terug  begin  verderprepost

Handboek der Analytische Scheikunde van H. Rose, naar de derde Uitgave vertaald, door J.E. de Vrij, Apotheker te Rotterdam, met eene Voorrede van G.J. Mulder, en Bijvoegselen des Schrijvers.

Te Rotterdam, bij P.H. van den Heuvell, 1835-1837. 2 Deelen, 8o. (1e Deel 739 bl. 2e Deel 899 bl.)

‘Niet zoo zeer in het vergrooten van het aantal natuurproducten, aan de Scheikunde aangeboden, maar in het naauwkeurig onderzoeken van hetgeen men thans kent, is de bevordering der wetenschap van onze eeuw gelegen. Bekwame hoofden en handen verleenen er zich in menigte toe, om in dien zin thans voort te streven, en stuwen de kennis aan de stoffelijke wereld thans met eene vaart vooruit, die achting afdwingt voor kennis en ijver, voor genie en geduld, voor juistheid van oordeel en keurigheid van uitvoering. Er is eene beschaafdheid in de wetenschap gekomen, indien ik dit zoo noemen mag, welke haar aanbeveelt aan allen, die haar zelfs maar oppervlakkig hebben leeren kennen; de ruwe vormen en de grove onjuistheden hebben plaats gemaakt voor edelen schijn en edel wezen, voor eenvoudige, maar voor ware kennis der verhevene natuur.’

Het is zoo, zoowel de Scheikunde in het bijzonder als de natuurkundige wetenschappen in het algemeen, gaan thans, gaan in onze eeuw dien roemrijken en vasten weg. Zij werpen omverre wat van met de natuur strijdende dwaasheden nog in de overleveringen der tijden was overgebleven, en steeds voortgaande met dezen roemrijken arbeid, staan zij pal op den éénmaal ingenomen' grond. Zij zullen van dáár door geenen banvloek der huijchelende domheid of door geene listen der heerschzuchtige schelmen worden verdreven.

Er is geen vak, dat zijne eigene misslagen zoo onophoudelijk leert kennen, aan den dag brengt en verbetert als dit, en daarom is er geen vak, dat zoo veel voortgaat op den weg der waarheid, dan dit.

Mogen hieraan Godgeleerdheid, Regtsgeleerdheid en Geneeskunde een voorbeeld nemen!

Dáárom, omdat de natuurkundige wetenschappen in het algemeen, en de Scheikunde in het bijzonder, de analytische of werk

[p. 63]

dadige Scheikunde vooral, zoo leeren, hoe men onderzoekt en hoe men de Natuur naspeurt, zoo leeren, hoe men gedwaald heeft, dwalen kan en hoe men die dwalingen verbeterd heeft en nog verbetert; dáárom achten wij het van zoo veel belang, dat ieder zich daarmede bekend maakt; dáárom wenschen wij met den geachten, werkzamen en nuttigen Schrijver dezer Voorrede, dat men bij ons moge ophouden zich te vergenoegen met aan te staren wat elders geschiedt.

Ja wij gaan verder. Juist om de vermelde eigenschappen der natuurkundige studiën, en wel niet slechts der theoretische, maar zeer bijzonder der practische beoefening derzelve, waarvan hier sprake is, juist dáárom achten wij dezelve onmisbaar voor den grondigen aanvang en voortgang van iedere wetenschappelijke opleiding, en wij zijn sedert lang in de vaste meening, dat eenmaal de tijd zal aanbreken, waarin men zal achten deze studiën in het algemeen te zijn een onmisbaar integrerend deel van eene goede opvoeding.

Eene opvoeding, waarin de grondige natuurstudie als hoofdzaak wordt beschouwd, zal ons voorwaar eerder tot ware beschaving brengen, dan onze vormcultuur, die slechts op wellevendheid doelt, en eene hoofdzaak is van al de nadeelen en afwijkingen, welke wij in onze beschaving zagen ontstaan en met den dag zien toenemen.

Is het voor den mensch in het algemeen noodig en nuttig, dat hij de werken der Schepping kenne, niet alleen naar den uitwendigen vorm, naar inwendig weefsel, neen, ook naar het innig zamenstel en de scheikundige verbinding; dat hij, zóó doende, de laatste banden losmake, de verborgenste bestanddeelen afzondere en voor den dag brenge; dat hij alzoo den weg leere, volgens welken men de Natuur onderzoekt: inzonderheid den geneeskundigen is de leiding langs dezen weg onmisbaar, maar dan ook grondige opleiding; waartoe juist de analytische Scheikunde behoort. Of zou men veelligt wanen, dat alleen om bestanddeelen der geneesmiddelen te kennen, alleen om een goed recept te schrijven, de aanstaande Geneeskundige zich met de Scheikunde moet bekend maken? Wie geen hooger standpunt kiest, zal de waarde der Scheikunde voor den Geneeskundige te laag schatten. Hij zal gelijk staan in zijne meening met het vulgus der Studenten en Geneesheeren, die aan de Scholen deze studie als bijzaak behandelden, en als Geneesheeren dezelve geheel vergeten waren.

De Geneesheer, ja, en ook de plattelands Heelmeester, is naturae minister et interpres. Hij wane niet, dat het hem zal gelukken de Natuur te verstaan, wanneer hij heeft verzuimd hier in de Scheikunde te leeren, hoe men de Natuur onderzoekt; als hij niet

[p. 64]

bij het zigtbare ter schole ging, om het in des menschen ligchaam verborgene onzigtbare te leeren uitvinden. Of leeren wij niet hier, in de Scheikunde, observatie, en wijst ons het experiment niet aan, de gebreken van onze observatie? In de Scheikunde wijzen onze uitkomsten en werktuigen ons de misslagen aan; zij spreken tot onze handen, onze zintuigen, ons verstand, en wij staan dáár, in de eenzame werkplaats, soms beschaamd over onze onhandigheid, over onze blindheid, over onze domheid: dáár kan het gebrek worden hersteld, dáár is dus oefenschool, dáár wijst het gebrek zich zelf aan en logenstraft onze waanwijsheid; doch hier, in de Geneeskunde, geeft de doodkist maar alléén antwoord op onze misslagen, en dat antwoord is nog zeer dubbelzinnig; wij weten dat beschamend antwoord van ons af te wenden en het der Natuur op den hals te schuiven.

O laat ons, door tijdige en grondige observatie met experiment te vereenigen, door tijdig en grondig de Natuur te bewerken, met haar bekend worden en haar leeren verstaan; laat de Geneeskunde, welke zulk een groot goed voor het menschdom kan zijn, welke haren beoefenaar den Goden gelijk kan maken, laat zij geen groot kwaad voor het menschdom wezen. Laat de Geneeskunde meer zijn dan het uithangbord, waaronder domheid met onbeschaamdheid tot menschelijk verderf zamenwerken!

Wat de Schrijver dezer Voorrede klaagt, en wat, volgens hem, Kasteleyn in 1786 klaagde, geeft stof tot onlust. Het ontbreekt aan subsidiën - zuinigheid.... misschien kleingeestigheid. Intusschen overdaad voor vormzaken, voor gunstelingen, enz., enz. Wetenschappen zijn wel eens meer als stiefkinderen behandeld; de glans is weinig en de opbrengst valt den kleingeestige niet zoo dadelijk in het oog. De wezenlijke waarde van een wetenschappelijk punt wordt zoo zelden geschat boven de schijnwaarde van vormen. Maar het wezen houdt stand en de vormen verdwijnen.

Ook op den geest van den werkzamen man laat zich dit toepassen; laten hulpmiddelen hem ontbreken, laat zijn tijdgenoot hem alléén laten staan, buiten gelegenheid om voort te werken; laat bij wetenschappelijk oogmerk alle geleerden hem verlaten; laat bij een weldadig menschlievend doel alle Christenen zeggen: Wij kunnen niets doen - de mannelijke geest gaat voort tot zijn oogmerk: het leven moge hem zuur en bitter worden, en der menschen wet moge hem ieder genot bederven, hij gaat voort, en komt, na oneindige moeijelijkheden, toch zijn doel nader.

Want het wezen blijft, de vorm verdwijnt.

Dat zelfde laat zich toepassen op hetgeen de Schrijver aan de jonge lieden zegt, die voorgeven geen' tijd tot eene grondige beoefening der Natuur- en Scheikunde te hebben. Schoon en juist

[p. 65]

zegt de Schrijver: ‘Arbeidzaamheid ontwikkelt zich door arbeid en daardoor maakt men tijd; luiheid en vadzigheid ontwikkelt zich in ledige uren, en daardoor verliest men het doel van zijn leven. Die het meest omhanden heeft, heeft het meest tijd overig voor hetgeen hij wil. Men verdeelt eenvoudig zijn leven, niet in jaren, maar in oogenblikken. Elke seconde is tijd, waarin hij, die wetenschappen beoefent, iets schoons, iets nuttigs zien kan. Die dit in zijne jeugd zich voorhoudt, weet voor zijn gansche leven.’

Intusschen, wie waren lust heeft, wien de ware geest bezielt, behoeft dit naauwelijks gezegd. Wie het wezen der zaak, den geest voor wetenschap, de zucht naar kennis heeft, die ontvangt kennis en wetenschap. En zijne werkeloosheid, zijne klagten zijn bewijzen (gelijk de Schrijver zegt) ‘dat men nog geen' lust naar onderzoek heeft, dat men nog niet dorstig is naar kennis en wetenschap, dat men niet brandt van verlangen, om zijne vermogens te ontwikkelen.’

Wij brengen onze hulde aan den Heer G.J. Mulder, als bevorderaar der Scheikunde in het algemeen in ons Land; aan den Heer De Vrij in het bijzonder, als kundig Vertaler van een goed Werk.

Wij wenschen, dat de Werken en de Wenken, welke de Heer G.J. Mulder schreef en gaf, invloed hebben, om den Geneeskundigen meer de Scheikunde te doen beoefenen dan thans nog geschiedt!

Maar zoo de Scheikunde in ons Land achterlijk mogt blijven, zoo hare waarde, als algemeen opleidingsmiddel voor den mensch, als bijzonder voorbereidingsmiddel voor den Geneeskundige, in onzen tijd mogt miskend blijven, het zal niet zijn omdat het ons aan mannen ontbreekt, die ons vóórgaan, opwekken en de hulpmiddelen aanwijzen.

De kracht, welke deze mannen hadden, om tot die hoogte te klimmen, zij zal hun niet verlaten. Wij wenschen hun die bij voortduring; want zoowel in deze als in andere zaken heeft men zielskracht, misschien veel zielskracht noodig, om te volharden in het goede.

 

Dr. Scheltema.

prepostterug  begin  verder