terug  begin  verderprepost

De Geschiedenis der Maccabeërs, in hare veelzijdige belangrijkheid voorgesteld, door A. van Bemmelen, Predikant te Oosterhout.

Dordr. Lagerwey, 1837.

Mattathias, Judas en Simon de Maccabeërs, welke helden voor eene Tragoedie! Mattathias en zijne zonen, de Maccabeesche broeders, de verlossing der Joden door de Maccabeërs, welke onderwerpen voor eene Epos! En wij zouden meenen juist Helden en onderwerpen voor eenen Nederlandschen Zanger van de classieke school! O dat een Dichter van den echten geest onder ons zich aangordde en ze in mannelijke, heilige poëzij bezong! Waarlijk, in de gewijde geschiedenis ligt veel meer poëzij dan men daarin nog gezocht heeft, en veel meer ware, edele, hooge poëzij, dan in de gebeurtenissen van den dag, de gruweltooneelen van latere geschiedenis, of de verdichtingen eener romantieke verbeelding.

Intusschen heeft de Eerw. Van Bemmelen het Nederlandsch publiek aan zich verpligt, door op zijne wijze dat roemruchtig tijdperk der Joodsche geschiedenis, voor ongeleerden, opzettelijk te behandelen. Het was zijn bepaald doel, de veelzijdige belangrijkheid van het Maccabeesche tijdvak (niet zoo zeer van de enkele Maccabeërs, waaraan de titel ligt zou doen denken,) te doen opmer-

[p. 12]

ken. En hij heeft hiertoe een Werk geleverd, dat naar een uitmuntend plan is bearbeid. Zie hier deszelfs voorname deelen, wier opgave een duidelijk denkbeeld van den inhoud en den aard van het geheel geven kan. Na eene Inleiding, bl. 1-9, die het onderwerp aan de belangstelling der lezers aanbeveelt, wordt in eene 1e Afdeeling, bl. 9-75: de Geschiedenis der Maccabeërs (van het Macc. tijdvak) verhaald, om hare belangrijkheid als geschiedenis op zich zelve te doen uitkomen. Zij gaat tot op den dood van Aristobulus III en Hyrcanus II, in wie Herodes de mannelijke linie van het Macc. huis uitroeide. De 2e Afdeeling, bl. 75-91, beschouwt de belangrijkheid van het tijdvak der Macc. in betrekking tot den burgerlijken toestand der Joden. De 3e Afdeeling, bl. 91-133: deszelfs belangrijkheid voor beschaving en letterkunde. De 4e Afdeeling, bl. 133-178: deszelfs belangrijkheid voor de godsdienstige en zedelijke gesteldheid der Joden. De 5e Afdeeling, bl. 178-246: deszelfs belangrijkheid in de geschiedenis der Goddelijke Openbaring aan Israël en aan het menschdom; en dit laatste bevat meer dan de rubriek eigenlijk aanduidt, daar de Schrijver hier ten slotte, van bl. 213 af, het behandelde tijdvak ons als een' spiegel der Voorzienigheid voor oogen houdt tot versterking in het geloof aan het Godsbestuur, zoowel over het lot van volken en vorsten als over de daden en lotgevallen van elk mensch in het bijzonder; welke opmerkingen misschien eene eigene afdeeling hadden moeten uitmaken.

Het geschiedverhaal is duidelijk en onderhoudend, schoon hier en daar, tot verhooging van den indruk, in de voorstelling meer partij ware te trekken geweest van de gebeurtenissen, ja van derzelver mededeeling in de bronnen zelve. In de tweede afdeeling komen belangrijke opmerkingen voor. Maar hoe gaarne hadden wij hier den Schrijver bij eene diepere, meer omvattende en uitvoerige beschouwing gevolgd! En hij zelf had ons reeds in de Inleiding (bl. 7) veel doen verwachten. Belangrijk is het overzigt van de geschriften, die wij uit dat tijdvak nog bezitten, hetwelk de derde afdeeling na eene algemeene beschouwing van den staat der volksbeschaving en letterkunde geeft. Ook uit den Psalmbundel worden die liederen vermeld, welke naar veler oordeel (gedeeltelijk ook naar dat van onzen Van der Palm) tot den Macc. tijd behooren. Men verwachte hier echter geene critiek op de hoogte van onzen tijd; hoofdzakelijk is het alleen mededeeling van den inhoud der geschriften, die natuurlijk slechts voor den ongeleerde waarde heeft. Doch met gelijke en steeds toenemende voldoening zullen geleerden en ongeleerden, beiden, den Schrijver bij zijne verdere bschouwing in de twee laatste afdeelingen volgen, en hem menige belangrijke wenk, aanwijzing, herinnering dank weten. Dit gedeelte is buiten twijfel het meest volkomene van zijnen arbeid.

[p. 13]

Wij zouden nog onze aanmerkingen kunnen mededeelen op hetgeen ons hier minder juist, dáár minder bewezen, elders minder wèl gezegd voorkwam; maar liever bepalen wij ons bij ééne algemeene bedenking, die wij niet mogen terughouden. Wij betreuren het immer, als wij in Werken, die eenig onderwerp van geschiedenis voor het beschaafd publiek behandelen, dat diep en volledig wetenschappelijk onderzoek missen, waardoor zij alleen de beschaving dier hoogere volksklassen waarlijk bevorderen en tevens voor den geleerde belangrijk wezen kunnen. Want men zegge toch niet, dat, wie van zulk een onderzoek uitgaat, zich boven de bevatting zijner lezers stelt. Van den Eerw. Schrijver is deze tegenbedenking niet eens mogelijk; hij weet daartoe te goed wat wetenschappelijk onderzoek is. Of zoude de Gregorius van Nazianze, en de Johannes Wessel van Ullmann, zouden de Engelsche Kerk, de Kerk en de Staat van onzen Broes niet evenzeer voor het beschaafd publiek als voor den geleerde, uitnemende Werken zijn? Waarlijk, het is meer dan tijd, dat wij onze zoogenaamde beschaafde medechristenen allengs tot wat hooger beschaving opleiden. En voor het hier behandelde tijdvak der Israëlietische geschiedenis, voor de kritiek van de geschriften, die ons uit hetzelve over zijn, is nog zoo veel te doen. Wat zou het Werk belangrijk wezen, zoo hetzelve in dit opzigt leverde, wat wij behoeven! En wij mogen, wat de Schrijver schertsend gezegd heeft: ‘dat hij in het Overjordaansche te zeer verwijderd is van het eigenlijke Kanaän der geleerdheid, om zich met alle deszelfs schatten te kunnen verrijken,’ in ons kleine, van wegen, rivieren, en vaarten doorsneden Vaderland, niet ernstig opvatten. Ook zou de Eerw. Schrijver zelf tegen ons getuigen. Want van belezenheid en goed gebruik van velerlei voorlichting geeft het Werk overvloedige blijken. Wij missen maar dat diep, veelzijdig en volledig onderzoek, hetwelk en de geschiedenis en de schriften van dit tijdvak ten volle in het licht zou geplaatst hebben, dat over dezelve reeds is opgegaan, en daaraan nieuw licht zou hebben toegevoegd.

Overigens munt het Werk ook door eene zeer ordelijke behandeling, duidelijke voorstelling en zuiveren fikschen stijl uit; terwijl de uitvoering door druk en papier het lezen veraangenaamt en dus den Drukker en Uitgever eere doet.

Wij aarzelen dus ten slotte niet, ook bij de gebrekkige zijde, die wij aan het Werk meenden te ontdekken, hetzelve onze Lezers dringend aan te bevelen. Het zal hun voor verstand en hart een nuttig en aangenaam onderhoud verschaffen.

prepostterug  begin  verder