Wij haasten ons, een boek aan te kondigen, welks verschijning een' hoogst aangenamen indruk op ons gemaakt heeft, niet alleen door den inhoud, maar vooral door den geest der onderneming. Onze Universiteiten hebben in de laatste jaren een aantal letterkundigen opgeleverd, wier Academische Dissertatiën van talent getuigden, die bekend geworden waren met de vernieuwde rigting der wetenschap, maar, aan de gymnasiën geplaatst - niet meer van zich hooren lieten. Het was bedroevend, en menig weldenkende zuchtte in stilte, wanneer hij opmerkte, dat die belangrijke en achtingswaardige stand, elders een groote steun der wetenschap, en soms tot overdrijving toe, werkzaam is. Men heeft dikwijls naar de oorzaak gezocht, en vrij aannemelijke redenen opgegeven, waarom het, in ons Vaderland, voor een jeugdigen philoloog moeijelijk is, om proeven van zijne voortgezette studiën te leveren, wanneer hij eenmaal in de orde der school-mannen getreden is: ‘de res uxoria, de bekrompenheid der bezoldiging, en daaruit voortvloeijende drukte der privaat-lessen, de ongemakkelijkheid van den Boekhandelaar, wanneer men hem iets wil laten drukken.’ Over het eerste bezwaar hebben wij niet veel anders te zeggen, dan dat het met het tweede in een naauw verband staat, en dat men het zich zelven te wijten heeft, wanneer men een slagtoffer van dit verband wordt; maar het wekt medelijden, omdat het eene vergeeflijke zonde is, en omdat het uitzigt op eene gewenschte verbetering der bezoldigingen nog niet helder is. Het derde bezwaar is moeijelijk weg te ruimen, en men mag het den boekhandelaar niet euvel afnemen, dat hij liefst geene schade lijdt. Een boek van philologischen inhoud heeft een beperkt lezend publiek. Het is goed of slecht: non datur tertium, want het middelmatige komt in deze rekening bij het slechte: is het nu slecht, dan wordt het niet verkocht, noch hier noch elders; is het goed, dan wordt het elders nagedrukt, omdat onze boekprijzen tegen de Duitsche niet markten kunnen. Dus van alle kanten bezwaren; maar het is ook niet noodig, dat iedereen lijvige boekdeelen schrijve: eene enkele observatie, welke nieuw is, kan even goed bewijzen, dat men voortwerkt, en zij sticht somtijds meer nut, dan de walgelijke naschrijverij, die aan de verstandigen zelve bij onze naburen in het oog begint te loopen, en afgekeurd wordt. Het werd dus wenschelijk, dat de Heeren Literatoren, die aan de Latijnsche scholen werkzaam
zijn, zich vereenigden en gezamenlijk bijdroegen tot eene reeks van bundels, waarin zij hunne opmerkingen over geleerdheid en onderwijs mededeelden.
De Symbolae Literariae, welke wij aankondigen, beginnen dien wensch te vervullen. De voorrede, onderteekend door de Heeren A.G. van Capelle, P. Epkema en J.J. Koning, geeft eenig verslag van de conceptie, en van de moeijelijke geboorte dezer eerste verzameling. Het ontwerp werd in 1829 door wijlen den Heer Zillesen gemaakt, die een sodalitium tot stand wilde brengen. Ongeveer vijftig Heeren Geleerden hielden eene bijeenkomst te Utrecht. Vele plannen werden er geopperd: het plan eener gezamenlijke uitgave van geleerde dingen ging door. Daarop volgden de dood van Zillesen en de Belgische onlusten, en het was geen wonder, dat, bij zoo vele andere zaken, ook deze in de war geraakte en hare zeven magere jaren doorstaan moest.
Met regt staat er in de voorrede, dat een Onderwijzer, bij het interpreteren der oude schrijvers voor zijne leerlingen, dikwijls moeijelijkheden ontmoet, tot dieper onderzoek aanleiding vindt, en ten slotte eene opmerking maakt, die nieuw en van belang voor de wetenschap is. Eene keuze uit dergelijke bijdragen zal de eerste rubriek der symbolae uitmaken. Eene tweede zal de prolusiones of orationes bevatten, die bij feestelijke gelegenheden door de Heeren Onderwijzers gehouden zijn en verdienen bekend te worden. Eene derde rubriek is bestemd voor beoordeelingen van philologische of paedagogische geschriften, met onderteekening. Bij deze gelegenheid laten de Voorredenaars zich in weinig woorden uit over de dikwijls behandelde vraag, of beoordeelingen moeten onderteekend worden? Valde enim improbamus eorum agendi rationem, qui tenebris occulti, velut ex insidiis, sagittas veneno tinctas emittunt. Een venijnige pijl is een leelijk ding, al wordt die ook in het volle daglicht geschoten. Quin et eos, qui neque invidia neque odio ducti, suppresso suo nomine, alios corrigere tentent, plerumque frustra agere credimus, et nonnumquam plus damni quam emolumenti bonis artibus afferre. Maar hiermede is het vraagstuk nog niet afgehandeld. Wanneer iemand heeft laten drukken: ego sum hominem, is het dan volstrekt noodig, dat hij, die de fout aanwijst, zijn' naam opgeve? De onderteekening is betrekkelijk goed of kwaad, en hare noodzakelijkheid hangt af van de gehalte en deugdelijkheid der beoordeeling. Wij voor ons gelooven, dat vele recensiën van onbekende hand goed gedaan hebben, en haar doel zouden gemist hebben, indien de naamteekening aanleiding gegeven had tot den uitroep: zoo! komt het uit dien hoek? Voorts heeft men niet aan gunstige en grondige beoordeelingen gedacht, waarover hij, wien het geldt, altijd te-
vreden is, en zoo hij de hand in zijn' boezem steekt, bekennen moet, dat het anonyme der recensie hem welgevallig is: wie weet, of de onderteekening ten minste bij het publiek den gunstigen indruk niet zou verhinderd hebben! - Wij zullen dit verslag niet onderteekenen, alleen omdat het slechts de zaak geldt, en omdat wij hopen, dat onze onbepaalde goedkeuring van hunne onderneming aan de Heeren schrijvers niet onaangenaam wezen zal. Eindelijk zullen in eene vierde rubriek verhandelingen of bijdragen, in de moedertaal geschreven, opgenomen worden.
De Voorrede eindigt met een zedig en innemend verzoek om de toegevendheid der lezers. Men had het slot kunnen weglaten: Id autem rogamus, petimus, poscimus, ut huic opusculo si quid boni inest, nequis nostram qualemcumque gloriam detrectet. De benijders, zoo er zijn, zullen door dit dringend verzoek niet bekeerd worden.
Wij zullen een kort verslag laten volgen van de stukken, die in dezen bundel opgenomen zijn:
II. p. 1-14. Prolusio scholastica van den Heer J.G. Elink Sterk, Zij handelt over het onvoldoende van aanleg of geleerdheid op zich zelve, en over de noodzakelijke vereeniging van beide. In het betoog is zeer veel gang; de voordragt is levendig, en de latiniteit uitmuntend.
II. p. 15-22. Prolusio scholastica van den Heer A.G. van Cappelle, in memoriam viri doct. G.J. Zillesen, eene warme lofrede, die het hart van den Schrijver eer aandoet.
III. p. 23-32. Hetzelfde geldt van de Prolusio van den Heer C.H. Thiebout in memoriam Jani ter Pelkwijk.
IV. p. 33-64. Ev. Waardenburg, Oratio de veterum literarum studio ad vim imaginandi recto iudicio temperandam imprimis accommodato. Er zijn nuttige, hoewel niet nieuwe opmerkingen in dit wèl geschreven stuk. De stelling is eene waarheid, en zij verdiende een strenger betoog, dan wij in het opstel van den Heer Waardenburg vinden. Hij heeft al te veel op de onderwerpen der oude schrijvers aangehouden, en niet genoeg getoond, dat het eigenlijke heil van het temperamentum eener wilde en ongeregelde verbeeldingskracht in de strenge studie ligt, en in de methode, welke de beoefening der Ouden vordert.
V. p. 67-85, Beoordeeling der Dissertatie van den Heer A. de Jongh, de Herodoti Philosophia. De recensie laat zich met even veel genoegen lezen als de Dissertatie zelve. Het hapert welligt aan ons, dat dergelijke onderwerpen ons niet bevallen willen, en dat wij evenmin behagen scheppen in de Philosophia Herodoti als b.v. in de facultas historica van Plato, of in de poëzij van Euclides. Er is geen schrijver of poëet, over wiens philosophie
men op die wijze geene verhandeling schrijven kon. Dat Herodotus een braaf man was, en zijne zedelijke beginselen dikwijls aan den dag gelegd heeft, lijdt geen' twijfel. Het onbestemde en pratende van dergelijke betoogen (men houde ons deze ketterij ten goede) is geenszins geschikt, om de juiste bepaling der wetenschap en harer onderdeelen in stand te houden: het zijn kunst-betoogen en onwetenschappelijke spelingen. Het vernuft of het enthusiasmus moge er voedsel in vinden in jeugdigen leeftijd; maar wie er in rijperen leeftijd aan vasthoudt, vergadert zich geen' blijvenden roem, of, wat meer is, verzwakt den grondslag der goede studiën.
VI. p. 85-86. Een kort verslag van den Heer Thiebout over de Dissertatie van den Heer P. van der Velden, de comitiis curiatis apud Romanos.
VII. p. 89-97. Observationes criticae in quosdam veterum locos, van den Heer P. Epkema. De Schrijver behandelt een paar plaatsen van Virgilius, eene van Propertius en eene van Tibullus. Het bestek van dit verslag gedoogt geene breede tegenspraak van zijne brave poging: wij noodigen haar uit, om het vers van Tibullus, IV. 1, 155, nog eens te overwegen: hij schijnt het denkbeeld van een bevroren flumen geheel uit die plaats te willen weg redeneren; maar de poëet zegt evenwel, dat er ijs was: waar kwam dat van daan zoo er geen water was? Wat de Dichter ook geschreven hebbe, hij heeft geweten, dat de oorsprong eener rivier niet bevriest, noch het water zoo lang het een bergstroom is: de voorstelling van den poëet is eenigzins onjuist; en waarom zou men dit aan de verbeeldingskracht niet toegeven?
VIII. p. 98-102. D.M. Chr. Gottl. Heynii parentavit H. Waardenburg. Deze Parentalia zijn van den jare 1811, en worden nu door den zoon van den waardigen overledene uitgegeven, met eene korte historische aanteekening. Het vers is zoetvloeijend en ademt eene hooge bewondering van den beroemden Heyne.
IX. p. 3-66. Nederduitsche Bijdragen. - Bedenkingen aangaande den tegenwoordigen toestand onzer Latijnsche scholen, door den Heer A.J.J. Bake. Een verstandig en met onpartijdigheid geschreven opstel. De Schrijver schijnt veel over het onderwerp nagedacht te hebben, en is tot de oorzaak van vele treurige verschijnselen doorgedrongen. Waar het de middelen betreft om de groote kwaal te genezen, vinden wij hem nog een weinig te wankelmoedig. Hij geeft eene vernuftige overdragtelijke voorstelling van den stand der zaken. ‘Het Latijnsche openbaar onderrigt is een vervallen, hier en daar opgelapt Gothisch gebouw, rondom hetwelk van tijd tot tijd moderne sierlijke gestichten opgerezen zijn.’ Ware de Schrijver nog iets verder gegaan! Het
éénige redmiddel (dit is onze overtuiging) is: eene herbouwing, En alles onder één dak, zóó, dat het gewezen Gothische gebouw een weinig boven de andere uitsteke. Wij bevelen hem de uitwerking van dit denkbeeld aan: hij wil er zelf heen, maar durft nog niet genoeg; hij is een dóór en dóór bekwaam man, en schrijft goed.
Dit verslag matigt zich geenszins het gezag eener diep overwogen beoordeeling aan. Wij herhalen het: de verschijning van dezen bundel is hoogst welkom. Wij roepen den Schrijveren met klem toe, dat zij in 's Hemels naam voortgaan: het zal hun steeds beter gelukken. Zouden er geen drie honderd weldenkenden in het Land zijn, geneigd om ieder een Exemplaar te koopen, en de kosten te helpen dekken?