Indien de Lezer verwacht, onder bovenstaanden eenigzins breedsprakigen titel iets anders te ontvangen dan fragmenten uit de Algemeene Geschiedenis, bedriegt hij zich. Alleen is de vorm, waaronder deze hier voorkomen, minder gewoon. Het boek begint namelijk met eene in hoogen toon gestemde inleiding, waarin het belang van de kennis der Geschiedenis wordt aangetoond. Hierop volgt de eerste afdeeling, getiteld: De grijze oudheid, waarin de godsdiensten der oude volkeren kortelijk worden behandeld. Het eigenlijk historisch gedeelte begint met de IIde afdeeling, die het opschrift van ‘De voortijd’ draagt; en deze voortijd wordt dan in drie tijdvakken verdeeld: het vroegste tijdvak, de middeleeuwen en het laatste tijdvak. Het Werk wordt besloten met een aanhangsel, later tijdvak genoemd, de geschiedenis der Fransche omwenteling bevattende. Men ziet, dat de houding van het Werk eenigzins vreemd en onzamenhangend (décousu) is. De Schrijver zegt er zelf van: ‘Het is geen Leerboek der geschiedenis en moet zulks ook niet zijn: - enkel de hoofdgebeurtenissen, de belangrijke, opzienbarende voorvallen uit de grijze oudheid, uit de groote ruimte van daaraan vervlogene tijden en uit het veelzijdig woelige leven van het tegenwoordige, zullen bier worden medegedeeld.’ Of dit nu gepast is bij des Autheur
doel, om menschen, die door andere bezigheden verhinderd worden zich in de geschiedenis te oefenen, ter hulp te komen, is minste aan twijfel onderhevig.
Doch wij leven in een' tijd van brokwerk. In plaats van de ons huivering wekkende quarto- en folio-uitgaven onzer vaderen, waarin de gansche omvang eener wetenschap werd behandeld en uiteengezet, zijn de octavoos en duodecimoos gekomen, en daarmede is met gelijken tred solide kennis en diepgaande geleerdheid tot eene acht- en twaalfdubbele vermindering terug gegaan. ‘Schetsen, tafereelen, trekken en groepen,’ ziedaar de geliefde titels onzer dagen: en dat zelfs in die vakken van letterkunde, welke volkstrekt zulk eene verminking niet dulden. Doch het is onbegonnen werk daarover de Autheurs aan te vallen, die, als de hoofden elker omwenteling, van het volk de wet ontvangen! zij kunnen immers, alleen door het involgen van den heerschenden smaak, voorkomen, dat de literatuur van smaak geheel en al alle Werken van ernstiger studie verdringe! Liever dus dan hem te beschuldigen, beklagen wij een' man van klassieke kunde als Petiscus, die zich door den geest des tijds genoodzaakt ziet, den deftigen erentfesten vorm der geschiedenis aan de ligtzinnigheid des publieks op te offeren, dat alleen op voorwaarde eener behagelijke voorstelling met streng-historische onderwerpen wil worden bezig gehouden.
Het is waar, de Heer Petiscus heeft dit zwakke punt van zijnen arbeid zoeken te bemantelen, door die brokstukken aan te kondigen als hoofdtrekken, in derzelver oorzaken, gevolgen en onderlinge betrekkingen geschetst: doch wie het Werk inziet overtuigt zich spoedig, dat de behandeling der verschillende gebeurtenissen te weinig doorgaand pragmatisch is, om dien titel te regtvaardigen.
Hoe dit zij, geroepen, om het Werk, zoo als het daar ligt, te beoordeelen, hebben wij het met genoegen doorloopen. Wat wij aanvankelijk dachten, dat de Schrijver ook aan eene andere zwakheid onzes tijds zou hebben toegegeven, namelijk om het algemeen aangenomen gezigtspunt, waaruit men tot nu toe gebeurtenissen en personen beschouwde, te laten varen, en een' tegenovergestelden weg van beoordeeling te volgen, waarbij in den laatsten tijd de gekroonde schurken van vroeger dagen uitmuntend gevaren hebben, bleek, tot onze voldoening, eene ijdele vrees geweest te zijn. Neen, de Autheur heeft zich tot dezen armhartigen kunstgreep, om nieuw te zijn, niet vernederd. Wij vinden bij hem de klassieke personaadjes weder, gelijk de Oudheid ons die heeft leeren kennen! boosheid heet geene wijze staatkunde, dwingelandij geene vorstelijke grootheid, vrijheidszucht geene re-
bellie. Hij heeft niet vergeten, dat een historieschrijver boven alles een eerlijk man moet zijn.
Wat nu de behandeling der onderwerpen door den Schrijver aangaat, zij verdient ruimen lof. Gelukkig in de keuze der belangrijkste punten, kort en kernachtig in de ontwikkeling er van, levendig in de teekening der gebeurtenissen, helder in de aanwijzing van oorzaken en gevolgen, onpartijdig in de beoordeeling van zaken en personen, heeft de Hoogleeraar allezins aan de vereischten van een' historischen stijl voldaan.
Wij hebben nogtans ééne groote grieve tegen hem, ten opzigte van het regt-duitsche gebrek van in den aanleg en bouw der volzinnen te wijdloopig te zijn. Hunne onbehoorlijke lengte maakt ze even gewrongen als duister. En hier rigten wij ons ruim zoo zeer tegen den vertaler als tegen den oorspronkelijken schrijver. Wij gelooven namelijk, dat het geen verraden van den stijl eens overzetters kan heeten, als hij de sesquipedalia verba van zijn' Autheur, door het loswikkelen en verdeelen der sententie, tot kleiner phrasen inkort. Wij ontveinzen ons de moeite van zulk eene onderneming niet, maar gelooven het belang der zaak groot genoeg, om de eerzucht van een kundig vertaler te prikkelen. Wij hadden den Heer Maronier die taak volkomen toevertrouwd.
Maar wat is lengte bij waterachtigheid, duisterheid bij bombast? En o, hoe de Duitscher aan deze gebreken mank gaat! Het is waar, dat het geschiedkundig gedeelte, trouwens zoo als uit den aard der zake volgt, minder aan dit euvel lijdt; maar leest daarentegen de inleiding en - risum teneatis Amici! Wilt gij er een enkel staaltje van? (bl. 8).
‘Even als uit de onmetelijke hoogten des Hemels, uit het onbegrensde rijk der Godheid, haar, een duurzaam leven inblazende, adem op ons geslacht afdaalde, zoo ook daalden van de door een rein licht in een' reinen ether bestraalde bergkruinen der voorwereld, uit de gezinnen der stamouders van het menschelijk geslacht, welke zich op die hoogten ter woon hadden nedergezet, de eerste overleveringen en mythen over de schepping, op hunne in de vlakten en valleijen zich immer verder uitbreidende afstammelingen neder en verspreidden zich met hen voort naar het Zuiden en Westen, naar het Oosten en Noorden enz.’ Want ik kan niet verder afschrijven. Begrijpt slechts, dat er nu een volzin begint, waarvan men eerst 36 regels later het punt vindt.
Dat nu de vertaler regt zou gehad hebben, ook zulke volzinnen te verwerken, zou ik op mijn gezag niet gaarne beweren. Evenwel er wordt aldus een weinigje te veel tegen den goeden
smaak gezondigd, om het ook ons onopgemerkt en zoetsappigjes in de hand te stoppen. Een kort uittreksel, waarin de quintessence van al dien hoogklinkenden onzin werd zamengevat, had welligt op eene gepaste wijze het gebrek van het oorspronkelijke verholpen.
Doch zoo de Heer Maronier (want wij zullen nu nog alleen één woord van de vertaling zeggen), zich in dit opzigt te trouw aan zijn origineel gehouden heeft, ten opzigte van de taal verdient hij den lof, eene waardige onafhankelijkheid te hebben gehandhaafd. Met schaarsche uitzonderingen is zijn stijl vrij van germanismen, en zoo vloeijend als zulks eene woordelijke vertaling van het Duitsch toeliet; voor enkele aanmerkingen aan den voet der bladzijden verdient hij dank. De correctie is goed door hem behartigd.
Het Werk is met eene tamelijk goede plaat en een' gegraveerden titel en vignet voorzien; over het algemeen verdienen druk en uitvoering lof.