De Heer I. van Harderwijk levert ons, in dit Stukje, de volgende tot de Geschiedenis en Letterkunde betrekkelijke Bijdragen:
1. Bijdrage ter beoordeeling van de waarheid des verhaals aangaande de regtspleging van Karel den Stouten (bl. 1-8) d.i. aangaande de regtspleging door Karel den Stouten, in 1469 aan een' zijner officieren voltrokken, volgens de uitvoerige beschrijving van P. Heuterus, Rer. Burg. v. 5.
De Heer Scheltema had in zijn Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, D. II, St. 2, bl. 1-34, deze regtspleging aan Karel den Stouten ontzegd. Zij wordt hem daarentegen door den Heer v.H. toegekend; voornamelijk op grond van het berigt in de Edele Cronyke van Vlaenderen, Antwerpen, 1531, fol.; en dit wordt nader geslaafd in een Bijvoegsel (bl. 8-14), waartoe aan den Schr. was aanleiding gegeven door den Heer W.C. Ackersdijck, te Rotterdam. Het eerste berigt was reeds in 1833 in de Vaderl. Let-
teroefeningen medegedeeld. Beide opstellen zijn van dien aard, dat men deze zaak als afgedaan kan beschouwen.
2. Iets over het sterfjaar van Godebold XXIV, Bisschop van Utrecht (bl. 14-20).
Wilhelmus Procurator had het sterfjaar van dezen Bisschop op 1126 aangegeven (Chronic. Egmond., in de Anal. V.A. van Matthaeus, T. II, p. 448); andere oude Kronijkschrijvers (als: de Fascic. Temp. bl. 257, edit. Veldenaer) hadden daartoe het jaar 1128 vastgesteld; en dit laatste werd ook vermeld door Beka (Chron. fol. 46) en Heda (Hist. fol. 149). Buchelius echter had in stukken, onder hem berustende, en tot de stichting van kerken, kloosters, enz., in het Bisdom Utrecht, betrekking hebbende, het jaar 1127 als het sterfjaar van dien Bisschop aangetroffen (adnot. ad Bekae Chron. fol. 47); en hetzelfde was ook opgeteekend door den gelijktijdigen Schrijver Dodechinus (adnot. ad Hedam, fol. 154.) Nu meende de Heer v.H. allen twijfel omtrent deze zaak weg te kunnen nemen, door eene aanteekening, door hem gevonden op eene perkementen strook, welke gebonden was geweest tusschen den band en een schutblad van een kerkboek uit de XVIe eeuw, afkomstig uit de buurkerk te Utrecht; welke strook kennelijke blijken van hooge oudheid droeg. Daarop namelijk bevond zich de aanwijzing van dat sterfjaar op 1127.
Wij danken den Schrijver voor deze mededeeling, maar verzoeken hem tevens, bij zoodanige punten in het vervolg beknopter te zijn; te meer, daar er, na de berigten van Buchelius, geene gegronde twijfelingen meer bestonden, en althans niet zoodanige, die door de necrologische aanteekening op de door ZEd. ontdekte strook perkement zoude zijn weggenomen.
3. Opgave van een tweede voorval als bij de regtspleging van N. du Maulde heeft plaats gehad (bl. 20-24).
Dat men ‘ten tijde van Hertoch van Alba sommighe boosdaders het leven gegheven heeft, op 't verbidden van eenighe ghemeyne vrouwen,’ was bekend uit Bor, Oorspr., begin en vervolg enz., D. III, St. II, bl. 69 vso; dat nog in 1587 eene edele jonkvrouw te Leiden, Wtenbroek genaamd, zich bij de gecommitteerden van de Staten van Holland en de Regering der stad vervoegde, om het leven van den veroordeelden Du Maulde af te bidden, met aanbieding van hem te zullen trouwen en hij openlijke verklaring daarvan op de geregtsplaats, had ons dezelfde Schrijver opgeteekend; zie het verhaal t.a.p. Maar aan meer voorbeelden van zoodanige gewoonte schenen onze vaderlandsche geschiedkundigen geene kennis te dragen; zóó zelfs, dat de Heer D'Escury had betuigd, buiten het laatstgenoemde geen ander te kennen (Hollands Roem, D. II, Aant. en Bijdr., bl. 179 en 180)! De Heer v.H. had er
evenwel nog één gevonden, en hij deelt dat mede, uit het aanhangsel der Edele Chronycke van Vlaenderen, bl. 7, op het jaar 1518, en uit het Antwerpsch Chronyckje, bl. 11 en 12.
4. Aanwijzing wat (van hetgeen) men door de maand Madius, bij Middeleeuwsche Schrijver, te verstaan hebbe (bl. 25-26).
Madius is Mei, en is vermoedelijk af te leiden van madere, nat, vochtig zijn. Wij worden verwezen, voornamelijk op den bekenden Du Cange. Nieuwe bewijzen worden niet opgegeven. Het argument, dat de maand Mei bij de Italianen Maggio genoemd wordt, ontvangt kracht, door de uitspraak, Madschio.
5. Onuitgegeven Puntdicht van Daniël Heinsius (bl. 27-28).
Dit kort gedichtje, waarbij aan den Leidschen Hoogleeraar en Ontleedkundige P. Pauw († 1617) hulde wordt gedaan, bij gelegenheid van zijne ontleding van het cadaver van eenen vrek, die gezegd wordt, eerst door die ontleding, en dus na zijnen dood, nuttig te zijn, herinnerde ons onwillekeurig een grafschrift, naar wij meenen door Kästner vervaardigd - wel minder hevig, doch in zijne soort niet minder puntig, dan dat van onzen Heinsius. Het luidt:
6. Artur Jonston 's Lofdicht op Kaspar van Baerle (bl. 29-35).
Een herdruk van het zeldzaam voorkomende: de Caspare Barlaeo, poetarum nostri Seculi dictatore. Authore Art. Jonstono, Med. Reg. Edinburgi excudebat Joannes Wreittonn, 1634, 4o. In de aanteekening op bl. 32 wordt nog een lofdicht van C.V. Baerle op Jonston medegedeeld, hetwelk ontleend is uit het Werk: Poetarum Scotorum musae Sacrae, cet. Edinburgi, apud Thom. et Wal. Rudimannos, 1739.
Of een herdruk dezer gedichten noodig was, willen wij evenmin beslissen, als wij den graad der dichterlijke waarde van dezelve beoordeelen. Dat echter het eerste ons in den lof van C. Barlaeus overdreven voorkomt, kunnen wij niet verzwijgen.
7. Lijkdicht op Johannes Kuchlinus, door Kaspar van Baerle (bl. 36-46).
Dit schoone gedicht is een herdruk van het zeldzaam geworden Carmen funebre in obitum Reverendi Clarissimique viri D. Johannis Kuchlini, cet. Lugd. Bat. ex offic. Thomae Basson, 1606, 4o. Noch in den bundel van de Gedichten van Barlaeus wordt het gevonden, noch is het vermeld door Cattenburg, Foppens en Schul. Wij hebben het met genot herlezen. Er is bijgevoegd een, waarschijnlijk nog onuitgegeven, Academisch Getuig-
schrift van P. Bertius op C. Barlaeus, dat tot groote eer verstrekt van dezen onzen Nederlandschen Dichter.
Het geheel wordt besloten met eene bladvulling (bl. 47-48), waarbij wij vernemen, dat er van G. van der Graaff's zeer zeldzame Oratio Hebraeo-Latina, de Encomio linguae sanctae, nec non utilitate lectionis Rabbinorum, cet.; Ultraj. ad Rhenum ex officina G. van de Water, 1700, 4o., een exemplaar in bezit is van den Schrijver.
Niet weinige, en goede geschied- en letterkundige aanteekeningen vergezellen deze mededeelingen en getuigen van des Schrijvers loffelijk streven naar grondigheid en naauwkeurigheid. Wij hebben met veel genoegen deze stromata gelezen, en moedigen den Schrijver ten zeerste aan, dezelve voort te zetten. Hij zij echter, als Nederlandsch Letterkundige, in het vervolg vooral oplettend op taal en stijl. Onjuistheden van uitdrukking, als er, Voorberigt bl. 1 en Bijdr. bl. 20 en 47, voorkomen, mogen wij niet dulden, evenmin overtolligheden, gelijk deze: maar en echter in éénen zin (bl. 22); dan - toch - echter (bl. 25), en: elk en een iegelijk (bl. 31). Het uitwendige van het Stukje is ook zeer prijzenswaardig.