Indien eenige Poëzij ter wereld, de Hollandsche is rijk aan Dichtstukken, die niet beginnen met het begin, had ik bijna gezegd, in welke wijsgeerige onderwerpen worden bezongen, en die, om de slaperige toehoorders zulker berijmde verhandelingen op de regte hoogte te brengen, eene lange inleiding behoeven; een niets om tot iets te komen, zoo als de geestige Schrijver der Redevoering over de Stokpaarden(2) deze noemt. De Heer van den Wildenborch, die, voor zoo ver ik weet, nooit met zijne papieren kinderen naar de hoofdstad reisde, om er die, in hetzelfde wintersaizoen, in vier of vijf onderscheiden Maatschappijen te laten zien; die dezelve, zoo als zijn Emma van Oud-Haarlem, voor een lief meisje schrijft, of zich, zoo als bij de Vampyr, de Schat, of het Mystieke Testament, een klein, maar beschaafd gehoor voorstelt, begint naar zijn humor hem stemt. Zie hier ten bewijze den aanhef der Verloofden:
Gelooft gij, dat een der gasten op den Huize de Wildenborch, toen hun dit stuk werd voorgedragen, opstond? Wij moeten het, helaas! maar zouden onregtvaardig zijn, indien wij u niet opmerkzaam maakten, hoe verrassend, na het echt luimig verhaal der liefde van Boudewijn en Suze, de aandoenlijke toon is, in welken de kluis beschreven wordt, waarheen hun de wandeling werd ontzegd:
De terugkomst van Boudewijn herinnert onwillekeurig aan eene bekende en fraaije plaats uit das Lied von die Glocke; de onderscheiden behandeling schetst het onderscheiden genie van Staring en Schiller. Het vergelijken zulker trekken heeft voor ons iets uitlokkends; maar gij zelf kunt het dezen met dien des Duitschen Zangers doen. Veelligt echter hebt gij geenen Rabelais ter hand; wij dachten aan het versje, door dezen vóór la Vie de Gargantua geplaatst, bij het slot van dit stukje, waar Staring het vrolijk einde zijner vertelling motiveert, met de regelen:
Hoor nu den schrijver van la Vie de Pantagruel:
Ik zoude die woorden tot motto hebben gekozen, indien het der overdreven kieschheid onzer dagen ware ingevallen, zich te ergeren aan het behandelen van onderwerpen als de meesterlijk geversifiëerde Vangst van Mulciber(1), de Verschalking van Wop(2), en het Toebijten van Francesca(3). Zoo lang zij zich echter voor een talent als dat van den Heer Staring inschikkelijk toont, - aan een minder geestig penseel dan het zijne, blijve het schetsen zulker tooneelen verboden! - behoude ik mijne, met proeven uit onze oude schrijvers gestaafde, Verhandeling over het verband tusschen het verval der Zeden en het verbloemen der Driften en portefeuille.
Met de beschouwing van twee keurige Vrouwenportretten wil ik mijne te lange aankondiging besluiten: de eerste schoone, gij herinnert u haar uit de Verjongings-Cuur, is Annet, de geestige coquette. Al zullen mijne Lezeressen van mij zeggen, dat
het mij als alle mannen gaat, die coquetten verfoeijen en zich toch door coquetten laten wegslepen; het mag mij niet van het hart, haar met stilzwijgen voorbij te gaan.
La voici!
Hoe vlug geteekend!
Romanschrijvers onzer dagen! wat ik u bidden mag, laat het uw lust worden Staring te bestuderen; gij vermoedt niet half, welk eene mijn er voor u in zijne verzen schuilt!
Uw portret, mijn Lezer?
Het zij geene doove gepredikt, schoone Lezeres!
Zie hier de andere beeldtenis; zij is in de schaduw geschilderd: maar hoe beminnelijk! Ik ligt haar uit een groot schilderij: Jaromir gewroken geheeten, dat in dezen bundel voor het eerst wordt ten toon gesteld, den cyclus van Jaromir voltooit en eene bijzondere studie zoude verdienen, indien ik niet al mijne ruimte gebruikt had.
Zonderling genoeg moet ik beginnen met u zijne helsche Majesteit voor te stellen, die
Gij herinnert u de Klokken, en begrijpt, dat Sjeur Tenterkwaad slechts incognito reist!
Wat voert Asmodeus er uit?
De lieve, die ik u wil doen bewonderen, of, zoo als de Heer Staring zegt:
Welke heerlijke verzen zijn de volgende, hoe aardig is de humoristische trek der Bataafsch-blonde Hillegonda - hoe schilderachtig de vlugheid der jeugdige Non beschreven!
Er was een tijd, waarin Hollandsche Vertellers, al wat natuurlijk is, natuurlijk wisten voor te dragen; de Heer Staring is van hun geslacht:
Hoe komisch - tragisch! - als ware de regel uit een onzer laatste treurspelen overgeschreven:
De zonde brengt ons in de magt des duivels, Lezer!
Starings Booze is een geestig kweller!
En nu die meesterlijk geschetste, bezeten Kapellaan!
Lezer en Lezeres! u zij de lofspraak, de verdiensten van den Heer van den Wildenborch waardig, overgelaten; wij voor ons zien de volgende deeltjes met ongeduld te gemoet, en hebben u aan het einde onzer lange recensie een verheugend berigt mede te deelen: Starings proza is ter perse!
Amst., 4 April 1837.