te zijn, dan hier door den Heer V.B. wordt opgegeven.

Het was eene omgebogen glazen buis, die bij B in het water dompelde en waarvan de bol bij A verwarmd werd. De
lucht zich uitzettende ontweek, door het water, bij B, en als nu het vuur, bij A, werd weggenomen, rees de vloeistof in de buis, en wel des te hooger, naarmate de bol sterker was verwarmd geworden. Op die wijze althans wordt de toestel beschreven in eene Latijnsche overzetting der Werken van Drebbel, die in 1628 te Genève het licht zag. Zie hier, wat er staat: ‘Id oculis et manu palpabimus, si cornutae vacuae ore frigidae aquae imposito, ventrem igni superposueris, actutum videbis, ubi primulum calefactum fuerit vitri corpus, egressuros ore illius, non sine strepitu, flatus, qui in bullas concitabunt aquam idque eo impensius, quo aer incaluerit magis; remoto ab igne vitro, cum aer frigescet, mox in se coïbit crassiorque fiet et proinde minor vitrumque aqua opplebitur illa sui parte, quam antea aer calefactus et expansus occupaverat.’ -
De thermometers door de Academici del limento te Florence vervaardigd, waren niet zoo geheel ongeschikt, om de betrekkelijke warmte op verschillende plaatsen aan te wijzen. Deze werktuigen waren met de meeste zorg vervaardigd en, hoewel zij geene vaste punten hadden, wezen allen, bij gelijke temperatuur, hetzelfde getal graden aan. Zij waren dus onderling vergelijkbaar.
Bl. 35. De Schrijver bedient zich uitsluitend van de graden van den thermometer Fahrenheit; hij had beter gedaan, in een boek als dit, de honderddeelige schaal te gebruiken.
Bl. 37. Op de verzekering, dat de pyrometer van Wedgewood zoo bijzonder geschikt is, om hooge temperaturen te meten, valt nog al wat af te dingen. De meesten, die dit werktuig gebruikt hebben, verklaren het tegendeel.
Bl. 41. Tot bepaling der temperatuur, waarbij het water zijn maximum van digtheid heeft, gebruikt V.B. de oudere proeven van Hällström, die 4o 1 C vond. Later heeft dezelfde Hällström dit onderwerp op nieuw behandeld; door verbinding van zijne vroegere en latere waarnemingen met die van Muncke en Stampfer, vindt hij voor die temp. 3o 9 ± 0o 04 C. De temperatuur van 3o 9 C of 39o F moet dus, in den tegenwoordigen staat der wetenschap, als de naauwkeurigste bepaling voor dit maximum van digtheid beschouwd worden, (vergel. Poggendorfs Annalen 1835. I bl. 220-245).
Bl. 82. Bij de waarnemingen over de toenemende temperatuur op grootere diepten wordt geene melding gemaakt van den arbeid van De la Rive en Marcet, in het boorgat van een' Artesischen put, in de nabijheid van Genève. Dit is een groot verzuim; want de waarnemingen van deze beide natuurkundigen zijn, onzes inziens, de beste, die er immer over dit onderwerp gedaan zijn; bij geene anderen hebben zoo vele gunstige omstandigheden
met zoo veel geschiktheid van werktuigen en waarnemers zich vereenigd; zij vonden voor elke 100 voet diepte eene vermeerdering in temperatuur van 1o 09 C. Men vindt een uitvoerig verslag van dien arbeid in de Bibl. Univ. Mai 1834. pag. 30-55.
Bl. 120. Wordt over den Atmosphaerischen, Cosmischen en Lunarischen oorsprong der Aerolithen gesproken. Dat het aantal dier steenmassa's zoo aanzienlijk is, zou, onzes inziens, eer vóór, dan tegen hunne Cosmische afkomst pleiten.
Bl. 130. Toen Galilei de wet der vallende ligchamen ontdekte, omstreeks 1590, was hij geen student, maar Hoogleeraar te Pisa; hij was toen 26 jaren oud.
Verdere aanmerkingen maken wij niet. Druk en papier zijn goed.