Menzel heeft van Spindler gezegd, dat de voorname letterkundige Aristocratie dezen nooit de ruwheid zal vergeven, door welke hij in den vorm zondigt, daar zij het krachtige en zelfs wilde penseel alleen in de schilderkunst weet te waarderen, maar dichterlijke voortbrengselen daarentegen zoo afgewerkt, zoo flaauw - juist verlangt als de tafereelen van onzen Ridder Van der Werff (zeggen de Catalogussen). Een beoordeelaar ten onzent, dien ik hooger schat dan den Redacteur der Litteratur-Zeitung, heeft het onlangs, in dit Tijdschrift, tot de verdiensten van een' Roman gerekend, wanneer de Schrijver, in zulk een Werk, een afgetrokken begrip of eene wijsgeerige gedachte met vleesch en been bekleedt, of wilt gij liever, aanschouwelijk voorstelt: en Spindler te dien opzigte loffelijk onderscheiden.
Wij herinnerden ons onwillekeurig beide oordeelvellingen onder het lezen van dit nieuwe bewijs der talenten en gebreken van den verdienstelijken Auteur van der Jude, der Jezuït u.s.w., en zullen het aan beide ih omgekeerde orde toetsen. Is er eene begeleidende, bezielende gedachte in dezen Roman, en indien er eene in is, welke dan? Wij gelooven ja, maar vonden haar noch in de woorden, waarmede Spindler het eerste Deel opent, noch in die, welke hij tot motto van het tweede koos. De eerste luidt: ‘“Pronk niet met uw geluk,” - zeiden de Ouden; - “maar verberg het achter slot en grendel, opdat de afgunstige Goden het niet storen, opdat de Eumenide niet haren tol eische.”’ De tweede: ‘Het menschelijk hart is een reddeloos schip op de stormachtige zee, als zijn roer gebroken en zijn plechtanker verloren gegaan is.’ De spreuk voor het Eerste Deel is naauwelijks eene gepaste Inleiding te noemen; want schoon Heckdey (de Egoïst), door het zien van een familiestuk op eene tentoonstelling, zich de geliefde zijner jeugd herinnert, en dit de aanleiding wordt tot haren ondergang en dien van haar gezin; men zal toch wel niet willen beweren, dat zich en de zijnen te laten uitschilderen, en dit tafereel, op verzoek des kunstenaars, op eene openbare tentoonstelling te doen bezigtigen, pronken is met zijn geluk! Hoe vele afbeeldsels van allerliefste vrouwen zouden wij nimmer hebben aanschouwd, indien dit waarheid was! De spreuk voor het Tweede Deel is door den Vertaler banaal verklaard: ‘Wat in den storm der hartstogten het menschelijk hart tot roer en plechtanker verstrekken moet, en alleen verstrekken kan, zal bij allen, die godsdienst en deugd
vereeren, en het gevaarlijke beseffen, van op eigene sterkte ligtzinnig te vertrouwen, wel geene uiteenzetting behoeven.’ Waar, zeer waar, maar zoo onbetwistbaar waar, dat alleen Miss Hannah Moore c.s. meer een' Roman ten betooge dier waarheid schrijven zal.
Boa Constructor heet de Roman in het oorspronkelijk; de Egoïst, koos de Vertaler: zonder in de geheimen der natuurlijke historie der slangen te zijn ingewijd, zonder den tweeden titel uit het een of ander zedekundig vertoog te hebben verklaard, geloof ik, dat elk mijner Lezers eenig verband tusschen beide namen zal zien. Of denkt hij niet onwillekeurig aan een dier venijnige schepselen, die zich om hunne offers kronkelen tot deze stikken? (welke gruwzame verbeelding dacht toch voor onze Schoonen zulk een halssieraad uit?) Of heeft de zelfzucht niets van het kruipend gedierte, dat door zijnen beet de onschuldigen doodt, en zich met het bloed der argeloozen voedt?
Heckdey, een Duitscher, ouder in leven, dan in jaren, komt uit de West-Indiën terug, - zij, die het lot er onbarmhartig heenzweept, keeren zelden anders dan onbarmhartig weder; - hem vergezelt een neger en eene Creoolsche - slaven en boelinnen, de vloek der Westersche wereld; - hij ziet de beeldtenis van Eugenia, het meisje, dat hem eene onberadene gelofte deed, de vrouw, die nu de gelukkige echtgenoot van een' ander is, de moeder van twee engelachtige kinderen. En wat doet de West-Indiër? vermijdt hij het huis, waarin zijn voet die des ongeluks moet zijn; weêrstaat hij den honger der nieuwsgierigheid, den dorst naar vergelding, wraak, zegepraal? Neen, hij overschrijdt den drempel: wee, Eugenia! wee, Leopold! wee, Cecilia! wee, Rudolf! de leden van het gelukkig gezin! en wanneer men, na zulke slagtoffers, nog van minderen spreken mag, wee, Diana, de Creoolsche! wee, Elize! wee wien niet al, want het egoïsmus telt zijne slagtoffers niet, het denkt slechts aan zich zelf!
L'intolérable métier de lire des épreuves et le métier plus intolérable encore d'analyser des Romans, zegt Nodier, van Fransche Romans sprekende: wat zoude hij gezegd hebben, indien hij een' Duitschen had moeten ontleden; indien hij het er een' van Spindler had moeten doen? Want in weelderigheid van verbeelding, rijkdom van toestanden, afwisseling en verscheidenheid staan de kunstenaars onzer Oostelijke naburen zóó verre boven die onzer Zuidelijke, als de laatste de eerste gewoonlijk in geest en smaak achter zich plegen te laten. Een ander Recensent heeft van dit Werk gezegd, dat Spindler ditmaal De Balzac, Eugène Sue, Victor Hugo enz. (want ik weet niet, wie eenige menschen al niet in éénen adem noemen) had geplunderd of nageschreven! Spindler en De Balzac, een reus en een dwerg, Mijne Heeren! ziet toch wie gij vergelijkt! Spindler en
Eugène Sue, - wilt gij het onderscheid kennen, hoe een Duitscher en een Franschman het egoïsmus schilderen, leest na den Egoïst la Vigie de Koät-ven, Spindler's Heckdey boezemt u afgrijzen in, hoeveel moeite heeft Sue verspild, om zijn' Comte Henry de Vaudrey te doen bevallen. Spindler en Victor Hugo! maar gij schertst, goede lieden! of als gij van Victor Hugo spreekt, bedoelt gij slechts zijne Drames, die niemand fraai vindt; bewijst gij, dat gij hem als Lierdichter niet kent, het éénige vak, waarin hij genade vond in de oogen van Nisard, het éénige ook, waarin hij onsterfelijk zal zijn, waarin wij, die geene Parijzenaars zijn, hem kennen moesten! Doch wij dwalen af, die andere Recensent, wilde ik zeggen, heeft een geraamte van den Roman gegeven, ik heb er geen' moed toe!
Want niets is onregtvaardiger, dan een verslag der onheilen, die het egoïsmus van Heckdey in dit Boek aanrigt, niets akeliger dan eene reeks der gruwelen, die hij bedrijft, zonder de omstandigheden te vermelden, welke tot deze leiden, zonder de scherp uitstekende beenderen met het weefsel van vleesch te bekleeden, dat de afzigtelijkheid minder stuitend maakt. En wanneer ik dit juist en goed zoude willen doen, ik zoude een' Roman moeten schrijven en geene beoordeeling; en wat zoude het mij nog baten? Aan het einde van denzelven zou ik moeten bekennen, zoo als ik nu van Spindler's Egoïst getuig, dat de ellenden, die eigenbaat en zelfzucht aanrigten, alleen niet genoeg zijn, om de begeleidende en bezielende gedachte van een' Roman in twee Deelen te zijn. Het is eene troostelooze, het hart nederdrukkende, het hoofd somber makende gedachte, eene dier waarheden, op welke men zwijgt,
Lasciati ogni speranza voi ch'entrate.
Of Spindler de wetten der kunst niet schond, door tot op de vóórlaatste bladzijde naast den tot ontrouw en diefstal verleiden echtgenoot, de door liefde tot wanhoop gebragte dochter, den tot vestingstraf veroordeelden zoon, de in hare kinderen van alle levensheil beroofde moeder, geen enkel vrolijk beeld te schilderen; - of hij het hart niet pijnigt, door slechts aan het einde voor moeder en zoon de hand der hemelsche Voorzienigheid uit de wolken des aardschen levens te doen zien: wie zal het ontkennen? Doch aan den anderen kant, wie zal den kunstenaar veroordeelen, die een donker tafereel wilde schilderen uit eene eeuw, waarin het egoïsmus onder allerlei vormen wordt gepredikt en aangebeden, een tafereel, waarop hij den moed heeft, aan het einde het licht te doen vallen:
‘Heckdey velde over zich zelven het strengste vonnis: Hij veroordeelde zich zelven te leven.’
Ziedaar ons oordeel over de kunstwaarde en de zedelijke ver-
dienste van dezen Roman; doch er is nog iets. Het is een verhaal uit onzen tijd; maar geen der personen zijn Christenen in den echten zin des woords. Wij zouden hierin de bitterste satyre zien, nog op onzen tijd geschreven, indien de Auteur zelf niet als een Heiden sprak. Wij weten niet, tot welke kerk Spindler behoort; maar dit weten wij, dat ons Hollandsch publiek, de Hemel zij geloofd! nog verre is van de origineelen zulker naam-Christenen als hij schilderde, aan te bieden, en hen ten minste door den Auteur wil hooren afkeuren; - het heeft gelijk!
De letter is goed, het papier ongelijk. De vertaling had beter, het vignet bevalliger kunnen zijn. Wanneer Diana niet schooner was, dan het beeldje op den titel, zoude Leopold niet op haar verliefd zijn, neen, Heckdey haar niet mede hebben gebragt uit de West Indiën; en onbevangen, liefde die men zich op zijne wijze aanpast, bruidvoerders, in plaats van speeljonkers, een bruid en zijn held met kransen van roem aan elkander gehecht, loerend, voor kortelings, veelzeggende wenk, een huivering die haar overliep, zoo moet gij mij niet aankomen, Mevrouw! enz., enz.; zijn vlekken, onzer schoone moedertaal een gruwel!