terug  begin  verderprepost

Aanteekeningen en Waarnemingen van Ricord, Hoogleeraar en Heelkundige van het Hospitaal der Venerischen te Parijs; uit het Fransch door J.A. Mulder, Chir. et Obst. Lid v.d. Prov. en Plaats. Geneesk. Comm. te Utrecht.

Te Utrecht bij C. van der Post, Jr. 1836.

Er is welligt niemand, die, in later' tijd, meer heeft bijgedragen, dan Ricord, tot eene grondige en positieve kennis van die noodlottige ziekte, welke zoo eigenaardig gezegd wordt: aan den bloesem van het menschelijk geslacht te knagen. Met eene belangrijke dienst belast in het Hôpital des Capucins, te Parijs voor deze ziekte ingerigt, heeft hij de ruimste gelegenheid tot derzelver naauwkeurige waarneming. Vol talent en ijver heeft hij gretig deze gelegenheid aangewend, ten einde tot eenige vaste resultaten te geraken, omtrent zoo vele betwiste punten van de leer der Syphilis. Het dwaalspoor van vooronderstellingen en twisten verlatende, nam R. eerst den moederspiegel, daarna het inëntinglancet ter hand, en bewees met daadzaken de gronden, waarom nu eens primaire verschijnselen het geheele organisme doordrongen, dan weder een zuiver plaatselijk lijden verbleven. Hij toonde het aanvangspunt aan dier vreesselijke ziekte, welke den mensch zoo diep vernedert, en leerde hierdoor het kwaad in deszelfs oorsprong te stuiten. Daarenboven bewees hij, in overeenstemming met andere geneeskundigen, nadrukkelijk het misbruik dier metaalmiddelen, dikwijls erger dan de kwaal zelve; terwijl hij, van de andere zijde, derzelver onwaardeerbare voordeelen, bij eene rationeele aanwending, op waren prijs leerde stellen.

Zóó vele en zóó groot zijn Ricord's verdiensten in dit gedeelte

[p. 20]

der geneeskunde. Jammer is het derhalve, dat, tot nog toe, slechts kleinere opgaven, rapporten en soortgelijke stukken door hem uitgegeven zijn, gedeeltelijk aan de Fransche Koninklijke Akademie der Geneeskunde voorgedragen, gedeeltelijk in de geneeskundige dagbladen geplaatst. In 1834 gaf de Schrijver voor het eerst eene verzameling derzelve uit, ouder den titel: Mémoires et Observations. Het is deze, waarvan eene overzetting ter onzer beoordeeling ligt, vervaardigd door een' der kundigste Utrechtsche Heelkundigen, den Heer J.A. Mulder. Vraagt men, of er in ons Land behoefte zij aan zoodanige lectuur, dan wel, of de behandeling van syphilitische ziekten bij ons reeds dien trap van eenvoudigheid en doelmatigheid bereikt hebbe, dat het niet noodig is, nader op dit punt terug te komen? zoo gelooven wij, hoe ongaarne ook, de laatste vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Indien een blind empirisme nog zoo menigwerf de uitoefening der geneeskunde bij ons bezoedelt, nergens voorzeker heeft hetzelve vrijer spel dan in de behandeling dezer ziekte, van welke echter de hoop eens toekomstigen geslachts afhangt. Daarom danken wij den Heer Mulder, die zijne wetenschappelijke opleiding zich waardig toont, door aan zijne kunstbroeders een Werkje in handen te geven, hetwelk eenige eenvoudige waarheden omtrent dit onderwerp bevat. Gaan wij, na deze lange voorafspraak, tot de beschouwing van deszelfs inhoud over.

Deze verzameling bevat negen stukken. Het eerste is de memorie aan de Akademie der Geneeskunde aangeboden, omtrent de resultaten door de algemeene aanwending van den moederspiegel gevonden. Deze resultaten waren zoo belangrijk, en, door derzelver nieuwheid en eenvoudigheid, zoo treffend, dat de Akademie, tegen hare gewoonte, onmiddellijk tot derzelver uitgave besloot. Eene tweede verhandeling beschouwt opzettelijk en uitvoerig de blennorrhagie bij de vrouw, derzelver complicatiën en kuur. De derde verklaart de zamenstelling van het gewigtig werktuig, dat Ricord tot zoo belangrijke ontdekkingen leidde. De volgende stukken zijn van minderen omvang en van gemengden inhoud. Zij loopen over het gebruik van blaartrekkende pleisters bij bubonen, van iodiumtinctuur bij waterbreuk, over de phimosis en hare operatie. Tusschen deze verhandelingen in, vindt men het verslag van twee kunstbewerkingen: de eene, de wegneming van den hals der baarmoeder; de andere, die van een' voorgevallen' endeldarm. Eindelijk besluit R. deze verzameling met een woord tegen Hufeland gerigt, die hier voorzeker het onderspit moet delven voor eene partij, zoo geheel op zijn terrein geplaatst. Ricord zoekt hem het verschil tusschen gonorrhee en syphilis te bewijzen.

Ofschoon niet al deze verhandelingen ons even gewigtig voorkomen, zoo bevat toch elk derzelve iets nieuws en belangrijks,

[p. 21]

en wij kunnen niet nalaten het geneeskundig publiek geluk te wenschen met de kennismaking aan dezelve. Het is hier minder de plaats, om elke verhandeling kritisch te onderzoeken. Maar het zij ons vergund den wensch te uiten, dat de Heer Mulder zich de moeite mogt geven, hetgeen van genoemden Auteur na het jaar 1834 in verschillende Fransche journalen is verschenen, te verzamelen en, als eene bijdrage, aan onze landgenooten aan te bieden. Dit is des te gewigtiger, omdat de wetenschappelijke loopbaan van R. na dien tijd eene belangrijke verandering heeft ondergaan. Vroeger in eene gemengde dienst aangesteld, heeft hij sedert, door de verplaatsing der vrouwen naar de Ourcine, dezelve met eene talrijke mannendienst verwisseld. Toen heeft hij de hoogstgewigtige inëntingsproeven genomen, welke zijne vroegere waarnemingen op eene voortreffelijke wijze bevestigen en daarenboven tot gewigtige resultaten leiden omtrent het verschil van primaire en secundaire syphilitische verschijnselen. Een uitvoerig Werk staat op het punt, door den Auteur, over deze proeven in het bijzonder, uitgegeven te worden. Maar reeds nu zijn de hoofdresultaten bekend. Wij vergenoegen ons eene volkomene verhandeling: Considérations practiques sur le Chancre, aan te halen, welke het vorige jaar verschenen is.

Ricord geeft des zomers publieke lessen over venerische ziekten en bevlijtigt zich, om ook in zijn hospitaal een klinisch onderwijs daar te stellen, hoedanig een men welligt nergens aantreft. Hier naar toe stroomen Franschen, Duitschers, Engelschen en ook Hollanders, om aan het ziekbed de resultaten der rijke ervaring van Ricord te vernemen en bevestigd te zien. Niemand is er, die niet met zijne geestige, heldere voordragt ingenomen, door den rijkdom van nieuwe daadzaken en vernuftige beschouwingen geboeid, het hospitaal verlaat. Vele nu dezer lessen zijn door verschillende toehoorders aangeteekend, opgemaakt en in onderscheidene geneeskundige papieren geplaatst. Dit alles is het, wat wij, in onze taal bewerkt en in eene doelmatige orde gerangschikt, van den Heer Mulder afvragen.

Eindelijk, ten einde nog eens op het nu reeds geleverde terug te komen, de druk en de uitvoering zijn uitnemend; de overzetting is over het geheel zeer goed; maar wij hadden wel gewenscht, dat eenige zinstorende fouten óf vermeden, óf achteraan waren opgegeven. De noten, waarmede de Heer M. het Werkje verrijkt heeft, kunnen niet anders, dan den lezer hoogst welkom zijn. Alleen vergunnen wij ons eene aanmerking tegen die, geplaatst op bladz. 2, alwaar de Vertaler de dispensaires bepaalt te zijn: ‘inrigtingen van weldadigheid, in welke genees- en heelkundige hulp en ook geneesmiddelen, om niet, aan behoeftigen uitgereikt wor-

[p. 22]

den.’ De inrigtingen, dus beschreven, behooren tot eene onderneming, waartoe reeds sedert 1780 bijzondere personen zich onder den naam van Sociètè philanthropique vereenigd hebben en welke onder de onmiddellijke bescherming van den Koning staat. De dispensaires daarentegen, waarvan Ricord spreekt, maken eenen politiemaatregel uit, ten einde de verbreiding der venerische ziekte bij de publieke vrouwen tegen te gaan. Hiertoe zijn er zalen ingerigt, waar deze verpligt zijn, zich tot het onderzoek te vertoonen, en waar zij óf verpleegd worden, óf kosteloos geneeskundige hulp erlangen. Parent-du-chatelet heeft uitvoerig en geschiedkundig deze inrigting voorgesteld in het tweede Deel van zijn klassiek Werk: Sur la prostitution dans la ville de Paris, p 45 en volg., waarnaar wij te dezen opzigte verwijzen.

prepostterug  begin  verder