Dit Boeksken bevat eene verhandeling over de Noordsche Godenleer, welke in de vergadering der Maatschappij van fraaije Kunsten en Wetenschappen, Afd. 's Gravenhage, den 6den April 1837, is voorgelezen geworden. De Schrijver, zoo als hij in zijne Voorrede zegt, wil dit liefst als een vervolg op zijne Noordsche Mythologie, Utrecht 1836 bij denzelfden boekhandelaar uitgegeven, aangemerkt zien.
Hoe dit ook opgenomen worde of niet: het moet ieder' beminnaar der Noordsche en Vaderlandsche Oudheidkunde dubbel welkom zijn, daar wij hier, in een kort bestek, een zeer goed overzigt over die Mythologie aantreffen. De stof zelve is met zulke korte, doch fiksche, trekken geschilderd, dat het niet wel mogelijk zoude zijn een uittreksel hiervan te geven, zonder als het ware het geheel over te nemen. Wij kunnen dierhalve niets anders doen, dan de beminnaren dezer Mythologie dit Boeksken in ruime mate aan te bevelen, omdat het een juist overzigt over dat vak bevat.
De Schrijver belooft ons, bl. 11, een uitvoeriger Werk over dit Mythenstelsel met natuurkundige verklaringen en geschiedkundige aanteekeningen, en voegt hierbij: dat het hem spijt, nu geen gebruik te kunnen maken van de door den Heer Westendorp beloofde Inleiding.
Wat het eerste aanbetreft, kan het niet anders, of een man, die zulk eenen goeden grondslag gelegd heeft, zal ook in dit gedeelte niet zonder vrucht gearbeid hebben, en allen kunnen dit Werk, ten minste ik voor mij doe zulks, reikhalzend te gemoet zien.
Ten aanzien van het tweede, zoo zal de lezer van dit stukje en der Verhandeling over de Noordsche Godenleer, van den Heer W., zich wel willen getroosten, van, uit de hand van den Heer Buddingh, deze Inleiding te ontvangen, daar deze zonder twijfel die beloofde wel op zijde zal kunnen staan.
Ten gevolge van het op diezelfde bladzijde geuite, zal ik de vrijheid nemen, hier twee op- en eenige aanmerkingen te maken; of zij eenige waarde hebben, zullen diegenen beoordeelen kunnen, welke zich op dit vak eenigzins hebben toegelegd.
Wat de opmerkingen betreft, deze zijn: dat ik wel gewenscht had, dat het op één en hetzelfde papier ware gedrukt geworden; en dat het niet hetzelfde papier is, beschouw ik eene verkeerde zuinigheid van den drukker, die al zijne restanten bij een verzameld heeft, en ons hierdoor een bont Boekje bezorgt, dat, wat het uiterlijke betreft, verdiend had in een beter kleed gestoken te worden.
Bij de correctie had er door de laatste hand meerder zorg aan besteed moeten worden, dan had man de volgende drukfeilen niet ontmoet, die gewoonlijk op rekening van den Schrijver gezet worden en waaraan hij meesttijds geene schuld heeft; zoo als: bl. VIII zetfs voor zelfs; Celische voor Celtische; bl. 41 Gleipner voor Sleipner; bl. 54 Erya voor Freya; bl. 120 slag- op strijdgodinnen voor slag- of strijdgodinnen; verders eenige cc voor ee en uitlating van eenige letters, welke in den vorm ingezakt zijn.
Mijne aanmerkingen zijn de volgende:
Titelplaat. Ik had wel gewenscht, dat de Heer Last zijnen smaak er hadde afgelaten; want daar ik nu Bartholini niet bezit, weet ik niet, of hij het verbeterd of verminderd heeft; en ik zoude mij met de getrouwe kopij zeer wel vergenoegd hebben. Het is hier niet om het smaakvolle, maar om het juiste te doen. Het plaatje heeft dus geene waarde en mist zijn doel.
Bl. XVI had ik het IJslandsch liever aldus gehad, zoo men geene IJslandsche dh hadde.
De eerste regel is de laatste regel van vers 28, en de andere de twee laatste regels van vers 29 of het einde. Zie Krakumal eller Kvad om Kong Ragnar Lodbroks Krigsbedrifter og Heltedöd. Udgivet af Rafn. Kiöbenhavn, 1826.
Bl. 9. Lees ik: aur (mede) en bl. 119 aulr (olie). Bij Vollmer, in zijn Mythologisch Woordenboek, vind ik aul, de zoetste, kostelijkste drank, de zoetste en kostelijkste meede. Zoude dit niet aul moeten zijn? In het Deensch beteekent öl, bier.
Bl. 10. Freske. Ik geloof, dat dit Freke zal moeten zijn; ons vrek is hiermede verwant. Ook bij Vollmer vind ik Freke.
Bl. 11. Misschien dochters van het morgenrood. Gjalp en Greip vind ik als dochters van den reus Gejrrod, Elgia van het morgenrood; de andere zijn reuzendochters en worden ook alle negen zusters genoemd. Misschien wel omdat zij alle negen moeders van den éénen Heimdal waren.
Bl. 12. Lees ik: Odrävir, maar bl. 76 Odrarir en Odreyrir. Is dit eerste ook eene drukfout?
Bl. 17. Lees ik: In Saksers stelde men hem voor. Is dit eene plaats, of is het: in Saksen, of is het iets anders?
Bl. 21. Tegen den vader van het gezang. Ik had hier wel bij willen gevoegd hebben den bijnaam van Odin Liodasmidr, liederensmid.
Bl. 23. De loot van éénen boom, de Mistelstein. Bij Vollmer is de Mistel eene plant, welke op verschillende boomen, zoo als de wilg, beuk en berk groeit. Zoo zij zich op eenen eik vertoonde, werd zij meer bijzonder vereerd. Het was de heiligste plant, bij de Druïden; Loke, de booze, deed haar spoedig opgroeijen.
Bl. 24. Vind ik: Hringhorni, ik lees: Hringhorne. Tweemaal Hyrrokin, waar ik Hyrokian lezen wilde. Op den laatsten regel vind ik Litur. Deze wordt én Litur én Lifur genoemd. Ik geloof, dat de eerste lezing de beste is.
Bl. 26. Vind ik: dat Skade niet de moeder van Freyr en Freya zoude geweest zijn; maar dat Niord deze bij zijne eigene zuster in een vroeger huwelijk had. Bl. 69 worden zij evenwel als kinderen van Skade en Niord opgegeven; waarom? Dit laatste houd ik juister.
Bl. 30. Lees ik Bagur en Bagi; moet dit niet Bragur, Bragi zijn?
Bl. 33. Vind ik: Biforst. Dit zal, zoo als het later ook gevonden wordt, Bifrost moeten zijn. Men vindt ook Bifraust.
Bl. 38. Is hier ook eene verwarring met Fosete? want deze werd op Helgoland en ook op Ameland vereerd. Of zijn deze één persoon?
Bl. 58. Ik vind, dat Gefion aan Skjold, zoon van Odin, gehuwd was, en dat zij de stammoeder der Deensche Koningen was. Is deze maagd dan eene andere?
Bl. 59. Synia. Ik vind: Sygn als dezelfde met deze; zij houdt de wacht aan het paleis Vingalf.
Bl. 65. Spaanders. Vollmer zegt: dat de valk met de zwaluw (Loke en Iduna) door een' hoop dorre takken, welke ligt in elkander lagen, gevlogen waren, welke takken voor den burg liggende, door de goden in brand gestoken werden, toen de arend er door zoude vliegen.
Bl. 68. Lees ik: Bila; zal Beli moeten zijn. Zie Beliadolge, bl. 28.
Bl. 71. Vind ik: houten zokken. Ik las liever: glijdschoenen of schaatsen.
Bl. 73. Giallarhoorn. Deze had Heimdal, en hierop zal hij bij de wereldschemering blazen. De drinkhoorn van Mimir heette Gjaldarhoorn. In het IJslandsch bij Biorn Halderson, in zijn Dictionarium, vind ik Giald-Vod, pannus promercalis, uitzettingskleed, hetwelk met dit Gialdur wel verwant zal zijn; en met het eerste, Giall scoria ferri.
Bl. 80. Fornjotr. Ik vind den vader van Loke, Farbaute, genoemd. Loke, meen ik, behoorde als natuurgod, Loge, tot het geslacht der Fornjoters.
Bl. 100. Vind ik: De tweede verwekte haar Anar of Onar en Iörd. Ik vind dit: bij haar tweede man, Anar of Onar, verwekte zij Jörd (de aarde).
Bl. 108. Lees ik: dat het zwaard er als een stalen tong uitstak. Vollmer zegt: dat zij het zwaard in zijnen muil staken, zoodat het heft in het bovenste, maar de kling in het onderste kakebeen stak, en hij daardoor onschadelijk werd.
Bl. 111. Menegarm schijnt dezelfde met Hate te zijn; want Hate vervolgt de maan.
Bl. 113. Lees ik: stoot hem zijn zwaard in den strot. Ik vind, dat hij hem met de hand den strot uitrukte.
Bl. 114. Hlodmimers. Ik zoude hier Homimers willen lezen.
Hettema.