De Gids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen. G.J.A. Beijerinck, Amsterdam 1837.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 161]

Mengelingen.

Vondel met Roskam en Rommelpot(1).

I.

Zoo wij een woord, dat wij afkeuren, onzes ondanks bezigen, en eene zekere strekking onzer Hollandsche letterkunde de jonge litteratuur noemen wilden, wij zouden haar grooten dank weten, dat zij het leven en de werken onzer voorouders door den glans der Poëzij had opgeluisterd. Sloten, die in puin vervallen lagen, hebben, door haren invloed, onze aandacht geboeid, en ofschoon onze oogen van der jeugd aan gewend waren, in de bouwkunst slechts het nuttige en noodige, op zijn hoogst het eenvoudige en deftige te zoeken, hebben wij die kasteelen schoon geprezen. Ofschoon het burgerlijke leven, gedurende meer dan drie eeuwen, bijna alle herinneringen van den riddertijd overstroomd en uitgewischt had, heeft zich echter onze verbeelding gekoesterd aan het verhaal der wapenfeiten onzer adellijke stamvaders, en ten gevalle der romanpoëzij zich ons boersch Holland als een paardenkweekend Argos voorgesteld. Zóó werd Schillers fraai gezegde bevestigd:

Was unsterblich in Gesang soll leben
Muss im Leben untergehn.

Ik verwijt onzen romanschrijvers en dichters hunne voorliefde voor den grafelijken tijd niet; ik begrijp, dat hunne verbeelding, als een edel ros, vrijer draven en sierlijker sprongen maken kan op een vlak en verlaten veld, dan dáár, waar deszelfs vaart door huizen en hoeken en slagboomen belemmerd wordt; maar men duide het den geboren' Amsterdammer niet euvel, zoo hij in hunne verhalen niet altoos het Holland, dat hij zich voorstelt, hervinden kan. Moge ook zijne wijze van zien even eenzijdig zijn als de hunne, toch deert het mij, dat geen onzer Romanciers hem genoegen gaf, en Hollands hoofdstad tot zijn tooneel koos. De partijen, door wier wrijving zich de geschiedenis der zeven Provinciën ontwikkelde; de krachten, waardoor Nederland zich

[p. 162]

tot eenen eersten rang onder de Staten van Europa verhief; de roersels, die overal den ijver voor Hollands dierbaarst kleinood, de vrijheid, levendig hielden, zijn daar binnen eene kleinere ruimte beperkt. Terwijl andere steden, zoo als Delft of Enkhuizen, langzamerhand haren ouden glans verloren, nam Amsterdam, als gelijken tred houdende met het geheele Vaderland, in magt en uitgebreidheid toe, sedert, alleen door den moed en de volharding zijner burgers, de Hervorming gevestigd was, welke Brederode en Sonoy vergeefs door adellijk gezag of geweld van wapenen hadden trachten te bewerken. Vader Bilderdijk moge de hoofdstad met schimp en blaam overladen hebben, de waarheid is zeldzaam aan de zijde der poëten; en moge hij al niet overal onregt hebben, de hevigheid zijner uitvallen kittelt den aan zijne stad gehechten Amsterdammer, als een bewijs, hoe fier deze eenmaal den meester speelde. Het gaat hem als den duivel in Grabbes kluchtspel:

Wernthal.

‘Gij zijt een vervloekte vrek, Mijnheer!

De Duivel (met eene hoffelijke buiging).

‘Al te veel eer! - gij maakt mij verlegen. Ik ben wel gaarne vervloekt; wel gaarne een vrek, razend gaarne een vrek; maar ik ben het niet, zoo als ik het wel wezen moest.

Onze redenering, zal men zeggen, heeft geen ander gebrek, dan dat zij vijftig jaren te oud is. Wij verheugen ons, dat die stad, welke weleer hare mededingsters op den nek trad, thans geenen anderen rang meer heeft, dan dien van de eerste onder haars gelijken te zijn. Die zelfgenoegzaamheid, waarin zij zich, als het ware, te rusten legde, terwijl alles om haar heen in rep en roer was, is in afhankelijkheid van het welzijn des gemeenen Vaderlands veranderd; de staatspartijen zijn, na in onze staatsomwenteling al hare woede te hebben uitgeput, tot zwijgen gebragt; de kerkelijke twisten, wier beslissing zoo onzeker was, naarmate de kruiwagen (om het oude woord van Schout Hendrik Dirksz te bezigen) andere regeerders op of van het kussen geholpen had, zijn geheel uit de wereld verbannen, of, wil men liever, de verhouding is zóó zeer omgekeerd, dat, hetgene in het begin der zeventiende eeuw de heerschende was, in onzen tijd de lijdende partij is geworden. Het maatschappelijk verkeer heeft zijne ruwheid verloren en zich gebogen onder de vormen der algemeene beschaving. Wie ons dit tegenwerpe, hij wete, dat wij ons evenzeer als hij in dien weldadigen ommekeer van zaken verheugen; maar hij vergunne ons, dat wij des te meer het gezegde tijdvak van Amsterdams opkomst onzen romanschrijvers aanbevelen, dewijl het - om Schillers woorden te gebruiken - im Leben untergegangen ist.

[p. 163]

Doch dit leven en woelen eener pas zelfstandige burgerij biedt minder dichterlijke zijden aan, dan de erfelijke veeden des adels en de tournooijen der ridderschap. - Ook dit beweerde trekken wij in twijfel, wanneer wij zien, dat de bloei onzer oude en onovertroffene dichters met dit tijdperk der ontwikkeling zamenvalt; wanneer wij juist dán het schouwtooneel schielijk tot eene hoogte zien verrijzen, waarop het later naauwelijks kon staande blijven; wanneer dezelfde geest van voortgang, die onze kooplieden tot de verbazendste ondernemingen aanzettede, voor de dichters geene herinneringen aan het verledene, maar eene toekomst voor den geest bragt, zoo als Hooft die in zijnen Geeraert van Velzen, Vondel in zijnen Gysbrecht van Aemstel schilderde. Ja dezelfde belangzieke, politieke strekking, indien men volstrekt dit harde woord wil, prikkelde den laatste tot het schrijven dier Hekeldichten, die wel door sommigen met hoon, als vruchten eener onbeschaafde eeuw, gelaakt, door anderen met spot herhaald, maar daarom niet minder, voor het meerendeel, door ervarene regters als kunststukken, den zanger van Lucifer waardig, geschat worden.

Want, dat deze hekeldichten door hunne ruwheid het kenmerk van den tijd dragen, dat zij beurtelings verheven of plat, nu eens den prozaïschen gang van briefstijl volgen, dan weder op de wieken der lyriek drijven, om later bijna tot straatpoëzij af te dalen, is nog geen bewijs, dat zij den naam van het hekeldicht ten onregte dragen. In geene andere soort van poëzij toch heeft de vorm ondragelijker dwang uitgeoefend. Want, al hadden de Romeinen het voorbeeld gegeven, om hunne schimpdichten van langeren adem in den vorm der satire te kleeden, daarom was het voorzeker geenszins voor de nieuwere volken eene wet geworden, hunne ontevredenheid over de zeden en de onheilen van den tijd in alexandrijnen lucht te geven, en juist zulk eenen stijl aan te nemen, waarbij alleen het opschrift van het gedicht laat beslissen, of men het onder de dichterlijke brieven of onder de zedelijke gispingen moet rangschikken. De Natuur voorzeker gaf zoodanigen vorm niet aan de hand, en wanneer de menschelijke dwaasheden eenen Heraclitus doen weenen, terwijl zij bij Democritus den lach opwekken, dan wordt ons daardoor, als met den vinger, aangewezen, dat vooral de vorm van het hekeldicht de vrijheid moet behouden, zich naar den toestand des dichters, naar den aard der gebeurtenissen, die zijne drift of misnoegdheid gaande maken, naar de bevatting des volks, waaronder hij zich bevindt, te rigten. Ik stel mij voor, dat de eerste oorlog, dien de menschen elkander in rijm en maat aandeden, een gevecht was van man tegen man, opgewekt door persoonlijke beleedigingen, of gekrenkte eigenliefde, waarbij ieder het wapen greep, dat in

[p. 164]

zijne hand het gevaarlijkste werktuig was(1). Toen echter later de regeling der maatschappij den invloed der individus had verminderd en de meeningen en begrippen van meerderen het gezag verkregen, dat vroeger enkele personen door het overwigt van hunnen geest of van hunne ligchaamskracht hadden ingenomen, toen ontstond de oorlog van beginselen; de dichters zochten de volksmassa's tegen hunne heeren in opstand te brengen; het was, zoo gij wilt, een bonte volksoploop, maar tevens een hartstogtelijke strijd, die vaak eene omwenteling ten gevolge had. Zouden wij onregt hebben in dezen toestand der maatschappij den oorsprong te zoeken, deels der straffe orakeltaal, die sommige dichters tegen de heerschende partij voerden, deels der oude blijspelen, die, onder het gejuich der menigte, hare aanzienlijke medeburgers over het tooneel sleepte? Althans de Romeinsche satire van lateren tijd behield van beiden iets over. Terwijl zij tegen heerschende ondeugden te velde trok, sloeg de dichter nu en dan den ernstigen toon aan, dien het bewustzijn van eigene deugd, dien de aanblazing der Godheid hem ingaf; maar over het geheel zocht hij zijnen stijl in overeenstemming te houden met dien van het blijspel; de ondeugd, waar hij kon, in den eenen of anderen persoon te verligchamelijken, en zoo weinig mogelijk het kenmerk der gemeenschappelijke geboorte te verliezen, dat hem aan den klucht- of blijspeldichter verbond. Door bijzondere kieschheid onderscheidde waarlijk de satire der Ouden zich van het gewone schimpdicht niet.(2). Het viel den dichter hard genoeg, de tijdgenooten, die hem voor den geest stonden, niet aan te tasten, en als naar eene verlorene gouden eeuw, zag Persius zuchtende naar de tijden van Lucilius uit:

Lucilius heeft de burgerij geroskamd; op u, o Mucius! op u, o Lupus! heeft hij de tanden stok gebeten, en ik, ik zou naauwelijks mogen mompelen!’

En zóó zeer zijn wij aan het voorbeeld der Romeinen gekluisterd gebleven, dat men naauwelijks onder de vele voortreffelijke latere hekeldichten een' enkelen vinden kan, die tot de staatkunde betrekking heeft. En toch, hoeveel stof leverde deze duurzaam voor de dichterlijke verontwaardiging? Waarmede hield zich het volk zoo onafgebroken, zoo hartstogtelijk bezig? Waar kon zich de dichter meer vrucht van de verkondiging zijner gevoelens beloven? Helaas! ten gevolge onzer overdrevene navolgingszucht, heeft het hekeldicht van het regt op deze stof afgezien, eene

[p. 165]

stof, die haar onwillekeurig zou dwingen, haar gezag over al die dichtvormen te hernemen, waarin zich de dichterlijke verontwaardiging lucht geeft. Bij hartelijke afkeuring der overdrevene gevoelens, die in de laatste tijden onderscheidene dichters kenmerkten, mogen wij niet ontveinzen, dat het hekeldicht vorderingen gemaakt heeft. Wij denken hier aan Moore; wij denken vooral aan Auguste Barbier, die door het opschrift zijner gedichten, Iambes, al aanstonds toonde, onafhankelijk te willen zijn van de overgeleverde vormen.

II.

Na aangemerkt te hebben, hoe noodzakelijk het zij, ter echte waardering van het hekeldicht, de omstandigheden, waaronder hetzelve ontstond, den trap der beschaving en ontwikkeling des volks te kennen, wenschte ik met levendige trekken Amsterdam en hare burgerij in den tijd van het eerste optreden van Vondel te kunnen voorstellen.

Breken wij dan in gedachten vele dier prachtige gebouwen af, waarop zich thans de hoofdstad verhoovaardigt. Stel in de plaats van het vorstelijke paleis, door nationale eigenliefde tot 's werelds achtste wonder verheven, het oude en eenvoudiger stadhuis met deszelfs spitsen toren en sombere bogen, ter eene zijde door eene rij burgerwoningen, ter andere door het oude gasthuis, bedwongen, om zijne vleugelen prachtig uit te breiden. Het overzigt over het plein van den dam is gebroken door de oude waag en alles vervuld van een gewoel en eene drokte, waarvan het bekende prentje van Visscher ons het weemoedig tafereel aanbiedt. Gelijk hier alles binnen eene kleinere ruimte zamengeperst is, zoo vertoont de geheele stad, dat zij te klein is voor hetgene zij bestemd was te worden. Van daar die steeds hernieuwde en voltooide uitbreidingen, van daar die reeks nieuwe gebouwen, wier grillige veischeidenheid toonde, dat ieder meester en vrij was op zijn eigen erf; prachtig en weidsch zeker voor hen, die aan de sombere, donkere, kloosterachtige woningen der oude zijde gewend waren, maar voor ons! - hoe burgerlijk en klein zou ons Amsterdam voorkomen, wanneer het die reeks van heerlijke gebouwen, die zich van de Leidsche gracht tot over den Amstel uitstrekte, en die eerst zoo veel later werd gesticht, had moeten missen!

Zóódanige uitbreiding vereischte de toevloed der vreemdelingen, van heinde en veer naar eene stad gelokt, wier jeugd zoo krachtig, wier groei het geluk, of, om als Nederlanders te spreken, de Goddelijke zegen zoo kennelijk begunstigde. Wel waren die vreemdelingen een doorn in het oog van den geboren' burger, die hartelijk zijne kluchtspeldichters toejuichte, wanneer deze den op zijnen armoedi-

[p. 166]

gen adel trotschen Brabander, of den verdachten Westfalinger met zijnen lompen en bonten tongval ten tooneele voerden. Van de praatzieke spinster af, die bij Bredero haren bloedverwant een ambt toedenkt, en onder schouder-ophalen zegt:

 
‘Hy is een Burgers kint. Maer 't Hof gaeter soo wat mé deur;
 
‘d' Eene vreemdelingh of d' ander, die gaat altoos veur;

tot den erntfesten Hooft toe, die in de raadzaal de aanmatigingen dier nieuwe Poorters met waardigheid te keer ging, werd hun de rang betwist, dien zij zich zoo gaarne hadden toegeëigend. Maar echter, er waren onder hen mannen, die, door elders verzamelde kundigheden, den wetenschappelijken geest der Hollanders oefenen, of door heilzame jaloezij prikkelen zouden; mannen, die den geest vol hadden van stoute ondernemingen, gepaard met het voorgevoel, hoeveel geluks dezelve hun en hunner woonplaats zouden aanbrengen(1). Er waren mannen onder hen, wier ijzeren hoofd niet gebogen had voor de vervolging, die hun geloof of hunne staatkundige begrippen in hun eigen vaderland hadden moeten trotseren, en daardoor de spieren zouden sterken der jeugdige burgerij, die nog tot eene zoo langdurige volharding gerugsteund moest worden; mannen, die hunne nieuwe verblijfplaats als een ander vaderland beminden en hunne borst voor deszelfs onafhankelijkheid in den krijg durfden blootgeven(2).

Doch de eigenlijke kern der burgerij maakten zij uit, wien, in tegenoverstelling der nieuwe aankomelingen, den naam van oude Geuzen te beurt viel. Zij hadden óf zelve in hunne jeugd als ballingen rondgezworven, en den onafhankelijkheids-oorlog helpen voeren; óf hunne vaders waren de slagtoffers der Spaansche vervolging geworden, en hadden voor het geloof den marteldood geleden. Hoe hoog ook deze oude burgers de borst droegen om het doorgestane lijden, hoe zeer men bij voorkomende gelegenheid de zonen van de martelaars der vrijheid zocht voor te trekken, kenmerkten zij zich echter door uitwendige eenvoudigheid en burgerlijkheid. En hoe kon het anders? Immers het rondzwerven als balling, de gelden aan de zaak der vrijheid opgeofferd, de knevelarijen van Alva en zijne trawanten, dwongen hen, om eenig-

[p. 167]

zins waardig hunnen rang te bekleeden, met noeste vlijt de handen aan het werk te slaan. Zij voerden nog geene namen, door eene lange reeks van burgemeesterlijke voorouderen geheiligd. Maar de minste burger van Amsterdam wist het nederige huis aan te wijzen, waar zij in de oude stad gewoond hadden; misschien hunne voorouders en derzelver chronique scandaleuse na te rekenen; of onderscheidde hen bij den naam huns vaders, of bij het opschrift van luifels en gevels(1), bij hun beroep, of bij eenen spotnaam, hun door het graauw gegeven(2). Zou men bij het geringe onderscheid, dat weelde en pracht in die dagen tusschen de onderscheidene standen maakten, bij de menigvuldige voorsbeelden van verkregen aanzien, alleen door verdienste en aanhoudende vlijt, kunnen verwachten, dat de geringere menigte hare regenten aanzag met den eerbied, welken een oude en eeuwen lang gevierde naam plagt in te boezemen? Was het wonder, dat de blijspeldichters zich niet ontzagen, den eerst nieuwelings rijken hunne gierigheid, derzelver zonen hunne weelde te verwijten(3)? of zou het niet naar de natuur geteekend zijn, wanneer Bredero door de onstuimige menigte den schout laat toevoegen:

 
‘Binje ien schout, ien schout, en doeje sulcke dingen;
 
De Jonges sullen nou wel een lietje van jou singen,
 
Indien dat ghy eens wort op leelykheid betrapt.’

Zonderlinge tijd inderdaad, waarin het volk in aangeplakte rijmpjes op hoogen toon zijnen wil aan de Regering verkondigde(4), en de achtbare Magistraat wederkeerig het niet beneden zich rekende in rijmpjes te antwoorden, zoo als Hooft zich herinnerde er op zijn zevende jaar, in den Leicesterschen tijd, een aan de pui van het Stadhuis gelezen to hebben:

 
Oft' er verraedt, oft' oproer quaedt, wierde vernomen,
 
Men zal, tot baet, geschut op straet, hier uit doen komen.

Uit het aangevoerde zou men ligtelijk kunnen besluiten, op hoe lagen trap de beschaving bij die menigte staan moest, indien niet aan den anderen kant de faam de rederijkkamers, de lofspraken op de kunde der oude Amsterdamsche regenten, de wetenschappelijke vlugt, die ons vaderland reeds vroeg nam, ons daaromtrent te hooge denkbeelden had ingeboezemd. En waarlijk, gelijk de Hervorming het gevolg was eener tot op zekere hoogte gebragte verstandsontwikkeling, zoo voerde zij, voor de vorming van den geest, rijke zege-

[p. 168]

ningen in haar gevolg. Bij de lagere standen nam het getal dergenen, die lezen konden, aanzienlijk toe; voor de aanzienlijke burgers handhaafde zij het regt van vrij denken en onderzoeken. De koophandel bevorderde het verkeer met vreemde natiën en verrijkte ons ook met de kennis harer talen. Dit alles werkte echter, voor als nog, meer op het hoofd, dan op den smaak. Het was zeker een onmiskenbaar bewijs van voortgang, dat Hooft een Italiaansch waas, Coornhert en anderen eenen klassieken zweem aan onze letterkunde gaven; maar dat alles was veeleer het gevolg hunner eigene ontwikkeling, dan wel uit den boezem der natie en uit den graad van rijpheid, dien zij bereikt had, voortgesproten; en hoe ligt sloeg deze oppervlakkige beschaving tot wansmaak over, toen niet lang daarna alles Arkadisch zijn moest, en de edel achtbare Raden der stad zich met hunne eerzame echtgenooten als herders en herderinnen lieten afbeelden(1)! Kortom, de meeste dier vorderingen behoorden tot het hoofd, en waren naauwelijks tot het gevoel doorgedrongen. Immers, waar zou men zekerder maatstaf voor den heerschenden toon en smaak vinden, dan bij het vrouwelijk geslacht, dat op de wetten van het schoone eenen zoo beslissenden invloed uitoefent! Ik vereer de romantische tint, die onze bevallige tijdgenooten versiert; maar, eilieve! wat waren onze grootmoeders, van Brecht Proosten af, tot op Lijsbeth Philips, de huisvrouw van Rem Bisschop, toe? Schoone, kloeke gestalten, die in haar uiterlijke aankondigden, dat zij hare schouderen aan die harer echtgenooten aansloten, om de huiszorg en de lasten van den kwaden tijd te schragen; moeders, die met Spartaansche grootheid hare zonen naar zee of slagveld zonden; nijverige huisbestiersters, die zuinigheid met zindelijkheid paarden, die, terwijl zij hare dienstboden met de grootste naauwlettendheid gadesloegen, aan deze te gelijk het voorbeeld van werkzaamheid gaven, en van hare jeugd aan nevens en met dezelve gearbeid hadden. Men vrage het moeder Geertruid in Hoofts Warenar, wat men van eene vrouw verlangde; men vrage het de moeder van Goossen, in de klucht van Krul, welk eene echtgenoote haar zoon zoeken moest; men vrage het eindelijk aan Vader Cats en besluite, of zulke vrouwen op ieder onvertogen woord blozen, om elke onreinheid zwart zien, bij iederen schrik zullen bezwijmen. Neen, het huisselijke verkeer was een afbeeldsel van het burgerlijke: elk deed het zijne en het noodzakelijke het allereerst.

Bijna neem ik het laatste gezegde terug; want twee zaken waren er, die onophoudelijk onzen nijveren burgers door het hoofd draafden en waarop zij hun regt voor niets ter wereld aan een'

[p. 169]

ander wilden afstaan. Zij hadden hunne oude regenten uitgeleid, hunne schutterijen de nieuwe verkoren, en het woord van Schout Dirksz was hun in de ooren blijven kleven: huimetuit hoedt u voor de weerstuit; zij hadden zich vóór of tegen Leicester verklaard; aan het volk waren de vlugschriften vóór of tegen de Treves met den Coninck van Spaengiën gerigt; dát volk verklaarde, welke regenten het wenschte, welke het mistrouwde; dát deed of weigerde den schutterlijken eed aan zijne opperhoofden; dát mompelde, bij het vermeerderen van het getal der stadssoldaten; en wanneer er van eenen regent uitlekte, dat hij de zaken van zijnen eigenen handel wat al te slim bevorderd of eene lading op 's vijands bodem had binnen gesmokkeld; het praatje vloog door de stad, niet, om in de huizen in te keeren, opdat daar ieder met de zijnen stillekens en en famille den laster genieten mogte, maar het zweefde op aller tongen en werd den schalk in rijm en onrijm op straat verweten.

Maar meer nog dan de zoo onophoudelijk betwiste regten van stad en staten, overheid en schutterij, hielden de Godsdienstige twisten de hoofden en gemoederen bezig. Bewonderenswaardig was in het eerst de gematigdheid geweest, waarmede de, met de Hervorming van 1578 triomferende, partij zich gedragen had, in vergelijking ten minste met de vervolging, waaronder zij vroeger gezucht had. Den Roomschen zelven toch wedervoer als zoodanig geen letsel; misschien droeg daartoe bij, dat verschillende gezindheden zich vereenigd hadden voor de groote zaak der vrijheid van Godsdienst. Onderscheiden aanzienlijken behielden, hetgene men het oude geloof noemde, en bragten in vrede en rust hunne dagen ten einde. Anderen kleefden de meeningen der Doopsgezinden aan en deelden niettemin met huis- en stadgenooten de liefde voor het gemeene welzijn. De huisgezinnen van Schout Bardes en Vader Hooft waren tooneelen dier onderlinge eensgezindheid, en schoon beiden de Gereformeerde leer beleden, volgden hunne huisvrouwen de vergaderingen der dus genoemde Mennisten. Doch reeds vroeg ontvonkte het twistvuur, dat, in den Leicesterschen tijd meer en meer gestookt, eindelijk bij gelegenheid der oneenigheden van Arminius en Gomarus in lichte laaije vlam uitbarstte. De oude Geuzen zelve splitsten zich in twee partijen; de vreemdelingen, van elders ingekomen, kozen voor het grootste gedeelte met ijver de zijde der contra-Remonstranten, en tot zelfs in de laagste klassen drong de onderlinge verbittering door. Naauwelijks bekoeld van eenen hevigen twist, terwijl hare gedachten reeds tot haar spinnewiel zijn teruggekeerd, vraagt de praatzieke spinster in Bredero's Moortje aan hare buur:

 
Jutje Jans, met oorlof, wat sinje, Benist, Papist, Arminiaens of Geus?
 
Wat isser nu al te doen, niet waer? met geloofssaken?
 
Dat het an ons driën stont, wij souden dat hijlick wel maken,
[p. 170]
 
Elsje kaeks! dat et an ons stont, wij souden dat hijlick wel maken.
 
Jut. Swijght om Gods wil, kijnt, Heeren boecken sijn quaet om te lesen,
 
Och, dat is nou ons dingen niet, laten wij ons moeijen met onse werck.

Doch alleen op het tooneel was het gemeen zoo verdraagzaam. Want inderdaad zou men hen, die zulke gevoelens voorstonden, met den naam van Libertijnen bestempeld hebben; inderdaad zou het graauw veeleer met vuisten en nagels de leer verdedigd hebben, die aan hetzelve was overgeleverd, dan denken aan minnelijke overeenstemming en een huwelijk tusschen de uiteenloopende gevoelens. Van deszelfs plunderingen en geweldenarijen zullen wij later spreken. Toen beide partijen elkander het storten van bloed konden verwijten, klom de woede vooral op het hoogst. Het harde lot van den ouden Barneveld had zijne aanhangers tot het uiterste gescherpt, en wederkeerig vervulde de moorddadige aanslag, door zijne zonen tegen den Prins beraamd, derzelver tegenstanders, die zich Princengeuzen noemden, met afgrijzen. Dat de lijdende partij der Remonstranten haren verdrukkers niet schuldig bleef, bewijzen de door hen gestrooide rijmpjes, waarin Prins Maurits bij Alva vergeleken, voor Mof uitgekreten en gedreigd werd:

 
God Salder ons saeck
 
Met strenge wraeck
 
Noch voeren uijt
 
Eer de Moff zijn ooghen sluit.

Hoe wederkeerig der andere partij geenerlei laster te vuil was, daarvan moge de Gulden Legende van den nieuwen St. Jan (Oldenbarneveld) ten bewijze strekken. Beide partijen rigtten zich tot het volk; in rijmpjes werd het tot plundering aangestookt; op de wijze van volksliedjes of psalmen den Remonstranten moed ingesproken; hunnen predikanten met het gelukkig ontvlugten geluk gewenscht of de leerstellingen der Gereformeerden bespot. Vergeefs dat een Scriverius uitriep:

 
Geweetensdwang? o neen, 't geloof is veel te eel,
 
Dan dat men zo 't gemoet zou persen uit de keel.
 
Eer zal de mensch den geest, dan vrij te zijn begeeven.
 
Hier voor kiest hij den dood; hierbij lust hem het leeven.
 
Weg, Landverderflijk quaedt: vervolging om 't geloof:
 
Weg plonder-geest, weg, die een ander stelt ten roof.
 
Kom liefde breeck aan tweën de twistgezinde pennen,
 
Breek 't oorlogs-strijdgeweer, en leer den vrede kennen.

Dichters en predikanten wisten voor het overige van geenen vrede; maar voedden om strijd den rampzaligen haat.

III.

Op de titelprent van een onzer oudste en gedenkwaardigste tooneelspelen, de Iphigenia van Dr. Samuel Coster, vindt men twee

[p. 171]

krachtige paarden voorgesteld. Het eene volgt gedwee het spoor, dat hem door den teugel wordt aangewezen, terwijl zijn rijder, met de kenteekens der vorstelijke waardigheid versierd, gerust de zweep over den schouder legt. Het andere draagt twee ruiters: vóórop zit een gekroond persoon, die de opgehevene zweep in de hand voert; maar een ander in geestelijk gewaad, achter hem geplaatst, kort den teugel, terwijl zijn mederuiter het ros voortjaagt. Gij vermoedt het verdere - het geplaagde dier schopt en steigert en is gereed zijne beide meesters in het zand te werpen. Het paard, dus luidt de uitlegging, is de wereld, de zweep het regt, de teugel de Godsdienst. Die beiden voert, leidt het ros

 
Vol quade stuypen, ruw, gansch stog, en boos, van aard,

werwaarts hij wil; maar wanneer gelijkelijk geestelijke en wereldlijke magt haren invloed laten gevoelen, aan raakt het paard aan het hollen en zijne ruiters in lijden.

Van zoodanigen aard was het gevoelen der leden van de Amterdamsche partij, welke zich tot de meer verlichte rekende; ook van dezulken, die niet bepaaldelijk Remonstrantsgezind konden geacht worden, maar wien het gezag der Regering boven alles gold, en die daarom de Politieken genoemd werden(1); doch het was er wel verre af, dat de meerderheid der geestelijken die meening zoude omhelsd hebben. Vermoeijend zou het zijn, al de kleine twisten, tusschen de Regering en de kerkelijken gevoerd, te doorloopen; genoeg zij het aan te merken, dat de kerkeraad zich hoe langer hoe meer aan den invloed der burgemeesteren onttrok, zoodat reeds in 1612 de oud-burgemeester Hooft zich ernstig beklaagde, dat de oude voorstanders der vrijheid langzamerhand uit het bestuur der kerke geweerd, en van buiten ingekomen vreemdelingen tot de kerkedienst bevorderd werden. Doch zijne stem werd niet gehoord en een tijd lang triomfeerde de partij der geestelijkheid. Indien men den veelal partijdigen Brandt op dit stuk gelooven mag, oefenden de predikanten eenen verbazenden invloed op de Regering uit en wisten langen tijd van te voren te voorspellen, wie tot het hoog bewind moest bevorderd worden. Langzamerhand echter keerde de schaal, en op hare beurt hernam de Regering met kracht het beheer der kerkelijke zaken.

De laatste kracht putte de geestelijkheid uit in de zaak van den predikant Cloppenburg. Men had tot kapitein der schutterij zekeren Vlooswijk verkozen. De man stond, te regt of te onregt, bij de leeraars

[p. 172]

kwalijk te boek. Men meende in hem een' libertijn en vijand der Gereformeerde religie (dit was de wijze van spreken) te herkennen, en het gevolg was, dat de schutters zich tegen zijne benoeming verzetteden. De misnoegden begaven zich naar 's Hage, waar destijds de afgevaardigden der zuid- en noord-Hollandsche synoden zich bevonden, en onder dezelve Cloppenburg, een man van ijver en bekwaamheid, predikant te Amsterdam en geslagen vijand der Remonstranten. Daar leverden zij aan de Synode de vraag in: Of belijders der zuivere leer verpligt waren den schutterlijken eed aan eenen openbaren vijand van God en het Vaderland (met die zoete woorden werd Vlooswijk bedoeld) af te leggen? Het antwoord was, neen! doch de Amsterdamsche Regering handhaafde haar gezag, ontschutterde de wederspannigen en vervolgde, misschien al te streng, die burgers, welke zich met het inleveren der vragen en andere verzoekschriften tegen de Regering belast hadden. Cloppenburg werd van zijn ambt ontzet en wegens zijne bemoeijingen de stad uitgebannen; de predikant Smout, die in hevigheid allen overtrof, ondervond een gelijk lot en, wel verre van langer den wil der geestelijkheid te gehoorzamen, verscheen de wethouderschap in den kerkeraad, eischte zitting in deszelfs midden en, nadat deze nieuwe twisten nog eenige jaren hadden voortgeduurd, eindigden zij met de zegepraal der Regering.

Het karakter der strijders maakte den kamp te hagchelijker. Men was bij hunne tegenpartij gewoon de predikanten te beschuldigen van meest vreemdelingen te zijn en zich kwalijk te schikken naar de wetten der stad, waar zij gastvrijheid genoten. Van daar, dat Coster, in de meergemelde Iphigenia, Nestor deed zeggen:

 
‘Het tweede, dat nu mee de saken qualyck gaen
 
‘Is, dat men hier in plaats van burgeren, (geboren
 
‘Van ouder afkomst en uyt goeden huys verkoren)
 
‘Maer vreemdelingen heeft, die tieren gelyck of
 
‘Ons lands-man tot het ambt der priesters was te grof
 
‘En oft hij van de Goôn geen harsens had gekregen.

En inderdaad telde men er velen, die, van Embden, Frankendaal of Braband herwaarts geroepen, al dat vuur medebragten, hetwelk vroeger in den strijd met Roomschgezinden of Lutherschen gegloeid had; er werden echter ook onder die reeks geboren Amsterdammers gevonden, van welke sommigen, zoo als Cloppenburg en Laurentius, den vreemden in hevigheid niets toegaven. Doch men gevoelt, van hoeveel belang het voor derzelver vijanden was, de hevigste onruststokers als ingedrongen vreemdelingen door te strijken. Zulks is nóg de gewoonte. De waarheid was, dat de geest dier tijden nog geenerlei verdraagzaamheid met zich bragt. Zij, die veel onder de verdrukking der Roomschen geleden hadden, hadden daaruit geleerd anderen te verdrukken: het kwaad fokt het kwaad, en vervolging

[p. 173]

kweekt geen' ootmoed, maar de zucht, om de sterkste te wezen. Wanneer men in die dagen de leeraars pilaren der kerk noemde, dan was ten minste de vergelijking voor zóó verre waar, dat zij denzelven in hardheid en onbuigzaamheid evenaarden, heette men hen levende steenen van het huis Gods, zij regtvaardigden dien titel door eene rusteloosheid, die door de minste oorzaak in beweging gezet en in jaren niet te stuiten was. Want de partij der dusgenoemde politieken misprees evenzeer de Arminianen als nieuwigheidzoekers, als zij de tirannij der regtzinnigen laakte. Want het woord des Apostels: ‘Men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen,’ was den regtzinnigen evenzeer als den Remonstranten op de lippen bestorven. Als eene ernstige grieve tegen Oldenbarneveld werd in de Legende van den nieuwen St. Jan aangevoerd: ‘De Heylighen Gods hebben eene eenige Religie bemint, ende alle andere verworpen: dese bemintse alle, en soudse garen in een smelten.’ Gevoed door de lezing der schriften van het O.T., namen zij de spreekwijzen der oude Profeten over en bootsten hunnen ijver na. De Kerk heette het Israëls Gods; die haar aan den Staat onderwierpen werden bij Jeroboam, die Israël zondigen deed, vergeleken; en wederkeerig schroomden de Arminianen niet, den alarmkreet der regtzinnigen om het welzijn van Land en Kerk voor huichelarij te verklaren en met Achabs biddag te vergelijken.

Twee mannen in het bijzonder maakten zich door hunnen hardnekkigen ijver voor het kerkelijk gezag gedenkwaardig, en werden dáárom vooral de slagtoffers van Vondels spotternij. De een was Adriaan Smout, vroeger predikant in het Overmaasche, maar die reeds vóór zijne komst te Amsterdam, in zijn geestelijk Ja, toonde, welk eenen hevigen kampioen de kerkelijken in hem zouden bezitten. Misschien droeg zijne zware gestalte er toe bij, om hem ingang bij de menigte te bezorgen; maar vooral waren het zijn stijl en zijne taal, die hem tot volksredenaar stempelden. Nooit droeg hij zijn gevoelen omwonden voor, maar nam dikwijls de platste uitdrukkingen te baat, om op de ruwe gemoederen te kunnen werken. Zijne predikatiën waren altoos op de plaats hebbende omstandigheden toepasselijk, en de aanzienlijken der stad werden in dezelve evenmin als de bondgenooten des Lands gespaard. Zoo voer hij, tijdens het beleg van Rochelle, dat anders te regt de meewarigheid der Protestanten gaande maakte, tegen Lodewijk XIII uit: ‘de oorzaak waarom dat de Landen en de Steden geplaagd en gestraft worden is, dat men nu lieden trekt en dringt in de Regering, die voorstanders zijn van het Pausdom. De exempelen en vruchten daarvan ziet men dagelijks in de staten, die hunne schepen gezonden hebben voor Rochel, om de ware Gereformeerde religie te verdrukken en te assisteren het kind der verderfenis,

[p. 174]

het kind der duivelen, den draak, den eersten tak, daar de antichrist uit gesproten is, daar de hoer van Babel op het beest met zeven hoofden zit. En opdat gij moogt weten, van wien dat ik spreke, ik meen den Koning van Frankrijk, Louis den XIII, zoon van Hendrik den IV, den Apostaat. Wat magt heeft toch de Koning van Frankrijk? Wat kan hij doen? 't Is wat, hij heeft ons in het voorjaar laatstleden een deel duivels gezonden. Wat vrucht hebben die gedaan? Niets, zij zijn al te zamen voor den duivel gevaren.’ Later bepleitte hij de zaak van het gemeen, dat zich aan de plundering der Remonstrantsche vergaderplaatsen had schuldig gemaakt, in eene leerrede over de woorden: Maar ik zegge u, wederstaat den boozen niet! Den ruwen hoop of de dusgenaamde graauwe geuzen noemde hij: Instrumenten, die God gebruikt en aandrijft tot dit gansch noodige werk, de verstoring der ketterij; en toen later de burgers het gemelde verzoekschrift in de zaak van Vlooswijk ingeleverd en daarmede de hooge ontevredenheid hunner Regering zich op den hals hadden gehaald, toen vooral bulderde zijne gramschap. De nood, waarmede een inval der Spanjaarden op de Veluwe de stad bedreigde, had eene talrijke schaar naar de biddagspreek gedreven. Toen viel Smout de regenten ten aanhoore der menigte aan: ‘Gij zijt de oorzaak met uwe proceduren, dat God Almagtig den vijand op de Veluwe heeft doen komen. - Gij acht ons te klein en te gering, dan dat gij met ons correspondentie zoudt houden. Men acht ons voor kootjongens. Men leent zijne ooren veel liever aan een hoop poëten, orateurs, juristen en polityken, dan aan ons. Dit 's verkeerd. Zij halen hunne dingen uit redevoeringen, uit de keizerlijke rechten enz. Wij zeggen blootelijk: de Heere zegt het. Wij hebben Gods Woord, hoort derhalve, wat wij u zeggen.’ Wegens dergelijke oproerige redenen werd Smout voor burgemeesteren gedagvaard: maar wel verre van zich te buigen, dreigde hij hen des te scherper met 's volks ongunst en de straffe des Hemels. De kerkeraad trok zich de zaak van den oproerigen predikant aan, en zoodra de Regering zag, dat zij van dezen in het geheel geene ondersteuning wachten kon, besloot zij, op eigen gezag, Smout de stad te ontzeggen. De leeraar vertrok; maar zijne ambtgenooten hieven luide klagten aan over de nieuwe vervolging en het voorbijgaan van den kerkeraad, en zochten eerst bij de Synode te Schoonhoven, vervolgens bij die van Enkhuizen hulp, die hun rijkelijk gewierd. Derzelver pogingen leden echter andermaal schipbreuk op de standvastigheid der Regering.

Aan geene dergelijke buitensporigheid stond de ambtgenoot van Smout, Jacobus Trigland, schuldig. Van jongs af in de Roomsche leer opgevoed, waarschijnlijk zelfs tot den geestelijken stand bestemd; had hij uit overtuiging de Hervormde Godsdienst omhelsd

[p. 175]

en was al zeer spoedig tot het leeraarambt te Amsterdam bevorderd. Hij was een man van uitgebreide geleerdheid en standvastigen ijver voor hetgene hij de zuivere leer achtte te zijn. Maar den strengen ernst, die zelfs uit zijne sterk geteekende gelaatstrekken sprak, wist hij door meerdere mildheid en gematigdheid van taal te temperen, niet zoo zeer, omdat zijn al te eerzuchtig karakter tot zachtmoedigheid neigde, als wel, omdat zijn verstand hem voorschreef, wat aan zijn ambt en de zaak, die hij voorstond, betaamde. Van daar, dat hij, hoezeer een ijverig voorstander van de zaak der Calvinisten, echter de hardheid van Bogerman afkeurde, en zich aan de meer gemagtigde partij aansloot; dat hij, hoezeer een gezworen vijand van Barneveld en allen, die in zijn gevoelen omtrent de afhankelijkheid der Kerk van den Staat deelden, bij duurzamen tegenstand tegen de latere Amsterdamsche Regering, echter gedurende vier en twintig jaren zijn ambt en invloed wist te handhaven. Zijne taal was beurtelings scherp en bijtend, beurtelings liefderijk en welwillend: nu eens vierde hij zonder aanzien des persoons aan zijnen hartstogt bot; dan weder schenen zijne woorden slinks gekozen, om meer te doen vermoeden, dan zij zeiden. In onderscheidene geschriften verdedigde hij de leer en handelwijze der contra-Remonstranten, of zocht, vooral sedert de aanslag van Oldenbarnevelds zonen de Remonstranten onder een onbillijk vermoeden had gebragt, de afgewekenen tot den schoot zijner Kerk terug te brengen. Van daar, dat de Gereformeerde Staten hem als een der stevigste steunsels hunner partij eerbiedigden, terwijl derzelver tegenstanders, die het onstuimig razen van Smout te regt belachten, zich tegen Trigland, als tegen eenen bekwamen vijand, met alle wapens, welke in dien tijd geoorloofd gerekend werden, te weer stelden. Ja de kwade tongen ontzagen den geduchten voorvechter der kerkelijken niet. De blozende kleur van zijn gelaat, de geestelijke hoogmoed, die hem bij elken kruistogt, dien hij tegen zijne tegenpartij ondernam, te regt of te onregt triomf deed kraaijen, bezorgden hem den naam van het kalkoensche haantje. De eerste droeg misschien het zijne bij, om het praatje, dat Trigland de synodus-bokalen niet minder dan de synodus-artikelen beminde, ingang te doen vinden(1). Zeker was die ondeugd in die dagen aan geenen stand vreemd. Erger was zeker, hetgene van Smout verhaald wordt en daarom des te ongeloofelijker. Want wat toch werd in die dagen ter wederzijde niet gelogen en gelasterd!