terug  begin  verderprepost

Handboek voor Vaderlandsche Landhuishoudkunde, door J.A. Uilkens, Hoogleeraar in de Faculteit der Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, aan de Universiteit te Groningen.

Nieuwe onveranderde Uitgave. Te Zwolle, bij J. Zeehuizen, Jr., 1836. LII, 363 bl., 8o.

Toen bij de organisatie onzer Hoogescholen een leerstoel ook voor de Landhuishoudkunde was opgerigt, en de Heer Uilkens het onderwijs in deze wetenschap aan de Academie te Groningen had op zich genomen, werd door gemelden Hoogleeraar dit Handboek geschreven, ten einde hetzelve tot eenen grondslag voor de te geven lessen zoude verstrekken.

De Hoogleeraar heeft hiermede aan de beoefenaars van den Landbouw in ons Vaderland eene wezenlijke dienst bewezen, alzoo in onze taal voor de Landhuishoudkunde geen volledig handboek bekend was. Het Landbouwkundig Schoolboek van Ponse, ofschoon als schoolboek niet zonder verdiensten, kon voor de behoefte aan een wetenschappelijk Werk niet als voldoende beschouwd worden.

De eerste uitgave thans uitverkocht zijnde, is eene nieuwe onveranderde uitgave te Zwolle uitgekomen. Of het voor een Handboek, dat vóór twintig jaren in het licht verscheen, vooral in onze dagen, eene aanbeveling moge geacht worden, wanneer men op het titelblad leest: nieuwe, onveranderde uitgave, zullen wij niet onderzoeken. Dit alleen mogen wij ter eere van de nagedachtenis van den Hoogleeraar Uilkens zeggen, dat wij gelooven, dat, indien hij na twintig jaren eene nieuwe uitgave had mogen beleven, dezelve niet onveranderd het licht zou hebben gezien, al ware het alleen uit hoofde der vorderingen, welke in dien tijd in alle

[p. 16]

vakken van wetenschap, en dus ook in de Landhuishoudkunde, gemaakt zijn. Wij willen echter daarmede niet te kennen geven, dat wij deze onveranderde uitgave afkeuren; integendeel, wij gelooven, dat, indien men van een Werk van eenen overledenen Schrijver eene nieuwe uitgave wil leveren, men het werk moet geven, gelijk de Schrijver hetzelve bij zijn overlijden heeft achtergelaten. Verkeerden wij niet in dit gevoelen, dan zouden wij in bedenking geven, of niet de eerste 80 bladzijden, handelende over de Voorbereidende Wetenschappen, aanmerkelijk hadden kunnen verkort, of zelfs geheel weggelaten zijn geworden? Niet dat wij die wetenschappen als van geen belang in de Landhuishoudkunde beschouwen: integendeel, wij houden dezelve voor onmisbaar; maar omdat men bij de beoefenaars der Landhuishoudkunde eene algemeene voorbereidende kennis dier wetenschappen mag en moet vooronderstellen, te meer, alzoo in die vakken aan de Hoogescholen afzonderlijk onderwijs wordt gegeven en er buitendien geschikte Handboeken gevonden worden.

De waarde van dit Werk volkomen erkennende, zal men eenige weinige aanmerkingen wel willen gedoogen.

§ 311. Lang bleef de Landhuishouding een handwerk, eene kunst, en klom tot geene wetenschappelijke hoogte; doch wanneer de Schrijver zegt: ‘Fabrijken onderdrukten dezelve, en de rijkere winsten, die de koophandel hier en elders gaf, hielden de landhuishouding in eenen lagen en miskenden staat,’ dan kunnen wij dit niet onbepaald toegeven. Overal, waar de Fabrijken en Koophandel bloeiden, dáár vindt men ook in den Landbouw de meeste vorderingen; men denke aan Engeland, België en ons eigen Vaderland.

§ 316. ‘Willem de Eerste, Koning der Nederlanden, verordende bij de nieuwe inrigting der Hoogescholen in dit Rijk het onderwijs in de Landhuishoudkunde, hetwelk de Studenten in de Godgeleerdheid gehouden zijn twee jaren bij te wonen.’ Zoo was de verordening toen de Heer Uilkens schreef. Bij de nieuwe uitgave had in eene noot verdiend te worden gemeld, dat, reeds spoedig na de nieuwe inrigting der Hoogescholen, de gezegde verordening in zóó verre werd gewijzigd, dat de bepaling van twee jaren in één jaar werd veranderd, en dat het later aan Zijne Majesteit behaagd heeft die verpligting geheel op te heffen.

Na over de verschillende gronden en de onderlinge vermenging der aardsoorten gehandeld te hebben, gaat de Schrijver over tot de meststoffen en zegt te regt, hoe vreemd dit ook voor eenen nietlandbouwkundige moge klinken: ‘De mesthoop is de goudmijn voor de landhuishouding, en dus kan er niet te veel zorg aan besteed worden.’ Doch wanneer de Schrijver, na van den rundermest

[p. 17]

gesproken te hebben, zegt: ‘Het schaap voedt zich met drooger, scherper en harder gewassen, geeft ook alzoo hardere, scherpere, meer stik- en koolstof bevattende drekstoffen’ (§ 407), komt ons dit niet juist voor. Het verschil dier twee mestsoorten kan in het verschil van voedsel niet alleen gezocht worden. Vele schapen gebruiken hetzelfde voedsel, dat aan het rundvee gegeven wordt, en echter is het verschil in de beiderlei meststoffen zeer groot. Zoo kunnen wij ook niet toegeven, dat de schapenmest voor zandgronden te heet zou zijn (§ 408), alzoo dit met de dagelijksche ondervinding niet overeenkomt.

In het hoofdstuk handelende over het braken en de afwisseling der gewassen, neemt de S., volgens vele proeven en ondervindingen, aan, dat de korensoorten ten aanzien van de aan den grond voedsel ontnemende eigenschappen, in eene naauwe betrekking staan met de voedzaamheid der korrels, zoodat, wanneer dezelve

bij de Rogge = 10 zijn, die
van de Tarwe = 13,
van de Garst = 7 en
van de Haver = 5 zijn (§ 487).

Wat deze verhouding betreft, nemen ook wij gaarne aan, dat een mud Rogge nog eenmaal zoo veel voedende deelen zal bevatten als een mud Haver, en dat dus een mud Haver slechts half zoo veel vaag uit den grond zal genomen hebben als een mud Rogge. Hieruit echter volgt niet, dat een bunder met Haver bezet slechts de helft van de vaag zou verliezen, van hetgeen een bunder met Rogge zou behoeven. De S. heeft dit waarschijnlijk ook niet bedoeld; doch ter voorkoming van misverstand had dit kunnen worden aangestipt.

Ten einde steeds voordeelige gewassen te bekomen, is ongetwijfeld eene behoorlijke afwisseling van gewassen noodzakelijk, en wij stemmen gaarne toe, dat eene der redenen dáárin moet gezocht worden, dat niet alle planten hetzelfde voedsel zonder onderscheid gebruiken, en dat dus het eene gewas voedsel voor het andere overlaat; doch dat deze afwisseling van vruchten en eene goede keus mede noodzakelijk zou wezen, omdat de uitwerpselen van sommige planten voor haar zelve en voor bijzondere andere soorten nadeelig zouden zijn, wordt niet meer algemeen aangenomen, en steunt althans op geene genoegzame ondervinding (§ 224, 489.)

De kenteekenen van het vruchtwisselend stelsel zijn § 519 zeer goed opgegeven; wij zien echter niet, waarom men, behoudens hetzelve, geen bepaald bouw- en groenland zou kunnen hebben, en voor zoo verre dan is niet het drieveldsstelsel, doch wel het gescheiden bouw- en graslandstelsel daarmede vereenigbaar. Eene bestendige afwisseling van granen, peulvruchten, wortelgewassen

[p. 18]

en voederkruiden maakt het ware kenteeken van het vruchtwisselend stelsel uit.

Bij deze afwisseling van gewassen, en voornamelijk door het bouwen van eene aanzienlijke hoeveelheid van voederkruiden, blijft het land in den besten toestand. De eigenlijk gezegde graansoorten ontnemen aan den grond veel meer voedsel, dan zij door het stroo, dat in de mestvaalt wordt opgenomen, aan denzelven terug geven, terwijl wikken, erwten, klaver, spurrie, als voedergewassen, den grond veel meer plantenvoedsel of vruchtbaarheid bijzetten, dan zij denzelven ontnomen hebben. Of onder de voederkruiden ook grassoorten verdienen te worden opgenomen, wordt verschillend begrepen. Die zich tegen het zaaijen van grassoorten verklaren, geven als reden, dat het land door dezelve ligtelijk vuil wordt.

Boekweit wordt, in zeer vele streken van ons Vaderland, niet op het land afgedorscht, maar, even als ander koren, in bergen of schuren gereden, gelijk ook het raapstroo in sommige streken nooit verbrand, maar tot strooijing aangewend wordt (§ 558). Dat van de vele dorschwerktuigen geene zou voldoen dan het dorschblok, hetwelk in Groningen en Friesland gebruikt wordt (§ 560), is te veel gezegd. Men kent op vele plaatsen, in verschillende landstreken van Europa, Engelsche dorschwerktuigen, welke zeer goed schijnen te voldoen, en bij lange na niet zoo veel kosten als dat, van hetwelk in het Werk van Laudon, door den S. aangehaald, wordt gewag gemaakt. Het Groninger dorschblok, intusschen, verdient alle aanprijzing en is ook buiten Friesland en Groningen bekend en in gebruik.

Ten aanzien van de Aardappelenteelt, is het eene algemeene opmerking, dat zeer vet land wel voor de hoeveelheid van aardappelen, maar geenszins voor derzelver hoedanigheid verkieslijk is; doch wij kunnen niet toestemmen, dat erwten en aardappelen tegen elkander overstaan, zoodat, waar de een het best staat, de andere het slechtst zal staan, alzoo wij zeer vele gronden kennen, waar beide zeer goed slagen (§ 570).

Bij de cultuur van het Vlas (§ 587) wordt melding gemaakt van het werktuig van den Heer Christian, waardoor het vlas zonder roting zou kunnen worden bewerkt. Dit werktuig, in Frankrijk uitgevonden en waarvan men zich veel goeds beloofde, is ook hier te Lande beproefd, doch niet voldoende bevonden.

Toen de Schrijver dit Werk uitgaf, beloofde men zich in alle landen van het Fiorijngras (Agrostis stolonifera) nog wonderen; thans echter wordt aan hetzelve onder al de grassoorten de eerste rang niet meer toegekend.

De eetbare Kastanje (castanea vesca) kan in ons Vaderland bezwaarlijk ‘de stoute kastanjeboom, die als een eik opgroeit,’ ge-

[p. 19]

noemd worden (§ 743). De Walnotenboomen kunnen, wanneer dit met omzigtigheid geschiedt, zeer goed verplant worden (§ 744). Dat de kastanje- en walnotenboomen eene schadelijke uitwaseming zouden hebben, en daarom noch in warmoezerijen, noch tusschen andere ooftboomen zouden moeten geplaatst worden, is veelmalen gezegd, doch niet bewezen Integendeel, men kent verscheidene zeer vruchtbare appel- en perenboomen naast groote notenboomen staande.

Dat in Noord-Holland het kalvermesten een voornaam gedeelte van het bestaan eens veehouders zou uitmaken (§ 834), kan niet algemeen worden aangenomen, gelijk ook niet kan worden toegestemd, dat de donkerkleurige paarden de vruchtbaarste zouden zijn (§ 879), alzoo dit door de ondervinding niet bevestigd wordt.

Wij wenschen aan deze nieuwe uitgave eenen aanzienlijken aftrek, en dat dezelve vooral moge komen in handen van vele eigenlijk gezegde Landbouwers.

prepostterug  begin  verder