Sedert wij in het Vde, VIde en VIIde Nommer van dit Tijdschrift, voor 1837, de Verhalen in Dicht van den Heer van den Wildenborch uitvoerig beoordeelden, verschenen de beide bundeltjes, welke thans vóór ons liggen, in het licht. Zij doen ons geen enkel grein terug nemen van den wierook, dien wij toen den Heer Staring toezwaaiden; reeds de inhoudsopgave dezer deeltjes getuigt gunstig van zijne veelzijdigheid. Voor een paar gelegenheidsstukjes is ZEd. beleefd genoeg onze welwillendheid in te roepen; waarlijk, waren er nooit minder fraaije dan deze gedrukt, proeven uit dit genre zouden ook elders dan bij
welkom zijn.
Wij gelooven, dat onze Lezers in onzen afkeer van herhalingen deelen, en in plaats van eene verklaring wat wij in Gedichten eischen, willen wij hen aanwijzen, wat wij in die van den Heer Staring schoon vinden. Hoe zouden wij het zoetvloeijende stukje: Herdenking, kunnen voorbij gaan? ‘Zonderling,’ zegt misschien een onzer Lezers, ‘heeft een beoordeelaar in den Gids met zoetvloeijendheid op?’ Voorzeker, Vrienden! het is eene verdienste in alle verzen, mits men haar niet ten koste van sopperigheid verwerve; het is een vereischte in Erotische Poëzij. Wie echter in eene Ode de kracht van zijnen wijn doet te loor gaan, door dien met water, water, water aan te langen: hem beklagen wij; - maar wij beloofden geene theorie te geven, zie hier Herdenking:
Hoe wedijvert fraaiheid van uitdrukking in dit keurig stukje met juistheid van natuurbeschrijving, terwijl het door innige verliefdheid onwederstaanbaar aantrekt. Het is den Man waardig, die van den Minnegod zong:
Men wane niet, dat dit Mengeldicht enkel der Liefde gewijd zij; het Vaderland, de Wetenschap, Gelderland, de Natuur, de Noordsche Poëzij, de Drukkunst, alles, wat den veelwetenden en fijngevoeligen Staring belang inboezemt, zijn onderwerpen voor zijne lier. Nog eenige proeven mogen onze lofspraak staven.
Is het u niet, of gij een' der vernuftigste Rederijkers van de zeventiende Eeuw hoort in deze regelen: Ten Geleide van een' Haas, aan eenen Vriend gezonden, op zijn' Verjaardag.
Hadt gij, als ik, eenigen tijd in onze Vlaamsche (niet langer onze!) gewesten verwijld, gij zoudt het natuurlijke van den laatsten trek bewonderen.
De wending tot den regter, voor wien het geschenk bestemd was, munt nog boven dit fragment uit; wij bevelen u de lezing aan. Wij wenschten, dat onze jonge Dichters, zoo als Staring deed, de Poëten der Zeventiende Eeuw bestudeerden; hunne Werken getuigen van eene verstandige, opgeruimde, kloeke levensbeschouwing, die wij ongaarne in de Schriften onzes tijds missen. Onlangs lazen wij ergens, dat vier mannen in Holland in de 17e eeuw meer voedsel behoefden, dan in de laatste helft der achttiende eeuw genoeg was om er vijf te voeden, en zagen dit toegepast op de vermindering der ligchaamskracht; - hoe vele Dichters der Achttiende Eeuw schat gij, dat er op één' uit het gulden tijdperk onzer Letterkunde gaan?
Zoo ik ooit iemand de dichterlijke gave benijdde, ik deed het hem, die door zijn talent eene der herinnering dierbare plek, in ons klein Land, tot heiligen grond maakte; wilt gij er een paar voorbeelden van, lees Staring's Ada van Holland, als gevangene op Texel, in 1203. Zoo vaak ik er het gedruisch des winds over het woelig ruim der zee hoorde, waande ik, dat de harp der beklagenswaardige Ada mij poozen deed, en ik zag 's Gravenhage vóór mij zoodra zij aandoenlijk jammerde:
Meesterlijk schenen ons nog, in hunne onderscheiden genres, de Grondlegging van Ruslands Zeemagt; Aan mijne Dennen; De Winter; L.J. Koster; Bij eene Bruiloft.
Odin's Hela-Vaart is fraai, maar te vrij vertaald; het mist de kunstelooze eenvoudigheid van Vegtams Quida uit Saemund, den Vises, Edda; - doch liever dan ons te vermeten Staring te willen verbeteren, door het mededeelen van proeven, bevelen wij u de geestige Brieven aan eenen Vriend in het Munstersche aan. Welk een stijl voor 1787 in Gelderland!
En toch kunnen wij niet van dit Derde Stuk scheiden, zonder nog een vers over te schrijven; het ademt verdraagzaamheid, maar niet de medelijdend-hoovaardige onzer dagen: indien ik een zoon Jacobs was, ik liet het op perkament schrijven en hing de rol aan den ingang mijner Looverhut.
Hoe fraai en nieuw is deze laatste uitdrukking!
Het Vierde Stuk wordt geopend door Kerkgezangen; er heerscht in dezelve een diep Godsdienstig gevoel; terwijl zij zich door vloeijendheid van uitdrukking onderscheiden. Op deze volgen Zangstukken, onder welke wij aan dat, getiteld Ariadne, gaarne hoogen lof toekennen; wilt gij eene proeve?
Onder de Kleine Liederen schuilt menig meesterstukje. Wij, die gelooven, dat een gedeelte van het groote publiek Staring nog niet genoeg waardeert, omdat het zijne schriften nog niet genoeg kent, willen er nog een paar uit afschrijven. De poëzij van den Heer van den Wildenborch, die in zijne jeugd zoo ver boven zijne tijdgenooten stond, kan op den smaak onzer jongelingschap den weldadigsten invloed uitoefenen, en hiertoe bij te dragen, achten wij een' verdienstelijker arbeid, dan dorens te zoeken aan de roos, of, wilt gij het juister uitgedrukt, hier een woord en dáár een rijm op te sporen, hetwelk misschien door een gelukkiger had kunnen worden vervangen.
Hoe keurig van uitdrukking is: de Winterroos.
Hoe natuurlijk en hoe Hollandsch: de Zang bij den Haard:
De Jamben, welke op deze volgen, leggen een vereerend getuigenis af van Staring's jongelingschap. Gelukkig vereischen onze tegenwoordige zeden de waarschuwing niet!
En nu tot het laatste gedeelte dezer Poëzij, de Puntdichten, een vak, waarin gij vermoedt dat de Heer van den Wildenborch een meester moet zijn, zoo ik niet vergeefs voor u schreef. Alles wat de middelmatigheid, - wij plaatsten opzettelijk het aardig puntdicht, Duisterheid, aan het hoofd dezer recensie - alles, wat zij in Staring laakt, is te groote kernachtigheid van uitdrukking, te veel gedachten in te weinig woorden, te veelzijdige studie van kunsten en wetenschappen; het zijn verdiensten in een vak, dat geene sopperigheid duldt, in verzen, die zich moeten aanbevelen door geest, vernuft of luim. Of heeft de Heer van den Wildenborch niet aan die uitgebreide kennis, aan de schijnbaar in een' Dichter zoo vreemde belangstelling in alle nieuwe ontdekkingen, hetzij deze natuur of kunst betreffen, die nieuwheid van uitdrukking dank te weten, waardoor hij bijna nooit woorden en wendingen bezigt, door anderen vóór hem honderd, neen, duizendmalen gebruikt? Wij dachten dikwijls bij zijne verzen - en dit niet alleen waar het Vaderlandsche Historie gold - aan de lofspraak van Kästner:
Beslis zelf, of wij te veel zeiden.
Aardig scheen ons:
Wijsgeerig:
Er ademt een beminnelijke geest in:
Hoe dikwijls ging het u en mij als A en Z.
Neem tot proeve van de zoo even geroemde kennis:
Wij zouden u gaarne opmerkzaam maken, hoe geheel in den geest van P.C. Hooft Verdraagzaamheid, bl. 115, is; hoe voortreffelijk Const. Huygens, in een ander, bl. 104, gevolgd werd; hoe wij een' R. Visscher der negentiende eeuw hooren, in vier stukjes, van welke wij het kleinste afschrijven:
Doch gij kent Staring reeds als een' warm bewonderaar onzer
Ouden; - wij eerbiedigen in hem ook den Man van echte vrijheidsliefde: wilt gij er een bewijs van? Welk een bittere spot is er in:
Doch wij mogen niet meer uitschrijven.
Er schuilt eene Ars Poetica in deze epigrammen, jonge Dichters! bestudeert die, opdat wij eens van uwe verzen mogen kunnen zeggen, zoo als wij nu van die van Staring doen:
Slechts vier Deeltjes Gedichten wilde de Heer Staring, der grijsheid genaderd, laten herdrukken; slechts vier Deeltjes, - het ware onbillijk meer te wenschen. Er zijn vernuften, die twintig, vijftig, honderd Boekdeelen geschreven hebben, en minder door de nakomelingschap zullen worden gekend, minder heilrijken invloed op de Letterkunde van hun Land zullen uitoefenen, dan hij. Wij brengen er hem onze hulde voor toe; - maar neen, hoor, hoe de zedige Man zelf over zijn werk oordeelt, - wij zijn nog geene nakomelingschap:
Die krans heeft hem getroost toen zijne tijdgenooten hem miskenden; die kroon blijft hare waarde houden, nu de jeugd er gaarne lauweren in vlocht: zij siere hem nog lang! - de avond van het leven derzulken is schoon, want de zon der liefde gaat voor hen niet onder!