terug  begin  verderprepost
[p. 169]

Boekbeoordeelingen.

Nieuwe Verhandelingen van het Genootschap tot Verdediging van de Christelijke Godsdienst, tegen derzelver hedendaagsche bestrijders. Voor het jaar 1835.

In 's Gravenhage, bij de Erve J. Thierry en C. Mensing en Zoon, 1837.

De in dit Boekdeel vervatte Verhandeling van H.E. Vinke, Theol. Doct. en Predikant (thans Hoogleeraar in de Godgeleerdheid) te Utrecht, strekt ter beantwoording der vraag, vorderende: eene verzameling en verklaring der gezegden van Jezus, betreffende Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid: met nasporing der redenen, waarom Hij niet meermalen en uitvoeriger daarvan gesproken heeft; benevens een betoog, dat de Apostelen, aan welke Hij dit ter ontwikkeling had overgelaten, in diervoege aan deszelfs oogmerk beantwoord hebben, dat in de overeenstemming van het onderwijs van Jezus en de Apostelen een allezins voldoende grond gelegen is tot onze overtuiging en vertroosting. Deze vraag was, zoo als wij uit de Inleiding vernemen, reeds twee malen te vergeefs uitgeschreven. Er waren vroeger wel antwoorden op ingekomen; maar geen derzelve was voldoende bevonden. Ditmaal was, blijkens het Programma, het getal der antwoorden twee, van welke het onderhavige geoordeeld is zoo veel goeds te bevatten, dat het met den gouden eerprijs bekroond is geworden, terwijl het andere (om welke redenen, wordt ons niet gemeld,) niet in aanmerking heeft kunnen genomen worden.

De HoogEerw. Vinke, na in eene voorafgaande Inleiding over den omvang en de moeijelijkheid zoowel als over de belangrijkheid van het onderwerp gesproken, en zijne wijze van behandeling opgegeven te hebben, verdeelt zijne Verhandeling, overeenkomstig den inhoud der vraag, in drie hoofddeelen. Het eerste bevat eene verzameling en verklaring der gezegden van Jezus, betreffende Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid. In het tweede tracht hij de redenen na te sporen, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger daarvan gesproken heeft. Eindelijk onderzoekt

[p. 170]

hij in het derde, of de Apostelen, aan welke Jezus dit ter ontwikkeling had overgelaten, in dier voege aan deszelfs oogmerk beantwoord hebben, dat in de overeenstemming van Jezus en de Apostelen een allezins voldoende grond gelegen is tot onze overtuiging en vertroosting. Wij willen van elk dezer hoofddeelen eerst eenig algemeen verslag geven, met bijvoeging van doorloopende aanmerkingen aan den voet der bladzijden, en daarna kortelijk ons bijzonder oordeel over de geheele Verhandeling mededeelen.

In het eerste hoofddeel, behelzende eene verzameling en verklaring der gezegden van Jezus, betreffende Zijn lijden on sterven tot vergeving der zonden en zaligheid, gaat de Schrijver eerst de gezegden van Jezus, betreffende Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid, verzamelen en verklaren. ‘Maar,’ schrijft hij, ‘dewijl sommigen beweerd hebben, dat deze gezegden door de Apostelen en Evangelisten verzonnen, of althans naar hunne eigene denkbeelden gewijzigd en vervormd zijn, zoo moeten wij ook de echtheid en ongeschondenheid van dezelve handhaven. En omdat dit ons de vergelijking tusschen het onderwijs van Jezus en dat der Apostelen gemakkelijker zal maken, daarom zal ik ten laatste de leer van Jezus, aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid, uit Zijne verklaarde en gehandhaafde gezegden afgeleid, trachten op te geven.’

De verzameling en verklaring van 's Heilands gezegden geschiedt door onzen Schrijver op die wijze, dat hij zich bepaalt eerst bij hetgeen Jezus aan Nikodemus, dan bij hetgene Hij aan de Farizeën en het volk, eindelijk bij hetgene Hij aan Zijne Leerlingen van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid gezegd heeft.

Het onderwijs van Jezus aan Nikodemus wordt en van wege den tijd en van wege deszelfs belangrijkheid afzonderlijk en wel het eerst overwogen, naar Joh. III: 14-16(1). Als gezegden van Jezus tot de Farizeën en het volk, worden vijf plaatsen bijgebragt en toegelicht, en wel alle in het Evangelie van Johannes; te weten: H. VI:51b, 53-57; VIII:28; X:11, 15b, 17, 18; XII:24 en vs. 31, 32; terwijl als gezegden van Jezus tot Zijne Leerlingen aangewezen en opgehelderd worden Matth. XX:28, verg. Mark. X, 45; Matth. XXVI:26-28, verg. Mark.XIV:22-24; Luk. XXII:

[p. 171]

19, 20 en 1 Kor. XI:23-25; Joh. XIV:30, 31; XV:13, XVII:19 en Luk. XXIV:26, 46, 47(2).

‘Zoo hebben wij dan,’ schrijft Vinke hierna, ‘de gezegden van Jezus betreffende Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid verzameld en verklaard. Maar zijn die gezegden wel waarlijk van Hem afkomstig? Zouden zij niet door Zijne levensbeschrijvers, indien al niet geheel verzonnen, dan toch aanmerkelijk veranderd, en naar hunne denkbeelden gewijzigd zijn? Deze vragen zijn van het hoogste gewigt, en moeten, eer wij verder kunnen gaan, door ons beantwoord worden. Zijn wij toch hieromtrent onzeker, dan kunnen wij ook niet vaststellen, wat Jezus zelf aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid geleerd heeft; en kunnen wij dit niet, wat baat ons dan eene vergelijking van het onderwijs der Apostelen met het Zijne, en welke grond kan er dan in de overeenstemming van hunne uitspraken met de Zijne tot onze overtuiging en vertroosting gelegen zijn? Ik acht het daarom noodig de echtheid en ongeschondenheid van 's Heilands gezegden opzettelijk te handhaven.’

Deze echtheid en ongeschondenheid van 's Heilands gezegden aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid nu, wordt gehandhaafd eerst in het algemeen, waartoe gelet wordt en op degenen, die de gezegden van Jezus mededeelen, en op de naauwkeurige getrouwheid, met welke zij gewoon zijn Zijne woorden op te teekenen, en op het kleine aantal dier gezegden, en op derzelver aard, en op de wijsheid, die wij in dezelve ontdekken, en op de belofte, welke Jezus aan Zijne Apostelen gaf vóór zijn sterven, en dan in het bijzonder van Joh. III:14-16; VI:51 very., en Matth. XXVI:26-28(3).

[p. 172]

En nu voortgaande om de leer van Jezus aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid, uit Zijne verklaarde en gehandhaafde gezegden afgeleid, op te geven, houden onzen Schrijver drie hoofdzaken bezig. Vooreerst zal hij namelijk aanwijzen, dat de vergeving der zonden en zaligheid, naar 's Heilands onderwijs, doel was van Zijn lijden en sterven, om, ten tweede, te onderzoeken, in welk verband dat lijden en sterven, naar Zijn onderwijs, staat tot de vergeving der zonden en zaligheid, en, ten laatste, aan te toonen, hoe wij, naar datzelfde onderwijs, die vergeving en zaligheid deelachtig worden. - Bij het eerste (de vergeving der zonden en zaligheid, naar 's Heilands onderwijs, doel van Zijn lijden en sterven), stelt Vinke zich vier vragen voor ter beantwoording; te weten: vooreerst, aan welk lijden hebben wij te denken? ten tweede, op wie heeft het lijden en sterven van Jezus betrekking? ten derde, welke zonden heeft Hij op het oog? en, ten vierde, welke straffen en zaligheid worden door Hem bedoeld?(4) - ten aanzien van het tweede (het verband tusschen het lijden en sterven van Jezus en de vergeving der zonden en zaligheid) ontwikkelt de Schrijver, na een paar voorloopige opmerkingen, de onderscheidene oogpunten, uit welke Jezus Zijn lijden en sterven voorstelt. Hij leerde ons hetzelve vooreerst kennen als een bewijs van de groote liefde Gods jegens de menschen; ten tweede, als bewijs van Zijne liefde tot en gehoorzaamheid aan Zijnen Vader; ten derde, als bewijs van Zijne liefde tot ons; ten vierde, als in het naauwste verband staande met Zijne opstanding

[p. 173]

en verheerlijking; ten vijfde, als ten doel hebbende ons te ontrukken aan de heerschappij des Duivels en Gode toe te wijden, en ten zesde, als ondergaan in onze plaats(5). - Het laatste (hoe wij, naar 's Heilands onderwijs, de vergeving der zonden en zaligheid deelachtig worden) wordt door Vinke aan het slot van het eerste hoofddeel zijner Verhandeling aangewezen(6).

In het tweede hoofddeel, in hetwelk de Hoog-Eerw. Schrijver tracht de redenen na te sporen, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid gesproken heeft, beantwoordt hij eerst de vraag: waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger daarvan gesproken heeft vóór Zijnen dood, en dan de vraag: waarom Hij dit niet gedaan heeft nà Zijne opstanding(7)?

[p. 174]

De eerste vraag wederom in twee andere vragen splitsende, onderzoekt de Schrijver in de eerste plaats, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger van Zijn lijden en sterven gesproken heeft, en gaat dan na, waarom Hij niet meermalen en uitvoeriger van de vergeving der zonden en zaligheid door hetzelve gewaagd heeft.

‘Wat het eerste betreft,’ zegt Vinke, ‘hier springen ons de redenen van 's Heilands handelwijze terstond in de oogen, en met opzigt tot het volk en deszelfs Oversten, en met opzigt tot zijne Leerlingen.’

De redenen, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger van Zijn lijden en sterven in het algemeen tot het volk en deszelfs Oversten gesproken heeft, zijn, volgens den Schrijver, gelegen, vooreerst, in het hoofddoel, welks bereiking hij zich moest voorstellen; ten tweede, in derzelver denkbeelden aangaande den Messias; en ten derde dáárin, dat zij zelve de bewerkers van Zijnen dood zijn zouden. De beide eerstgemelde worden ook opgegeven als redenen, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger daarvan tot zijne Leerlingen gesproken heeft, en als derde reden hiervoor genoemd, dat de aankondiging van 's Heilands lijden en sterven hun diepe droefheid veroorzaakte. Eindelijk wordt nog ten aanzien van het volk en deszelfs Oversten zoowel als van 's Heilands Leerlingen gewezen op de gevoelige ziel van Jezus zelven.

De redenen, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger van het doel en de vruchten Zijns lijdens en stervens gesproken heeft, vindt onze Schrijver vooreerst hierin, dat de Heer geene aanleiding kreeg om er meer van te spreken; ten tweede dáárin, dat 's Heilands hoorders voor een meer uitvoerig onderrigt desaangaande nog niet vatbaar waren, (tot staving waarvan gewezen wordt, eerst op de gesteldheid huns harten, zoowel van de Oversten en het Volk, als van de Discipelen, en dan op den zamenhang tusschen de leer der vergeving van zonden en zaligheid door 's Heeren lijden en sterven en andere waarheden, welke voor hen nog veel te hoog waren,) en ten derde hierin, dat er zich en voor de Discipelen en voor het volk eene nadere, en wel eene betere gelegenheid zou opdoen, om ze hen te doen hooren.

Ter beantwoording der tweede vraag: waarom heeft Jezus niet meermalen en uitvoeriger van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid gesproken na Zijne opstanding? let Vinke op de vier volgende bijzonderheden: vooreerst, het tijdvak tusschen 's Heilands opstanding en hemelvaart was voor een uitvoeriger on-

[p. 175]

derwijs aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid door Hem niet bestemd; ten tweede, Zijne Leerlingen waren er ook toen nog niet vatbaar voor; ten derde, Hij had, naar Zijne wijsheid, met hetzelve andere bedoelingen; (namelijk: om hen van Zijne herleving ten volle te overtuigen; om hun geloof aan Hem, als den Messias, onwrikbaar te vestigen; om hunne liefde tot en hun vertrouwen op Hem te vermeerderen, en om hen voor Zijne digt op handen zijnde hemelvaart voor te bereiden;) eindelijk, ten vierde, het was ook toen niet volstrekt noodig, dat Hij hun een uitvoeriger onderrigt aangaande de zaak, over welke wij handelen, mededeelde(8).

In het derde hoofddeel, bevattende het betoog, dat de Apostelen, aan welke Jezus de ontwikkeling van de leer aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid had overgelaten, in dier voege aan deszelfs oogmerk beantwoord hebben, dat, in de overeenkomst van hun onderwijs met het Zijne, een allezins voldoende grond gelegen is tot onze overtuiging en vertroosting, wil de Hoog-Eerw. Schrijver, na eene inleiding tot dit betoog, aanwijzen, vooreerst: dat het onderwijs der Apostelen aangaande het lijden en sterven van Jezus tot vergeving der zonden en zaligheid met het Zijne overeenstemt, en ten tweede: dat in deze overeenstemming een allezins voldoende grond gelegen is tot onze overtuiging en vertroosting.

Om de overeenstemming van het onderwijs der Apostelen met dat van Jezus in het licht te stellen, worden eerst de voornaamste gezegden der Apostelen aangaande het lijden en sterven van Jezus tot vergeving der zonden en zaligheid verklaard, en wordt dan de overeenstemming van de Apostelen met Jezus aangewezen.

Bij de verklaring van de voornaamste gezegden der Apostelen aangaande het lijden en sterven van Jezus tot vergeving der zonden en zaligheid, vestigt onze Schrijver het eerst de aandacht op Petrus, als die het eerst is opgetreden, om in den naam van Jezus het Evangelie te verkondigen, en verklaart deszelfs gezegden 1 Petr. I:2. vs. 18 en 19; II:24; III:18 en IV:1,2; dan spreekt hij van Johannes, als die terstond aan Jezus zijde was, en beschouwt des-

[p. 176]

zelfs onderwijs, Joh. XI:51, 52; 1 Joh. I:7b; II:1a, 2; III:5 en vs. 16; IV:9-11; Openb. I:5b, 6; V:9, 10; eindelijk gewaagt hij van Paulus, als die het laatst tot het Apostelambt geroepen is, en bepaalt zich, na eerst al deszelfs gezegden aangaande het lijden en sterven van Jezus tot vergeving der zonden en zaligheid bijeengebragt te hebben(9); daarna, bij de opheldering, tot Rom. III:24-26; V:1-11 en vs. 18, 19; VI:2-7; 2 Kor. V:14, 15 en 19-21; Gal. III:13; Ephez. V:2. Wat den Schrijver des Briefs aan de Hebreën betreft, deszelfs gezegden worden niet ieder, op zich zelf door Vinke behandeld, maar deszelfs denkbeelden over den dood des Heeren slechts in het algemeen door hem medegedeeld(10).

In de aanwijzing der overeenstemming van het onderwijs der Apostelen met dat van Jezus, volgt onze Schrijver denzelfden weg, als vroeger in de opgave der leer van Jezus. Hij wijst dus vooreerst aan, dat de vergeving der zonden en zaligheid, naar het onderwijs der Apostelen, doel was van 's Heilands lijden en sterven; waarbij nagegaan wordt, even als bij de voorstelling van de leer van Jezus, aan welk lijden wij, volgens hen, te denken hebben; op wie het lijden en sterven van Jezus, volgens hen, betrekking

[p. 177]

heeft, welke zonden zij op het oog hebben, en welke straffen en zaligheid door hen bedoeld worden. In de tweede plaats onderzoekt hij, in welk verband het lijden en sterven van Jezus tot de vergeving der zonden en zaligheid, naar het onderwijs der Apostelen, staat, en bepaalt zich hier terstond bij de zesde of laatste bijzonderheid, van welke hij in de opgave der leer van Jezus melding maakte, (Jezus stelt Zijn lijden en sterven voor als ondergaan in onze plaats,) aantoonende, dat er, volgens de Apostelen, een onmiddellijk verband tusschen het lijden en sterven van Jezus en de vergeving der zonden en zaligheid is, en dit niet alleen in eenen onderwerpelijken (subjectiven), maar ook in eenen voorwerpelijken (objectiven) zin(11).

[p. 178]

‘Maar er is,’ schrijft Vinke vervolgens, ‘naar hun (der Apostelen) onderwijs, ook een middellijk verband tusschen den dood van Jezus en onze zaligheid. Ook hierop moeten wij letten, om na te gaan, hoe zij de leer huns Meesters ontwikkeld hebben en met Hem overeenstemmen. Dit middellijke verband dan is, dunkt mij, gelegen en in 's Heilands opstanding en verheerlijking, en in de uitnemende strekking van den dood van Christus, om ons te heiligen, en zoo voor het genot der vergeving van zonden en zaligheid vatbaar te maken.’ Want (en deze bijzonderheden zien wij achtereenvolgens door den Hoog-Eerw. Schrijver ontwikkeld) de Apostelen stellen den dood van Christus gedurig voor als onze heiliging bedoelende; het is ééne gebeurtenis, en wel de treffendste, welke er kon plaats hebben; de dood van Jezus is, ook volgens hen, het treffendste bewijs van Gods liefde jegens ons; van Gods heiligheid en regtvaardigheid; van de liefde van Christus jegens ons, en van Zijne volmaaktheid(12).

Ten laatste toont de Schrijver, dat het geloof in Jezus, even als door Hem zelven, zoo ook door zijne Apostelen wordt voorgedragen, als het middel, om de vergeving der zonden en zaligheid deelachtig te worden.

Eindelijk besluit Vinke zijne Verhandeling met aan te wijzen, dat in de overeenstemming van Jezus en de Apostelen een allezins voldoende grond gelegen is tot onze overtuiging en vertroosting; waarbij de mogelijke gevallen in aanmerking genomen worden, of dat Jezus alleen en weinig van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid gezegd had, en de Apostelen er

[p. 179]

daarna van gezwegen hadden, of dat Jezus zelf er geheel van gezwegen had, en de Apostelen alleen en dikwijls en uitvoerig van gesproken hadden, of dat beide Jezus en de Apostelen even spaarzaam en weinig van Zijn verzoenend lijden en sterven gesproken hadden(13).

Ziet hier den hoofdinhoud en het beloop der Verhandeling. Vraagt men nu ons bijzonder oordeel over het geheel derzelve, wij verwonderen ons niet, dat Heeren Beoordeelaars bij het Haagsch Genootschap haar, om het vele goede, dat zij bevat, den Gouden Eerprijs waardig gekeurd hebben. Zij is blijkbaar met vlijt en ijver bewerkt, en geeft menige proeve van groote kunde en geleerdheid des ook van elders gunstig bekenden Schrijvers. Daarbij heerscht in dezelve eene duidelijkheid en bevattelijkheid van taal en stijl, welke inderdaad benijdenswaardig is, en die men anders in Werken van wetenschappelijken aard, als hoedanig wij de Prijsverhandelingen van het Genootschap tot Verdediging van de Christelijke Godsdienst beschouwen, juist niet altijd aantreft.

Doch hoezeer wij de hooge waarde der bekroonde Verhandeling erkennen, is er toch in de inrigting van dezelve nog al iets, dat ons niet beviel. In de eerste plaats kunnen wij de al te groote uitvoerigheid in vele stukken onmogelijk goedkeuren. Zoo zou de verzameling en verklaring der gezegden van Jezus in het eerste hoofddeel der Verhandeling reeds veel korter hebben kunnen wezen, indien Vinke zich alleen tot de bijzonder merkwaardige en belangrijke dier gezegden (zie hem zelven, bl. 92) bepaald hadde. Zoo zou ook het onderzoek, hoe wij, naar 's Heilands onderwijs, de vergeving der zonden en zaligheid deelachtig worden, zeer geschikt hebben kunnen achterblijven (zie bl. 145 volg.), of beter met de opgave van het verband tusschen het lijden en sterven van Jezus en de vergeving der zonden en zaligheid vereenigd hebben kunnen worden. Zoo zouden in het tweede en derde hoofddeel nog veel meer bekortingen hebben kunnen plaats hebben, indien de Schr. een ander eenvoudiger, en daarom niet minder goed, plan ter beantwoording der Prijsvraag gevolgd ware(14). Ten tweede stieten wij hier en daar op tegenstrijdigheden, immers schijnbare tegenstrijdigheden, van den Schr. met zich zelven. Of is er geene tegenstrijdigheid tusschen hetgeen wij, bl. 122, van onzen Heer le-

[p. 180]

zen, dat Hij de vergeving der zonden en zaligheid voornamelijk aan Zijn lijden en sterven verbindt, en dat wij, bl. 123, van denzelfden Heer gezegd vinden, dat Hij de vergeving der zonden alleen aan Zijn lijden en sterven vasthecht(15)? Is met hetgeen Vinke, bl. 156 volg., zegt omtrent de gelegenheden, waarbij Jezus van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid meer zoude hebben kunnen gewagen, wel volkomen te rijmen wat wij, bl. 191 volgg., lezen, dat de Heer geene aanleiding kreeg, om er meer van te spreken? Komt het wel met elkander overeen hetgeen de Schrijver eerst stelt (bl. 411), dat er tusschen den dood van het offer en de vergeving der zonden een onmiddellijk verband was, en wat hij vervolgens schrijft (bl. 413), dat de wegneming of reinigmaking der zonden door de oude offeranden slechts werd afgebeeld, maar niet in waarheid geschiedde? Eindelijk (want wij willen, door meer aanmerkingen te maken, de verdenking van vitzucht niet op ons laden) kunnen wij niet ontkennen, dat het ons, ondanks de meermalen herhaalde verzekeringen des Schrijvers, dat hij geen systeem aan den Bijbel wilde opdringen (bl. 14), dat hij alle systemata en alle gezag van menschen ter zijde zetten zoude (bl. 15 en 122), wel eens was, alsof de geheele Verhandeling strekte en strekken moest, om het zoogenoemd kerkelijk leerbegrip van de verzoening door 's Heilands dood, hetwelk bij velen sedert lang aanmerkelijke wijzigingen ondergaan had, op nieuw ter bane te brengen en te verdedigen. Dit neemt intusschen niet weg, dat wij des Hoog-Eerw. Schrijvers overtuiging in dezen gaarne en volkomen eerbiedigen, indien men slechts wederkeerig ons het regt en de vrijheid laat, om de uitspraken van Jezus en de Apostelen daaromtrent, op eene andere, in ons oog met den Christelijken geest meer overeenkomstige wijze te verklaren en op te vatten, zonder ons daarom van kwade bedoelingen ten opzigte van de Christelijke Godsdienst, die wij van ganscher harte toegedaan zijn, te beschuldigen.

Wij besluiten onze beoordeeling met den wensch, dat men hoe langer hoe meer leere, dat, wat alleen tijdelijk en plaatselijk is, of enkel tot den vorm en de inkleeding behoort, van het eigenlijke wezen des Christendoms, hetwelk altijd blijvende waarde heeft, te onderscheiden; terwijl wij, den Hoog-Eerw. Vinke, ook over zijne tegenwoordige betrekking aan Utrecht's Hoogeschool,

[p. 181]

Gods besten zegen toebiddende, eindigen met de herinnering der woorden van Crysostomus, Homil. III, in Epist. ad Romanos, t. III, pag. 19: ποικίλον καί πολυειδές καί συγκεχυμένον ἡ πλάνη, ἡ δέ ἀλήθεια μία.

(1)Wij vernemen hierbij, dat Vinke, in onderscheiding van degenen, die het gesprek van Jezus met Nikodemus met vs. 15 voor geëindigd houden, meent, dat hetzelve tot vs. 21 doorloopt. Voor het tegendeel zijn anders niet onaannemelijke gronden. Zie ook Prof. Hofstede de Groot in het Tijdschrift, Waarheid in Liefde, I, bl. 87 en de aldaar aangehaalde Dissertatie van J.H. Hotwerda, de Colloquio Jesu cum Nicodemo, Hagae Com. 1830, p. 59-61.
(2)Het zou ons al te uitvoerig doen worden, indien wij de wijze, waarop de Schrijver ook slechts sommige dier plaatsen opvat en uitlegt, aan onze Lezers wilden doen kennen; wij moeten derhalve diegenen, welke daaromtrent meer verlangen te vernemen, dan hun uit dit verslag blijken kan, naar de Verhandeling zelve verwijzen. Uit het terughouden onzer aanmerkingen op des HoogEerw. Schrijvers verklaring van de beschouwde Bijbelplaatsen intusschen willen wij niet hebben opgemaakt, dat wij in alles met die verklaring instemmen.
(3)Gaarne stellen wij met den Hoog-Eerw. Schrijver, aan het einde der handhaving van de echtheid en ongeschondenheid der gezegden van Jezus in het algemeen (bl. 100), vast, dat de Apostelen de verklaringen van Jezus, over welke gehandeld wordt, niet verzonnen, noch zoo gewijzigd zullen hebben, of wij kunnen er Zijn onderrigt aangaande Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid met zekerheid uit afleiden; maar verder moeten wij dan ook in dezen, naar ons oordeel, niet gaan, of wij benadeelen het gezag der Evangelie-schrijvers meer, dan dat wij hetzelve bevoordeelen. Van daar, dat wij voor ons ongaarne zouden beweren, gelijk onze Schrijver elders doet, ‘dat 's Heilands vermelde verklaringen waarlijk zóó door Hem gesproken zijn, als wij dezelve in de Evangeliën opgeteekend vinden’ (bl. 84) enz. Immers beweert men zulks van Jezus gezegden betreffende Zijn lijden on sterven, dan moet men het ook met opzigt tot alle andere, niet minder gewigtige uitspraken en reden des Heeren, aannemen; en in welke onoplosbare bezwaren wikkelt men zich, dit doende, niet! De belofte des Heeren aangaande de werking van den H. Geest kan niet alle bezwaren in dit opzigt wegruimen, tenzij men eene woordelijke ingeving aanneme, tegen welke onze Schrijver zelf, en met regt, zich verklaart. Hetgeen Vinke ter handhaving van de echtheid en ongeschondenheid van eene en andere plaats afzonderlijk gewaagt, mag vrij oppervlakkig genoemd worden, en had, zonder schade, kunnen achterblijven.
(4)Het is ons hier en elders voorgekomen, dat Vinke de vergeving der zonden en zaligheid te veel als van elkander afgezonderde zaken beschouwt; terwijl zij, naar ons inzien, alleen in vorm van elkander verschillen, en beiden volkmaakt hetzelfde denkbeeld uitdrukken, namelijk: opheffing of bevrijding van de ramp. zalige gevolgen der zonde, in dit zoowel als in het toekomende leven. Ook hadden wij gaarne den dood van onzen Heer met Zijn geheel verlossingswerk, van hetwelk Zijn lijden en sterven slechtsjeen gedeelte, ofschoon hoogst gewigtig gedeelte, uitmaakte, meer in verband gebragt gezien.
(5)Wij laten alles, wat onze Schrijver omtrent het verband tusschen het lijden en sterven an Jezus en de vergeving der zonden en zaligheid zegt, gelden, wat het gelden kan; maar het hinderde ons ook hier weder eene onderscheiding aan te treffen, welke aan de H. Schrift te eenenmale vreemd is, en die tot vele valsche en ongerijmde denkbeelden niet alleen, maar zelfs tot openbare tweespalt onder de Christenen aanleiding gegeven heeft en nog geeft, de onderscheiding van een middellijk en een onmiddellijk verband tusschen Jezus dood en onze zaligheid. Met het laatste bedoelt de Schrijver het plaatsbekleedende van Jezus dood, hetwelk hij vooral uit Matth. XX:28 en XXVI:28 afleidt; maar, naar het ons voorkomt, zal niet ieder dat plaatsbekleedende, althans in dien zin, waarin onze Schr. het wil, ook in de aangehaalde gezegden van Jezus, vinden.
(6)De hoofdstelling, dat wij door het geloof in of aan Jezus de vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen, wordt hier breeder ontwikkeld; maar wat het zeggen moet: ‘er bestaat derhalve niet slechts een middellijk, maar ook een onmiddellijk verband tusschen het geloof en de zaligheid,’ (bl. 151) betuigen wij niet te begrijpen. De Schrijver blijft ons ook de verdere ontwikkeling hiervan schuldig.
(7)De Schrijver vangt dit tweede hoofddeel zijner Verhandeling aan met de gegronde aanmerking, dat men niet zonder reden de vooronderstelling, van welke de Prijsstoffe uitgaat, kan in twijfel trekken, dat Jezus niet meermalen en uitvoeriger van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid zal hebben gesproken. ‘Maar, al ware dit zoo,’ zegt hij te regt, ‘zoo spreekt het echter van zelf, dat dit ons bij eene vergelijking tusschen het onderwijs der Apostelen en dat van hunnen Meester niet kan baten, dewijl wij het uitvoeriger onderrigt, hetwelk Hij zal gegeven hebben, niet bezitten.’ ‘Doch,’ voegt hij er bij, ‘om ons betoog zoo krachtig en volledig mogelijk te maken, willen wij dat gevoelen niet omhelzen, maar ten gevalle van hen, die beweren, dat de Apostelen in hun onderwijs van den Heer zijn afgeweken, (waarom juist ten gevalle van hen?) ‘aannemen, dat Hij van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid, niet meer en niet uitvoeriger gesproken heeft, dan wij geboekt vinden. Wij willen dit te liever, omdat ook voor deze hunne gedachten kan gepleit worden, op gronden, ontleend uit het stilzwijgen der Geschiedschrijvers, hetwelk zich niet wel laat verklaren, indien de Heer meermalen en uitvoeriger over deze gewigtige zaak gesproken had; en omdat wij meenen voldoende redenen te kunnen bijbrengen, om welke Hij zoo spaarzaam en kort van dezelve gewaagde.’
(8)Dat de door Vinke bijgebragte redenen, waarom Jezus niet meermalen en uitvoeriger van Zijn lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid gesproken heeft, niet alle even krachtig en geldend zijn, al onzen Lezers reeds uit de bloote opgave derzelve gebleken zijn. Ook smelten onderscheidene dier redenen als te zamen, welke daarom gevoegelijker verbonden zouden geweest zijn, en alsdan misschien meer kracht van overtuiging zouden gehad hebben. Daarbij had het, dunkt ons, wel verdiend aangemerkt te worden, dat, hoe weinig Jezus van de onderhavige zaak gesproken hebbe, het gesprokene evenwel als genoegzaam voor onze geruststelling beschouwd kan worden.
(9)Dit bijeenbrengen van al de gezegden van Paulus aangaande 's Heilands lijden en sterven tot vergeving der zonden en zaligheid (bl. 293-315) ware onnoodig geweest, omdat naderhand, bij de opheldering, toch de voornaamste derzelve terug keeren, aan welke wij, ter beoordeeling van de overeenkomst tusschen zijn onderwijs en dat des Heeren, genoeg hadden.
(10)Veel teekenden wij voor ons zelve aan, waarin wij, wat de opvatting van de verklaarde gezegden der Apostelen betreft, van den Hoog-Eerw. Schrijver verschillen; doch wij zullen dit aangeteekende maar liefst voor ons zelve behouden, zoowel uit vrees voor al te groote uitvoerigheid, als omdat het bedoelde verschil voornamelijk dáárin bestaat, dat de Schrijver onderscheidene uitdrukkingen als eigenlijk gesproken of geschreven opvat, die wij uit de denkwijze en behoefte van den tijd, in welken, en van de menschen, tot wie de Apostelen spraken of schreven, meenen te moeten verklaren, en dat hij, bij de uitdrukkingen: reinigen van de zonde, de zonden wegnemen, wasschen van de zonde en dergelijke, aan geen verlossen van de zonde in den zin van zedelijke verbetering wil gedacht hebben, bij welke deze laatste, naar het ons voorkomt, wel degelijk mede bedoeld wordt, althans geheel niet uitgesloten is. De Apostelen Jakobus en Judas worden met stilzwijgen voorbij gegaan ‘omdat,’ zoo als wij bl. 237 lezen, ‘in hunne brieven niets voorkomt, waaruit wij hunne leer aangaande het lijden en sterven van Jezus tot vergeving der zonden en zaligheid kunnen opmaken’. Intusschen hadden wij wel gawenscht, dat de Schrijver er zich niet enkel met de woorden van wijlen Prof. Van Voorst afgemaakt had, om ons het onbetwistbaar vreemde daarvan op te lossen, dat Jakobus in zijnen anders niet zoo korten brief van de leer der verzoening door 's Heilands dood in het geheel geene melding maakt, ja, daarvan zelfs eenigzins schijnt af te wijken. Zie H. II: 13; V: 15, 19, 20.
(11)Onder het onmiddellijk verband tusschen den dood van Christus en de vergeving der zonden in eenen onderwerpelijken zin verstaat de Schrijver dat verband, volgens hetwelk wij ons het lijden en sterven van Jezus ‘moeten voorstellen als eene gebeurtenis, aan welke God de vergeving der zonden verbonden heeft, om eene gewigtige zedelijke behoefte der menschen, hunne behoefte namelijk aan eene volkomene verzekering van de vergeving der zonden, te bevredigen’ (bl. 417), of den dood van Christus, ‘zoo als dezelve ons de uitdelging van onze schuld voor oogen stelt en van dezelve volkomen verzekert’ (bl. 424); en datzelfde verband in eenen voorwerpelijken zin nemende, wil hij zeggen, dat dit verband niet alleen op den mensch, maar ook op God betrekking heeft’ (bl. 422). Onwillekeurig vraagden wij, bij de lezing van dit een en ander, ons zelven: zouden de Apostelen wel aan zulke onderscheidingen, als wij hier vinden, gedacht hebben? en het antwoord was even onwillekeurig: wij voor ons gelooven het niet; maar gelooven integendeel, dat zij zich de zaak, waarvan gesproken wordt, veel eenvoudiger voorstelden, en dezelve ook in hunne reden en schriften aan anderen voordroegen op zulk eene wijze, als voor dezen de duidelijkste en bevattelijkste was. Voor hen namelijk, die aan zoenoffers gewoon waren, en zich naauwelijks vergeving konden denken, zonder derzelver tusschenkomst (Hebr. IX: 22), kon het geene duistere rede zijn, wanneer Christus, in Zijn lijden en sterven, hun afgemaald werd als ‘eene offerande, een slagtoffer, een lam, dat voor ons geslagt is, en onze zonden gedragen heeft op het hout; door welks bloed wij besprengd, gelost, gereinigd, van onze zonden gewasschen, Gode gekocht, geregtvaardigd en met God verzoend zijn’ (bl. 406). Als verband tusschen het lijden en sterven van Jezus en de vergeving der zonden, waaromtrent men echter geheel geene stellige uitspraken in de Schriften des N.V. vindt, dachten zij zich waarschijnlijk wel geen ander, dan hetwelk er, naar hun oordeel, was tusschen den dood van het zoenoffer en de vergiffenis, welke den offeraar te beurt viel, door of voor wien hetzelve gebragt werd (bl. 410). Maar dat de offeraar door den dood van het zoenoffer werkelijk ontzondigd werd (bl. 411 en elders); dat zijne zonden daardoor met de daad opgeheven en uitgedelgd werden (in welk geval hetgeen geschied was wederom ongeschied gemaakt zoude hebben moeten worden); dit was niet in allen deele het geloof van de verstandigen en nadenkenden onder Israël. Ten minste Philo zegt ergens, geheel anders en beter, omtrent de zoenoffers: οὐ λύσιν ἁμαρτημάτων, ἀλλ' ὑπόμνησιν ἐργάζονται. Wat ons betreft, wij kunnen, wanneer wij de uitdrukkingen der Apostelen, met opzigt tot dit punt, op eene Gode waardige wijze, willen opvatten, (gelijk onze Schrijver zelf verlangt, bl. 421) geen verband tusschen den dood van Christus en de vergeving der zonden aannemen; buiten het zedelijk verband, hetwelk er natuurlijk bestaat tusschen Jezus dood en onze verbetering of heiliging en alzoo vatbaarmaking voor de zaligheid. Doch wij mogen dit thans niet verder uitbreiden, om de perken van eene boekbeoordeeling, in een niet enkel Godgeleerd Tijdschrift, niet al te zeer te overschrijden. Alleen willen wij nog te dezer gelegenheid op eene allerlezingwaardige Verhandeling van Prof. W. van Oordt, J.W.Z., over het verband tusschen vergeving van zonden en de heiliging des menschen in het Tijdschrift: Waarheid in Liefde, 1837, II, bl.239-293, opmerkzaam maken.
(12)Wordt het met regt van ons, als Christenen, gevorderd, dat wij alle zinnelijke, harde, lage en onwaardige denkbeelden en begrippen van God zoeken af te leggen en te verwijderen, dan moest men zich ook liefst van dergelijke uitdrukkingen, als wij bl. 443 uit het Avondmaalsformulier aangehaald vinden, onthouden. Ja, wie in ernst beweert, dat ‘de toorn Gods tegen de zonde zoo groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft,’ die zie toe, hoe hij desniettemin Gods vlekkelooze heiligheid en onkreukbare regtvaardigheid in dezen redde.
(13)De aanwijzing, dat in de overeenstemming van Jezus en de Apostelen een allezins voldoende grond gelegen is tot onze overtuiging en vertroosting, wordt door Vinke op zeven bladzijden (bl. 463-469 afgedaan. Dat dit punt, als de slotsom van alles, eene breedvoeriger behandeling verdient en ook vereischt had, zal een ieder ons gereedelijk toestemmen.
(14)Dat sommige punten daarentegen zeer kort, ja, al te kort, behandeld zijn, hebben wij in den loop van ons verslag aangewezen.
(15)Het laatste is bovendien volstrekt onwaar. Zie Matth. V:7; VI:12 volgg.; Mark. IV:12; XI:25, 26; Luk. VII:37 volgg.; XV:7, 10 volgg.; XVIII:14. Vergelijk met deze gezegden van Jezus die der Apostelen: Hand. II:38; III:19; V:31; Hom. IV:25; VIII:34; 1 Kor. XV:17; Jak. II:13, V:15, 19, 20.
prepostterug  begin  verder