terug  begin  verderprepost

De Nederlandsche Volksromans. Eene bijdrage tot de Geschiedenis onzer Letterkunde, door Mr. L. Ph. C. van den Bergh.

Amsterdam, bij M.H. Schonekat, 1837. XVI en 200 bl. 8o.

De geleerde Schrijver verhaalt ons in zijne Inleiding, of liever Verhandeling over deze Volksromans, dat er velen zijn, die met minachting op die Werken neder zien, en dat het te wenschen ware, dat deze Schriften, welke grootendeels verloren zijn gegaan, zoo veel mogelijk met meer zorg uitgegeven wierden. Ook beschouwt hij dit als een merkwaardig gedeelte onzer Letterkunde, dat men moedwillig prijs geeft, omdat men het te weinig kent.

Om nu evenwel den leeslust hiertoe op te wekken, heeft hij een verslag gegeven van vele bij hem bekende en in zijn oog belangrijke Volksromans, ten einde hierdoor overtuigend te bewijzen, dat deze waardig zijn, om der vergetelheid ontrukt te worden.

Wij zullen hier eene korte opgave doen van de door hem aangehaalde Romans, om er later weder op terug te komen.

De Inleiding bl. III-XVI bevat hetgeen ik reeds gezegd heb.

De verdere verdeeling is in vijf Hoofddeelen. Het eerste, Ridderromans uit de tijden van Karel den Groote, bevat: 1) de Historie van Floris en Blanchefleur, bl. 1. 2) Valentijn en Ourson, bl. 6.

[p. 141]

1) De geduldige Helena van Constantinopolen, bl. 10. 4) De vier Heemskinderen, bl 12. 5) Malaghys, bl. 21. 6) Buoro van Antona, bl. 22. - Het tweede, Romans uit latere tijden: 1) Den Ridder met de Zwaan, bl. 23. 2) Margaretha van Limburg, bl. 30. 3) Olivier van Castille, bl. 43. 4) Jan van Parijs, bl. 45. 5) De goede vrouw Griseldis, bl. 48. 6) Florentina de getrouwe, bl. 52. 7) Genoveva, bl. 55. - Het derde, Ridderromans uit de oude gewijde en ongewijde geschiedenis: 1) Den vromen Ridder Jason, bl. 59. 2) De verwoesting van Troijen, bl. 61. 3) Alexander, bl. 63. 4) De destructie van Jerusalem, bl. 65. - Het vierde, Amadis-romans: 1) Amadis van Gaule, bl. 70. 2) Palmerijn van Olijve, bl. 71. 3) Den Ridder van Avonture, bl. 71. - Het vijfde, Romans en Novellen van gemengden inhoud: 1) De zeven Wijzen van Rome, bl. 72. 2) Virgilius, bl. 84. 3) Den Joodschen Wandelaar, bl. 90. 4) Reinaart de Vos, bl. 94. 5) Fortunatus Borse, bl. 128. 6) Jan Mandevijl, bl. 133. 7) Doctor Faustus, bl. 148. 8) Thijl Uilenspiegel, bl. 155. Daarop volgt een Toevoegsel, bl. 158-160, alwaar van nog acht verschillende stukken alleen de titels opgegeven worden. Bl. 161 tot het einde een overzigt over de romantische Literatuur in de Nederlanden.

Het is mij voorgekomen, dat vele dezer stukken, hoewel dan in den tijd zeer geschikt om den volksgeest op te wekken, thans geheel hebben opgehouden voor het volk van eenig nut te zijn; tenzij men het wederom in de duisternis wilde terug voeren. Wie de legenden der Heiligen gelezen heeft, zal zich kunnen overtuigen, dat deze grootendeels tot modellen voor die stukken gediend hebben, en dat, bij naamsverandering, vele niets anders dan legenden der Heiligen zijn. De Acta Sanctorum Belgii Selecta van Josephus Ghesquier, Brussel, bij Matthaeus Lemaire, 5 Tom., het Breviarum Romanum en vele andere geestelijke Werken, welke de levens der Heiligen bevatten, geven ons hiervan de overtuigendste blijken. Wel dichting, doch weinig of geene mythe heb ik hierin gevonden. Alles, hoewel dikwijls ellendig verknoeid, grondt zich op het moraal van het Christendom en de denkwijze van die tijden.

Er zijn evenwel eenige, welke verdienen bewaard te blijven, en deze zijn het ook gebleven, omdat zij voor de Geschiedenis, Taal en Letterkunde belangrijk zijn; zoodanige, voor zoo verre nog in het duister, der vergetelheid te ontrukken, beschouw ik van het uiterste belang: niet om die den volke, maar om ze den geleerden in handen te geven; omdat aan het eerste de taal, de stijl en inhoud vreemd zijn en het hierbij niet zal winnen. Onder de hier opgegevene behoort, als uiterst belangrijk, de Reinaart de Vos, welke uit een regts-

[p. 142]

geschiedkundig oogpunt door Jo. Carl. Henr. Dreyer, in zijne Abhandlung von dem Nutzen des treflichen Gedichts Reinke de Vos, te vinden in zijne Nebenstunde, Butzow en Wismar 1768, meesterlijk behandeld is.

Ik beschouw dus dit Boek als niets anders, dan iets, waardoor de Heer V.D.B. den geleerden heeft trachten kennelijk te maken, dat hij eene groote belezenheid heeft en hem niets te veel is, om de oude Nederlandsche taal in hare waarde te helpen herstellen. Ook heeft hij dit op meer plaatsen en inzonderheid in het Taalkundig Magazijn van De Jager getoond, waarin van hem zeer belangrijke stukken gevonden worden. Anderen aan te moedigen om het plan van ZEd. te volgen, kan ik evenwel niet, omdat ik zulks, zoo als het daar ligt, van geene genoegzame waarde reken, daar het volk daaruit, bij eenen herdruk, hoe naauwkeurig die ook zijn moge, en hoe naauwkeuriger, des te minder voor hetzelve verstaanbaar, volstrekt geen nut kan trekken. Ik zal niet ontkennen, dat het dichterlijke waas in onze tegenwoordige Romans wel iets meer mogte uitkomen; doch ieder tijdvak heeft zijne modes, en men zal misschien na honderden van jaren (omdat het oud is) even gunstig over het tegenwoordige denken, als de Heer V.D.B. nu over het verledene en hier behandelde gedacht heeft. Aan de eigenlijke taalstudie, en het opdelven van het oorspronkelijke onzer Nederlandsche taal, waartoe hij zeer veel geschiktheid bezit, bestede hij liever zijnen tijd. Dit is én nuttig voor de geleerden én in de gevolgen voordeelig voor het volk.

 

HETTEMA.

prepostterug  begin  verder