terug  begin  verderprepost
[p. 289]

Intree-Rede te Groningen en Inwijdings-Rede te Uithoorn, met Aanteekeningen en Bijlagen, door H.T. Roskes, Predikant te Groningen.

Te Groningen, bij J. Oomkens, 1837.

Wij ontvangen hier twee Leerredenen van den bovengenoemden Groningschen Leeraar; achter iedere van welke eene en andere meer en min belangrijke Aanteekening te lezen is; terwijl de Bundel besloten wordt met vier Bijlagen van den volgenden inhoud: 1e. Aanspraak bij het leggen van den eersten steen der Uithoornsche Kerk. 2e. Toespraak aan Ouders, bij den Doop van hunne Kinderen. Roskes verhaalt in eene aanteekening, achter de laatste Leerrede, dat hij deze toespraak dikwijls plagt te gebruiken te Uithoorn, ter afwisseling van het gewone formulier; gelijk mede (en deze is de 3e Bijlage) de Toespraak ter Huwelijksinzegening: hij berigt ons die thans niet langer voor zich zelven te behoeven, daar hij te Groningen, op het voetspoor zijner Ambtgenooten, het oude formulier, met wijziging en verkorting, volgt bij den Doop; en bij het huwelijk het inderdaad voortreffelijk formulier van kerkelijke inzegening, door den Kerkeraad van Groningen gearresteerd. Als 4e Bijlage volgen nu nog eenige Dichtregelen van Jan Bierman, Junior, bij gelegenheid der inwijding van de nieuwgebouwde kerk der Hervormde Gemeente te Thamen aan den Uithoorn.

Na opgave des Voor- en eersten Tusschenzangs, en der Voorafspraak, zien wij, dat de tekst der Intreê-rede te Groningen was, 2 Thess. III: 5. Eerst heldert de Leeraar dezen Apostolischen zegenwensch, voor zoo ver het noodig is, zegt hij, op, en ontvouwt deszelfs rijke beteekenis. Vervolgens herinneit hij de hooge waarde van dezen wensch, ook bij de tegenwoordige gelegenheid, aan zijne hoorders, en toont het belang aan, dat wij allen bij deszelfs vervulling hebben. Dit wordt aldus ontwikkeld. De zegenbede van Paulus is ontleend van onze behoefte; - heeft onze hoogste gelukzaligheid ten doel; - is op de kennis van den Heer gegrond; - en levert een' krachtigen prikkel op tot Christelijken arbeid. In het laatste deel der Leerrede wordt met dezelfde heilbede besloten en de intrede zegenend gedaan. Ook de tweede Tusschen- en Nazang wordt opgegeven.

Wij hebben deze Leerrede met genoegen gelezen. Zij is in welsprekenden stijl gesteld en bevat belangrijke waarheden en wenken. Of hare vinding en bewerking intusschen geheel vrij te pleiten is van hetgeen den naam van gekunsteld dragen mag, dááraan zouden wij twijfelen. Wij kunnen althans den Schrijver niet toestem-

[p. 290]

men, hetgeen wij in de Inleiding aantroffen, dat zijne Leerrede van ongekunstelde eenvoudigheid hare aanbeveling ontvangt. Maar wij willen het oordeel daarover aan den daartoe bevoegden Lezer zelven overlaten. Hetgeen toch ons gezocht toescheen (en wij meenden dat in het tweede deel op te merken) verhinderde niet, dat wij met welgevallen, op de ontwikkelde zaken lettende, voortlazen. Meer hinderde ons eene stelling, welke wij den Groningschen Leeraar moeten weêrspreken. Hij is de éénige niet, van wien wij haar hoorden: en nogtans zal het opslaan van den Griekschen tekst, Luc. XI:13, elk overtuigen, dat het, bl. 25, ten onregte eene stellige uitspraak des Heeren genoemd wordt, dat de Hemelsche Vader gereed is, om den Heiligen Geest te geven dengenen, die ER Hem OM bidden; τοῖς αιτοῦσιν αὐτόν is toch die Hem bidden. Wij weten zeer wel, dat de Staten-overzetters hier ook vertalen: die ZE van Hem bidden. Maar de Eerwaardige Hinlopen heeft in zijne Overdenkingen op deze verkeerde vertaling reeds opmerkzaam gemaakt. Wie dezes mans overdenking (het is de eerste uit den eersten Bundel) verkiest na te lezen, zal hij ernstig nadenken overtuigd worden, dat deze schijnbaar kleine aanmerking van meer belang is, dan sommigen moge voorkomen. Zij toch legt den grond, om, naar Jezus stellige uitspraak, zich meer redelijke voorstelling te maken van het geven en ontvangen van den Heiligen Geest, dan dikwerf geschiedt. Men zie tevens, dat onze Heer, Matth. VII:11, de uitdrukking verwisselt met goede (gaven), of wel het goede.

Wij gaan verslag geven van de Inwijdingsrede te Uithoorn. Wij betuigen gaarne in deze veel schoons en doelmatigs gevonden te hebben. Ziet hier haar kort beloop. Hagg. II:10b is de tekst. Deze Goddelijke toezegging beschouwt de Redenaar 1o. als eene werkelijk bestaande, geschiedkundig voor den tempel van Jeruzalem, en door gevolgtrekking ook voor dit Kerkgebouw; 2o. als eene bij uitnemendheid rijke, die namelijk uitzigt geeft op verheffing, boven het zinnelijke godsdienstig onderwijs, geruststelling voor ons geweten en tegen alles opwegende vertroosting; 3o. als eene voorwaardelijke, dit komt neder op het trouw bezoeken van het bedehuis en dat wel met de regte gemoedsstemming; eindelijk 4o. als eene onwankelbare belofte, een woord van den Heer der heirscharen en tevens proefondervindelijk bevestigd. Uit deze opgave kan ieder bemerken, dat hier zeer vele bijzondere, op zich zelve belangrijke zaken voorkomen, ieder van welke eerder met wijdloopigheid dan met te groote beknoptheid ontwikkeld wordt. Aan het slot volgen de gebruikelijke aanspraken bij zoodanige gelegenheid, als de inwijding eener kerk is; de bediening des Heiligen Doops - met het berigt, dat de jonge lieden, die het

[p. 291]

zilveren doopbekken ten geschenke gegeven hadden, verlangd hadden, dat het eerste water uit hetzelve door Ds. Roskes zou genomen worden, om het, als water des Nieuwen Verbonds, aan Christelijke kinderen mede te deelen en tot zinnebeeld eener heilige wijding aan te wenden. Daarop volgen nog de Dankzegging en Nazang. Nog een woord vóór den zegen en eindelijk de Hoogepriesterlijke en Apostolische zegenbede. Maar wij verzuimden nog te melden, dat er nog twintig bladzijden aan de Leerrede zelve voorafgaan, gevuld met het votum, vier dubbele voorafspraak, het gedeelte des Bijbels, hetwelk voorgelezen werd, het Vóórgebed, de aanbeveling van Kerk en Armen, en de Vóór- en Tusschenzangen uit de Psalmen en Gezangen.

Wij nemen de vrijheid dit verslag met eene en andere aanmerking te besluiten. Wij willen gaarne erkennen, dat dit uitgebreid stuk, met de onderscheidene Aanteekeningen en Bijlagen 118 bladzijden groot, voor de Uithoornsche Gemeente een belangrijk en genoegelijk aandenken aan de plegtigheid der Kerkinwijding is en blijven zal: wij hebben ook reeds verklaard, dat wij in deze Leerrede veel goeds en schoons aantroffen. Desniettemin kunnen wij niet ontveinzen, dat de verbazende uitvoerigheid ons mishaagd heeft. Wij woonden eens eene inwijding van eene kerk bij, bij welke gelegenheid de Godsdienstoefening volle drie uren duurde. Dat moet, dunkt ons, te Uithoorn niet minder het geval geweest zijn. En dan meenen wij tegen zoo lang rekken eener Godsdienstoefening, al was het ook nog iets korter, te moeten waarschuwen. Het is afmattend, vermoeijend, weinig stichtelijk. De Eerw. Roskes berigt ons wel in het Voorberigt, dat hij niet zoo veel op den kansel gesproken heeft, als hij hier in druk aanbiedt. Maar ook dán nog achten wij deze aanmerking hier noodzakelijk, ter waarschuwing, om deze Leerrede, als inwijding eener kerk, zich niet ten modèl te stellen; maar liever die plegtigheid naar een min uitgebreid plan in te rigten. De Schrijver zelf, in het Voorberigt meldende, dat deze Leerrede, met slechts weinige verandering, altijd, maar vooral bij het begin des jaars, overal kan te pas komen, schijnt daardoor te moeten toestemmen, dat hier menige algemeene waarheden voorkomen, welke niet noodwendig bij de bijzondere gelegenheid eener Kerkinwijding uitsluitend behooren.

Wij meenen hier nog te moeten bijvoegen, dat wij liever zouden gewenscht hebben, dat bij deze Inwijdingsrede, te Uithoorn, niet die der Intrede te Groningen gevoegd ware, daar zij van geheel verschillende strekking zijn, en de kosten van den druk voor de leden der Uithoornsche Gemeente er door bezwaard worden. Als blijvend aandenken aan de inwijding der nieuwe kerk, te

[p. 292]

Uithoorn, is dit Werkje voor de leden dier Gemeente ontwijfelbaar belangrijk. Het is natuurlijk, dat men aldaar gaarne iets meer of min voor hetzelve bestede. Maar om voor eene Intrede van eenen Leeraar in eene Gemeente, en eene Inwijding van eene kerk, éénen gulden en tachtig centen (den prijs van dit Boek) te betalen: dit rekenen wij voor vele gezinnen, die dit Geschrift zouden wenschen te bezitten, omdat zij in de inwijding van hunne kerk belang stelden, te veel, en voor het publiek twee Leerredenen, van dien aard, te duur betaald.

Om eene enkele proeve te leveren, wat wij zouden gewenscht hebben, dat de Leeraar in dit Stuk vermeden had, kiezen wij hetgeen bl. 98 en 99 te lezen staat, als inleiding op de ontwikkeling der Goddelijke toezegging als voorwaardelijke belofte. Wij verklaren ten volle, dat wij hier twee bladzijden aanhalen, welke uitnemend wèl gesteld zijn, gelijk wij dit van de geheele Leerrede willen erkennen. Wij voegen er bij, dat wij het hier voorkomende schoon gezegd vonden, ja belangrijk achtten; maar noodig hier ter plaatse, ter opheldering van eene zoo eenvoudige zaak, als die is, dat men trouw het Kerkgebouw bezoeken en wèl toezien moet, hoe men hoort, om er nut van te trekken, konden wij het niet houden: zonder eenig verlies, kon deze op zich zelve schoone episode hier gemist worden. En van hoe veel, dat hier voorkomt, ook der Aanteekeningen, waarvan zoo vele weinig beteekenend zijn, kon dat gezegd worden!

Nog eene aanmerking meenen wij niet te moeten terughouden. Zij is wel slechts tegen een enkel woord gerigt; maar wij achten haar daarom niet onbelangrijk. In het Vóórgebed, bladz. 67, komt zij voor; wij bedoelen, dat wij daar duidelijk gedoeld zien op hetgeen Jezus, Joh. XVII:3, zegt; maar Hem genoemd vinden: niet eenvoudig, zoo als Hij zelf zegt: Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt; maar den verhevensten gezant Uwer Vaderlijke liefde. Waartoe toch dit? Wij gelooven gaarne, dat de Leeraar hieraan geenerlei min Bijbelsche gedachte verbindt: en toch kunnen wij deze uitdrukking nooit goedkeuren, als daartoe aanleiding gevende, en meenen wij die aan jonge Leeraren te moeten ontraden. Het moet, dunkt ons, steeds en in alles uitkomen, dat wij Jezus voor den van God gezondene, bij uitnemendheid, houden, met niemand vóór of na Hem in het allerminste te vergelijken. Daartoe geven zijne eigene bewoordingen ons steeds aanleiding, als die zich zelven voorstelde als den uit den hemel nedergedaalde en den Zoon des Vaders.

Wij wenschen, dat het nieuw Kerkgebouw te Thamen aan den Uithoorn, voor die Gemeente, tegen alle onheilen jaren lang behoed blijve, en voor haar en haar nageslacht eene doelmatige

[p. 293]

plaats zij van waardige Godsvereering en echt Christelijke opbouwing; - en dat de Eerw. Roskes jaren lang een waardig Evangeliedienaar voor de Groningsche Gemeente zij, in ieder opzigt het voetspoor volgende van zijnen voortreffelijken Voorganger in die Gemeente, den algemeen geachten en onvergetelijken Rutgers.

prepostterug  begin  verder