Onder de ascetische Schriften, die van tijd tot tijd het licht zien, en bepaaldelijk ten doel hebben, om lijders en bedroefden te troosten, bekleedt dit Werkje eene voorname plaats.
Overal toont de Schrijver diepe blikken geslagen te hebben in het menschelijke hart. Wij vinden hier dus ook nergens die oppervlakkigheid, welke Werken van dezen aard maar al te dikwijls kenmerken. In No. 2 vooral vinden wij de treffendste blijken van grondige menschenkennis.
Het Werkje (uit 14 Hoofdstukken of Afdeelingen bestaande, welker opschriften de onderwerpen aanduiden, waarover gehandeld wordt) is vol van de allerbelangrijkste wenken en raadgevingen voor menschenvrienden, wie het veelvuldig lijden hunner natuurgenooten treft, en die gaarne op eene doelmatige wijze troost en bemoediging willen aanbrengen.
Maar hij, die hier als raadgever en wegwijzer optreedt, toont zelf dien weg goed te kennen. Wij vinden hier toch de beste gronden van troost op de meest geschikte wijze aangevoerd, voor ongelukkigen, die onder allerlei soort van lijden gebukt gaan. Vooral wordt hier ook niet vergeten het lijden naar den geest, hetwelk vaak het smartelijkste is, maar waarop meestal niet genoegzaam acht geslagen wordt.
Wij hebben er veel in gevonden, dat den lof van nieuwheid en oorspronkelijkheid ten volle verdient; maar ook, gelijk dit in een Werk van dezen aard niet anders kan, komt er veel in voor, dat men ook elders aantreft. Evenwel, ook dit bekende verkrijgt door de wijze, waarop het hier wordt voorgedragen, eene nieuwe gedaante. Dit hebben wij (om slechts een paar voorbeelden te noemen) opgemerkt in de handhaving der Goddelijke Voorzienigheid tegen de wijzen dezer eeuw, die het schijnbaar onbeduidende van de Goddelijke regering uitsluiten, bl. 152, als ook in de bijbelsche voorbeelden door den Schrijver aangevoerd, en de oogpunten, waaruit hij dezelve beschouwt. Men zie b.v. de meest bekende voorbeelden van Jozef en David, bl. 155, 156. Het laatst-
genoemde vinde hier gedeeltelijk eene plaats, en diene tevens tot proeve van den schrijfstijl.
‘Het geloof aan Gods albestuur roept ons krachtig op tot naauwlettende opmerkzaamheid, terwijl de ondervinding ons niet minder daartoe dringt. Door de treffendste voorbeelden leert zij ons dat een enkel, schijnbaar niets beteekenend voorval, ons leven als ingeschoven, dikwijls aan hetzelve zulk eene wending geeft, die onophoudelijk voortgaat, aan alles eene geheel andere gedaante verleent, en aldus eene volle verandering daarstelt. Hoe is onze bijbel rijk in zulke voorbeelden! Herinneren wij ons Jozef. Van zijnen vader was hem opgedragen, om naar den welstand zijner broeders te vernemen, en hij verliet de herderlijke tent met geene andere gedachte dan spoedig terug te keeren, en den wachtenden grijsaard berigt van zijne zonen te brengen. Was dit iets bijzonders? voorzeker neen! En toch die enkele trede uit de verblijven zijner jeugd; - welke onberekenbare gevolgen had dezelve! Zij voerde hem op het groote tooneel der wereld, stortte hem dáár in de diepste ellende; maar verhief hem ook weder tot het hoogste aanzien; zij was met wijsheid voor zijn eigen geluk berekend, en niet alleen voor het zijne, maar ook voor dat van millioenen en had den beslissendsten invloed op het lot van zijn volk. - - - -
‘En als wij het boek van ons eigen leven opslaan; o! hoe zullen wij dan zien, hoe juist in datgene, hetwelk ons onvoorziens en als bij toeval overkwam, niet zelden een bijzondere wenk, eene vingerwijzing Gods lag, om ons te brengen, waar wij uit ons zelven nimmer zouden gegaan zijn, en waar wij evenwel wezen moesten. O gij allen! wier lust het is de wegen des Heeren op te merken en zijne leidingen na te gaan, blikt terug op de verloopene dagen; en gaarne zult gij mij toestemmen, dat alles, zelfs het geringste, wat u bejegende, een verder verwijderd doel had, en dikwijls eene verblijdende, verrassende, ja beslissende wending in den gang uws levens bragt. Zulke herinneringen - zij zijn zoo kostelijk, vooral in de uren van smart; zij zijn heldere punten op ons levenspad, zoo juist geschikt om den blik opwaarts te verheffen, en in ons binnenste die troostvolle waarheid uit te storten: dat eene hoogere hand ons leidt; - zij zijn ernstige roepstemmen, om nu voortaan niets onbeduidend te achten, maar op de kleinste omstandigheden, en op het meest toevallige te letten, of hierin ook misschien een weldadige wenk van onzen God zij.’
Vooral beveelt zich dit Werk aan door den echt Christelijken toon, die overal heerscht, en nergens, ook bij diep wijsgeerige voorstellingen, verzaakt wordt. Hiertoe behoort ook vooral dit,
dat de Schrijver geene enkele gelegenheid ongebruikt heeft gelaten, om ons te wijzen op het volmaakte voorbeeld van dien Eenige, in wien wij onzen Verlosser eerbiedigen, zoo als met name bl. 29, 35, 42, 46, 62, 82, 89, 105, 119, 120, 214, als ook de geheele elfde Afdeeling.
De stijl, waarvan reeds eene proeve werd bijgebragt, is over het algemeen vloeijend, aangenaam, gemakkelijk, levendig, en klimt hier en daar tot het verhevene, zonder evenwel hoogdravende onzin te zijn. Nu en dan echter is dezelve wat gezwollen, zoo als vooral in het gesprek tusschen die twee Vrienden, No. VIII, hetgeen daar den natuurlijken toon wegneemt, die in zulke gesprekken noodzakelijk dient te heerschen. - Hier en daar hebben wij ook gestooten op te lange volzinnen, zoo als bl. 63, waar één volzin bijna eene geheele bladzijde beslaat.
Wat de verdeeling aangaat; het komt ons voor, dat deze geschikter zou zijn geweest, indien No. XII vóór No. IX ware gesteld. Immers, ofschoon elke Afdeeling op zich zelve staat, zoo is er toch tuschen alle een onafscheidelijk verband. Had de Schrijver nu eerst betoogd, hoe alle lijden in het algemeen tot de hoogste en reinste vreugde voert, en dán aangetoond, dat dit vooral ook plaats vindt bij het huisselijk leven in het bijzonder, dan bestond er een geregelde gang, die nu tamelijk wordt afgebroken; - dan had de Schrijver ook herhalingen kunnen vermijden, welke nu in deze twee Afdeelingen, vooral in het begin, worden aangetroffen, en het voorbeeld van den grootsten Lijder (No. XI), daar achter gevoegd, zou dan inzonderheid eene waardige plaats gevonden hebben.
Zoo hebben wij ook hier en daar eenige onnaauwkeurigheden aangetroffen, zoo als bl. 67 r. 6 v.o. breidden voor breiden; bl. 76 r. 6 v.o. ‘veel, zeer veel kan ons de onveranderlijke inrigting der natuur, en nog veel meer de onstuimige storm onzer hartstogten;’ aan welken zin iets schijnt te ontbreken; bl. 102 r. 6, ruime v. ruim; bl. 112 r. 4 beroofd(t); bl. 119 r. 13 licht v. lichts; bl. 124 r. 13 v.o. bepaalt(d); bl. 224 r. 13 v.o. randsoen v. rantsoen ib. r. 11 v.o. zoo telkens in plaats van zoo dikwijls, enz.
Deze kleine aanmerkingen benemen evenwel niets aan de hooge waarde van het Werk, dat wij onbepaald aanbevelen, en gaarne in aller handen zouden zien. - De Heer Radijs erkent in de voorrede: ook van den arbeid van anderen gebruik te hebben gemaakt, vooral van Polstorff Trost-und Starkungs-Büchlein en Schmaltz Predigten. Hoe veel of weinig hij echter daaruit heeft ontleend, kunnen wij niet beslissen, daar wij de genoemde Schriften, niet bij de hand hebben. Wij aarzelen intusschen niet te verklaren, dat zulk
een gepast gebruik maken van anderen arbeid oneindig hooger is te schatten, dan de volledige vertaling van menig vreemd Werk, waarbij men zich veroordeeld ziet, om met het goede ook het nietswaardige of min bruikbare te verduwen; terwijl wij bij deze aanmerking gedachtig zijn aan het nuttige werk der nijvere bij, die hetgeen zij uit den kelk van onderscheidene bloemen opzamelde, verwerkt en gezuiverd, als edelen honig wedergeeft.
Wij wenschen, dat de bekwame Schrijver door den algemeenen bijval, dien dit Werkje moge vinden, aangemoedigd zal worden, om nu spoedig ook datgene te leveren, waartoe volgens zijne verklaring reeds de bouwstoffen gereed zijn.