terug  begin  verderprepost

Verdediging van Mej. H.J.C. Leurs, door Mr. J. van de Poll, met bijgevoegde Aanteekeningen uit de Pleitrede van Mr. C.J. Vaillant.

Amsterdam, bij D. Groebe en A. Zweesaardt, 1837.

Eene gedrukte Pleitrede! Voorwaar een zeldzaam verschijnsel. Men is er reeds zoo aan gewoon, dat de arbeid der Advocaten, te weten: hunne pleitmemoriën, ongedrukt, ja, niet zelden onaangehoord, in de bestovene lokketkasten begraven worden, dat de plotselinge verschijning van een zoodanig stuk in staat zou zijn, de geheele rolverdeeling der recenserende gezelschappen in de war te sturen. Daarom mag intusschen dit verschijnsel niet onopgemerkt blijven. Integendeel: was niet reeds de zeldzaamheid eene aanbeveling, waarheidsliefde zou het onderzoek bevelen, gelijk onpartijdigheid eene billijke schatting gebiedt.

De aanleiding tot de uitgave dezer Pleitrede vindt men in eene even korte als kernachtige voorafspraak vermeld. Niet de gedienstige raad van goede vrienden (meestal de onhandige accoucheurs van onvoldragene lettervruchten), maar edeler drangredenen bewogen den Schrijver. Hij treedt op als kampioen voor onverminkte publiciteit. De aanklagt tegen zijne cliënt was openbaar gemaakt; de dagbladen hadden, welligt ter liefde van den nieuwshonger der menigte, meer den spoed dan de naauwkeurigheid betracht; de aan hem toevertrouwde belangen konden er onder lijden; - de verdediging mogt niet achterwege blijven: ziedaar de redenen, waarom zij het licht ziet! Wie deze redenen niet eerbiedigt, en er den Schrijver niet om hoogacht, vergaste zich aan de Acte van Beschuldiging, en wrake in stilte de regterlijke vrijspraak.

Bij de vermelding van dit geschrift behoeft het geen betoog,

[p. 23]

dat het regtsgeding zelf, en het wegen der gronden voor schuld of onschuld, geheel buiten onze bevoegdheid liggen: de Regter heeft geoordeeld. Maar de Pleitrede is een verschijnsel geworden in de letterkundige wereld. Onder dien titel is het van ons gebied niet uitgesloten. En als zoodanig mag men vragen, of het de eischen bevredigt, die men met regt aan zulke voortbrengselen doet? Men mag dus vragen: of orde in de ontwikkeling, helderheid in de voorstelling heerschen; of bondigheid en klem van redenen het betoog kenmerken; of het geheel zich door sierlijkheid van stijl, gepaard met den ernst, die aan het onderwerp past, gunstig onderscheidt? Recensent aarzelt, om op deze vragen te antwoorden; - hij aarzelt, - omdat hij de verdenking vreest van overdrevene lofspraak. En echter hebben wezenlijke verdiensten een onbetwistbaar regt op erkenning. De lezer zij billijk!

Met eene krachtige greep plaatst ons de bekwame Verdediger al dadelijk op het standpunt, van waar, naar zijne meening, deze hoogst belangrijke zaak beschouwd moest worden. ‘Niet van de naakte daadzaken, niet van dat dor en levenloos geraamte, maar van de persoon der beschuldigde vange het onderzoek aan.’ De keuze van dat standpunt was meer dan gelukkig; zij was oordeelkundig, zij moest beslissend zijn. Had de aanklagt al het stoffelijke in haar voordeel, de hulpmiddelen der verdediging behoorden uitsluitend op het gebied der zedelijkheid, en konden alleen uit de persoon der beschuldigde zelve ontleend worden. Eenige fiksche trekken teekenen ons tot dat einde het beeld eener vrouw, die.... Ik bid u, Lezer! beschouw zelf die keurige schets; toets haar aan de regelen der welsprekendheid, maar nog liever aan uw eigen hart, en zoo gij door al de akeligheden van de Gazette des Tribunaux niet te zeer overprikkeld zijt, zult gij bevinden, hoe men ook in het Hollandsch roerend kan zijn, zonder flaauwhartig te wezen, treffend, zonder bombast, en gemoedelijk ernstig, zonder valschen pathos.

Tusschen het aldus geschetste voorwerp en de misdaad lag eene groote klove. De beschuldiging had getracht die aan te vullen: waarmede? Dat onderzoekt thans de Verdediger in de eerste twee hoofddeelen zijner rede. De directe en indirecte bewijzen door den aanklager aangevoerd, worden achtervolgens ontleed en aan eene strenge critiek onderworpen: de Verdediger volgt daarbij de aanklagt voet voor voet; betwist haar elken duimbreed gronds, en laat niets onbeproefd, om het zonneklaar der Acte van Beschuldiging tot het schijnsel van een nachtpitje terug te brengen. - Het spreekt van zelf, dat wij niet mogen beslissen, in hoe verre hij hierin geslaagd zij: wij mogen alleen hulde doen aan de scherpzinnigheid en dialectische kracht, welke in dit gedeelte vereischt,

[p. 24]

maar ook niet gemist werden. Er was echter nog iets, dat bij deze gelegenheid bijzonder onze aandacht trok. Het was, namelijk, de kieschheid en hoogst beschaafde toon, waarop de verklaringen der Getuigen wederlegd of hunne dwalingen teregt gewezen werden; het was over het algemeen die tint van echte humaniteit, welke over het geheele betoog, als een geurig waas, lag heengespreid. Verwonder u niet. Lezer! dat juist dit, hetwelk gij welligt als een verpligt iets beschouwt, door ons als eene bijzonderheid werd opgemerkt: woon eenige teregtzittingen van Crimineele zaken bij, en gij zult u niet meer verwonderen, waarom wij dit deden. In het derde deel zijner Rede keert de Verdediger tot het punt van aanvang terug. Het overblijfsel van vermoedens tegen de Beschuldigde moest onzijdig gemaakt worden, door hetgene voor haar getuigde. Hiertoe dienen in de eerste plaats een zeker aantal bijzondere omstandigheden, waarin de Verdediger bewijzen voor onschuld beweert te vinden, en waarvan hij inderdaad een meesterlijk gebruik maakt. Het slot der Rede bevat eene uiteenzetting van de Antecendenten en het gedrag der Beschuldigde nà de ontdekking. Van dit laatste zeggen wij niets. Waarom? Omdat men eene schilderij beschouwen, maar niet betasten moet; - omdat de schoonheid van het geheel onder het ontleedmes verloren gaat.

En hiermede zouden wij onze taak, die meer eene vermelding dan beoordeeling ten doel had, voor afgedaan kunnen houden. Maar, vraagt men, valt er dan niets aan te merken? Heeft de Recensent, die scherpschutter van letterkundige onvolmaaktheden, op dit veld dan niets kunnen vinden? O ja! stel u gerust, christelijke vrager! Er is wel eenig wild; maar ge moogt het zelf zoeken. Zoek het b.v. in taalkundige onnaauwkeurigheden, doch vooral in het gebruik der zoogenaamde stadhuis-woorden. Hebt gij ze gevonden, dan zullen wij het met u bejammeren, dat onze balie-welsprekendheid zich nog maar niet van dat barbaarsche juk kan losrukken. En indien gij u dan al verder met sommige uitdrukkingen niet al te best vereenigen kunt; indien gij b.v. vindt, dat de tegenstelling op bl. 27: ‘hetzij hier (in Amsterdam) hetzij in de Provinciën, wat al te oud-Amsterdamsch riekt, en doet denken aan Paris et les Provinces, de laatsten als onbeduidend aanhangsel der eerste, dan zullen wij al weder met u instemmen; maar het er toch voor houden, dat de Schrijver het zoo niet gemeend heeft. Voor het overige zoeke en vinde een ieder, zoo veel het hem lust, gebreken en onvolmaaktheden, maar liefst met het christelijke doel, om ze naderhand in eigen' arbeid te vermijden.

prepostterug  begin  verder