terug  begin  verderprepost

Blikken in de Wereldgeschiedenis en hare Leiding, door A. Bräm, V.D.M.; uit het Hoogduitsch vertaald door W. Laatsman, Predikant te Rheede.

Te Amsterdam, bij W. Messchert, 1836. 8o. x en 186 bl.

Een vreemd en zonderling geschreden Boek, waarin bij veel waars en bruikbaars, bij vele vernuftige en schrandere opmerkingen, vele gewaagde vooronderstellingen, onvoorziene uitspraken, veel gezwollenheid van stijl en gemoedelijke onzin gevonden wordt. Een Boek, dat zekerlijk aanleiding geeft tot nadenken, maar waaruit voor de

[p. 120]

beschouwing der Wereldgeschiedenis misschien zoo veel niet te leeren valt, als de Schrijver en ook de Vertaler, blijkens Voorrede en Inleiding, schijnen te vooronderstellen. Daar zijn in onzen tijd op zoo velerlei wetenschappen, zoowel diepe en heldere, als oppervlakkige en onbeduidende blikken geworpen, en ook de Geschiedenis bleef daarvan niet uitgezonderd. Mannen als Heeren, Joh. v. Müller, v. Rotteck, v. Raumer, e.a., hebben veel licht doen opgaan. Of de blikken van den Duitschen Godgeleerde, die bijzonder behagen schijnt te vinden in eene poëtisch-mystische wijze van voorstelling, welke ons soms aan Jean Paul, soms weder aan Coccejus herinnerde, tot de eerste of laatste soort behoore, beslisse de lezer. Wij, voor ons, gelooven, dat, indien een Schrijver het er op toelegt, om heldere en degelijke denkbeelden te ontwikkelen en ware kennis, van welken aard ook, te verbreiden, hij daartoe eenen anderen toon moet aanslaan.

De Inleiding plaatst ons op het standpunt, om de blikken van den Schr. te kunnen volgen. God openbaart zich in de Natuur, in de Geschiedenis en in zijn Woord. De verhouding, (lees: betrekking) welke zij tot elkander hebben, wordt aldus aangewezen, bl. 3: ‘De Natuur, de menschenwereld en het Woord Gods, zijn drie in één middelpunt getrokkene, dus in elkander liggende kringen, of, zoo gij wilt: het Voorhof, het Heilige en het Heilige der Heiligen in den tempel der openbaring Gods op aarde.’ - ‘De Geschiedenis is eene onderwijzing Gods in levendige trekken; een groot drama, niet in leugenachtige vermomming en nabootsing voorgesteld, maar in den heiligen ernst der werkelijkheid, en met de kracht en regten der waarheid uitgerust, bl. 17. ‘Zij is eene openbaring Gods, eene Theologie in het leven en door het leven. (Zij leert ons, (is de bedoeling) de eigenschappen, de weldaden, het bestuur van God over de wereld en zijne handelingen met de volkeren kennen). “Zij is ook eene openbaring van den mensch, eene Anthropologie in het leven, en door het leven,” bl. 18. Zij bevat den ontwikkelingsgang van het raadsbesluit Gods over de menschen, en leert ons Gods heerlijkheid in zijne regering en werken kennen; zij is eene verklaring van het woord Gods.’ bl. 20.

Op bl. 2 was ‘Gods Woord de sleutel tot het begrip van alle andere dingen,’ en op bl. 20 is de Geschiedenis weder de sleutel van den sleutel. O, zucht tot beelden en gelijkenissen! Er volgen: Omtrekken der Wereldgeschiedenis. I. Een overzigt van het geheel. ‘Christus en zijn Koningrijk is het ware heiligdom der Geschiedenis;’ bl. 23. ‘insgelijks het middelpunt.’ bl. 24. ‘De hoofdtijd. vakken der Geschiedenis zijn vier: a. de Voortijd. (tot den Zondvloed). b. De tijd van voorbereiding voor de komst des aanstaanden Verlossers, de oude tijd. c. De tijd van ontwikkeling, de nieuwe

[p. 121]

tijd. d. De tijd van overwinning, eindigende met het jongste gerigt (lees: laatste oordeel.) Tweede Omtrek. De twee voor ons zigtbare tijdvakken der Geschiedenis in hunne betrekking tot den gang van het Koningrijk van Christus, bl. 27. God openbaart zich aan Abraham; zorgt voor eene eigenaardige volksopvoeding enz. der Israëlieten, - de andere volken gingen hunne eigene wegen; geheel de oude wereld moest eene groote algemeene ondervinding opdoen, die haren hoogmoed vernederen en haar voor de groote verlossing kon vatbaar maken; - dat de verwijdering van God de kiem des doods in zich draagt, moest zij leeren erkennen enz. Hier wordt veel goeds en voortreffelijks gezegd over den toestand der oude wereld buiten Christus. De nieuwe Geschiedenis. Eigenlijk de geschiedenis der Christelijke wereld, of de uitbreiding van het Koningrijk Gods op aarde.

Derde Omtrek. De heerlijkheid des menschen, die zich ontwikkelt, het innerlijk karakter van den tijd bestuurt, (lees: bepaalt) maar toch niet helpen kan.

Vierde Omtrek. Wie bezit het rijk op aarde, en wie bestuurt de hoofdmassa's (massa's) en hoofdverschijnselen, die zich na elkander op aarde bewegen en vertoonen? Aan het slot van dezen laatsten Omtrek lezen wij onder anderen: ‘Israël (het geestelijk?) zal vrij worden en de oude gevangenschap verlaten. Maar dat is ook de tijd van den laatsten strijd, van den zigtbaren en persoonlijken Antichrist; van de laatste beproevingen - dit alles ligt voor ons en niet meer verre van ons verwijderd.’ - Is dus, gelijk andere onderzoekers der Geschiedenis wel eens hebben opgemerkt, de aanvang aller geschiedenis Poëzij, het einde schijnt Profetie te zijn. Tantum! Nog wordt in dit Werkje gevonden: Schets eener Geschiedenis van den Voortijd, met bijlagen. Wij lazen liever, en met meer nut, ja! wat al niet daarover? Welnu, Van Der Palm's Bijbel voor de Jeugd, en nevens den Bijbeltekst zijne Aanteekeningen op de Staten-Overzetting. Noach na den Zondvloed. De toren van Babel. Een brief, als Aanhangsel, (uit een tijdelijk en plaatselijk oogpunt te beschouwen, zoo als vele Bijbelplaatsen, door den Schrijver aan. gehaald). Opmerkingen en gedachten bij de vervallen sloten en kasteelen, in den omtrek van Bazel, met eenen blik! tevens op de jongste revolutionnaire woelingen aldaar.

Verheven, ja, dichterlijk soms is des Schrijvers gedachtenloop! doch, men houde het ons ten goede, wij willen liever, in plaats van met hem het oordeel te spreken over de zonden van voorvaderen of tijdgenooten, lezen en herlezen en zoeken te beoefenen, wat Jezus zegt bij Lucas XIII:2-5.

De Lezer zal bemerken, dat wij met dit Boekje niet hoogelijk zijn ingenomen, en, zoo wij vertrouwen, ons oordeel billijken.

[p. 122]

Wat de vertaling aangaat, die is over het algemeen voortreffelijk; en daar de Eerw. Vertaler verschooning vraagt voor de Duitsche kleur, die hier en daar over taal en stijl zal gespreid liggen, zou het onheusch zijn, om enkele kleine vlekjes te willen aanwijzen. Overigens willen wij niet gaarne met iemand over woorden twisten, maar geven in bedenking, of de woorden des Vertalers, bl. VII, ‘iedere door Gods genade levend gemaakte ziel,’ zijne bedoeling duidelijker dan andere woorden uitdrukken; terwijl wij voorts verre van overtuigd zijn, dat het er in ons Vaderland ten opzigte van Godsdienstleer en Wijsbegeerte in derzelver onderlinge betrekking zoo donker uitziet, als de Eerw. Laatsman in zijn woord aan den Lezer, bl. VII, vooronderstelt, maar niet bewijst, dat misschien nog al moeijelijkheden in zich hebben zou, - durven wij hun eindelijk verzekeren, dat het lot, hetwelk hij, bl. IX, profetisch aan het Boekje des Heeren Bräm voorspelt, althans bij ons niet is verwezenlijkt geworden; - dat wij het, noch gemelijk, noch boosaardig ter zijde gelegd hebben, maar het met aandacht gelezen, en hoewel wat laat, toch onpartijdig aangekondigd hebben, gelijk geschied is bij dezen.

 

22 Januarij 1838.

prepostterug  begin  verder