De Poëzij van Anakreon heeft te allen tijde hare hooge bewonderaars gehad en zij verdient zulks ten volle; want zij is waarlijk schoon en éénig in hare soort. Geen wonder dus, dat Dichters van allerlei natiën hebben gewedijverd, om die Poëzij in vaderlandsche akkoorden over te brengen, of door eene navolging weder te geven; en toch - er zijn weinig Dichters, die zoo moeijelijk te vertolken zijn. Het hoofdvereischte van Anakreon is eene verwonderlijke naïviteit en het naïve is te naauw met de taal verwant, om met goed gevolg te kunnen worden overgebragt.
De Heeren Ten Kate en Van den Bergh hebben het nogtans gewaagd, en wel dubbel gewaagd, daar de Heeren Dornseiffen, Hoeufft en Van Hoëvell, om van anderen niet te spreken, reeds soortgelijke proeven van overbrenging der gedichten van Anakreon geleverd hadden.
Wij moeten dus in de eerste plaats vragen, of die Heeren de proeven van hunne voorgangers overtroffen hebben; want, indien hunne navolging niet beter zij, dan komt ons deze wedstrijd met Dichters uit onze dagen eenigzins bedenkelijk voor. Wij zullen vooraf den Lezer uit een paar stukjes laten oordeelen.
Slechts een Dichter, Jan de Regt Secundus (Prof. Ten Brink?) heeft ons het Grieksche:
met eene eigenaardige uitdrukking in onze taal wedergegeven:
De Lezer heeft geoordeeld. Laat eens zien, of wij overeenstemmen.
Wanneer men het oorspronkelijke met al deze vertalingen of navolgingen vergelijkt, zien wij, dat onze beide Dichters zich daarvan vrij wat verwijderd hebben. Zij zijn breedvoeriger, voegen er zeer veel van het hunne bij en verliezen daardoor de kortheid van Anakreon uit het oog. Door deze uitvoerige bewerking hebben zij vele omslagtige uitdrukkingen, stoplappen enz. in hunne verzen opgenomen en worden hier en daar te hoogdravend. De naïviteit en natuurlijkheid van Anakreon is daarbij veelal verloren gegaan.
De andere Dichters daarentegen zijn met meer getrouwheid aan het oorspronkelijke gebleven en hebben daardoor, ondanks het stroeve van sommiger vertaling, veel van het schoone behouden, zonder met invoegselen van hunne vinding een on-
voordeelig contrast daar te stellen. Men ziet dit onder anderen uit den adder en het giftig zwadder, hetwelk de beide handen oversproeit. Van dit alles staat niets bij Anakreon, en de geest van het oorspronkelijke is daardoor en door andere feilen aanmerkelijk verloren gegaan. Wij hebben opzettelijk de eerste en bekendste stukjes tot voorbeelden gekozen, en men zal, bij vergelijking van andere, tot hetzelfde resultaat komen. ‘Maar,’ - zegt veelligt iemand - ‘dat duifjen van Nieuwland bragt Ten Kate toch wat voorbedachtelijk in een' zwaren wedstrijd.’ Van harte toegestemd! Een onzer grootste literatoren zeide mij eens: ‘Nieuwland heeft door dat versje Anakreon zelven overtroffen;’ en ik reken dezen lof niet overdreven. Van juweeltjes gesproken, dan is dit voorzeker een van het allerhelderste water, en daarom konde ik mij niet bedwingen het hier nogmaals in te lasschen. Het is buiten twijfel, dat al onze Dichters niet in staat zouden zijn, al werd er een gouden penning uitgeloofd, om de ἐρασμίη πελέια zoo gelukkig over te brengen, als Nieuwland gedaan heeft. Ten Kate had dus, mijns bedunkens, beter gedaan, zich evenmin hieraan te wagen als Van Hoëvell zulks ondernomen heeft. Wij zijn van oordeel, dat inzonderheid Van Hoëvell den geest van Anakreon beter gevat, of althans wedergegeven heeft, dan onze beide Dichters, doch willen daardoor niets te kort doen aan de menigvuldige schoonheden, die ook in hunne vertolkingen worden aangetroffen.
De Gids moet vreemd zijn van alle eenzijdigheid: hij moet niet veroordeelen, om enkele gebreken; hij moet niet vergoden, om enkele schoonheden; hij moet in alles rondborstig zijn, zoo als het den Nederlander eigen is; hij moet zoo veel mogelijk inlichten en te regt wijzen, opdat de Dichtkunst onzer dagen er voordeel uit trekke. Met pruldichten kan hij zich niet ophouden, en het is genoeg, de lezers door een apage te waarschuwen, dat hij ze niet moet koopen; maar voortbrengselen van veelbelovende jonge Dichters moet hij aan eene onpartijdige kritiek onderwerpen. Zoowel bij eene omwerking, als bij het behandelen van nieuwe stoffen, zullen die Dichters, als anderen, daarmede hun voordeel kunnen doen. Uit dit oogpunt moeten de beide Dichters even als onze lezers de volgende aanmerkingen beschouwen.
De voorzang is zeer lief en zoetvloeijend, zij doet Ten Kate eer aan. Wij durven er niets uit afschrijven. Een vlekje kleeft er nogtans op.
De noten van een' dichter voor toonen mag er om het rijm nog
meê door; maar het onpersoonlijke werkwoord daauwen te verbuigen als een persoonlijk werkwoord, mag evenmin als bl. 17:
Bovendien deugt de figuur niet. Noten of toonen bevochtigen nooit. Dat kan de dichtader wel doen. Zij mogen slechts vloeijen, streelen enz., anders wordt de figuur geheel tegennatuurlijk, door zamenvoeging van heterogene zaken en werkwoorden. Deze geringe verandering:
en wij zouden geene aanmerking op dezen voorzang weten te maken.
Bl. 4 hoornen van metaal. Anakreon zegt eenvoudig κέρατα ταύροις en spreekt van geene metalen hoornen van den ongetemden stier, noch van een' muil en klaauw van een woedend pantherdier. Λέουσι χάσμ' ὀδόντων brengt Hoeufft beter over:
Τοῖς ανδράσιν φρόνημα brengt de dichter over:
Een vloed van woorden en toch niet datgene, hetwelk de dichter bedoelde en wat het voornaamste geschenk uitmaakt: verstand.
In dit geheele stukje is de geest van Anakreon volstrekt verloren gegaan.
Op bl. 7 moet wel om het rijm de bleeke Nachtgodesse in heur zilvren luchtkalesse zitten; maar wij vinden het niet fraai.
Bl. 12 luchtgewiekte. Onze dichters hebben hierin anderen ten voorbeelde; het woord heeft vrij wat klank, doch klinkt valsch.
De vertaling van den Heer Van den Bergh toont ons duidelijk, dat hij Anakreon niet begrepen heeft. De inhoud komt hierop neêr: Amor dwong mij allerlei gevaren en moeiten te tarten. Ik stond op het punt van te bezwijken en toen zeide het jongsken:
niet zoo als V.D.B.
maar zoo als Van Hoëvell:
(want ik zie, dat gij de zorgen en moeijelijkheden aan de liefde verbonden niet kunt torschen).
Amor was niet zoo kwaadaardig om Anakreon in het gelaat te slaan, zoo als V.D.B. zingt, maar hij streek hem meêwarig over het gelaat; of zoo als Hoeufft zingt:
Hoeufft vertaalt eenvoudig en juist:
V.D.B. geeft in de volgende regels nog niet eens weder, waar het eigenlijk op aankomt, de poging om den gestoorden droom te vernieuwen.
(Neen, hij was er niet door bedrogen, maar hij was te kort geweest).
Wij moeten hierbij opmerken, dat het slot der verzen van Anakreon dikwerf, om mij zoo eens uit te drukken, den slag op den vuurpijl geeft en het dus vooral er op aankomt, dit slot regt te vatten.
Ja, dat was het duifje wel; maar dat wist de vrager niet: anders behoeft hij niet te zeggen πόθεν; τίς εἶ; τι σοι μέλει.
Bl. 18 't Tintlend vuur. De t apostrophe voor een woord met t beginnende is een groote hinderpaal voor de zoetvloeijendheid.
Dat klinkt zeer goed in eene redevoering, niet in een lief versje.
Waarom niet?
Antwoord: omdat beker te eenvoudig is. En toch houd ik vol, dat berkemeier beter in een heldendicht op Graaf Willem van Holland past, da in een liedje van Anakreon.
Er is maar ééne godin der liefde en één minnegod bij de Ouden. Amor heeft geene ministers. Hij zelf doet alle zaken van zijn bestuur af. Minnegoodjes kan slechts van beeldjes gebruikt worden.
Alvermoogbaar is geen woord; maar al was het dit ook, dan zoude het hier niet deugen. De dichten wil zeggen: alvermogende; waarom niet: onweerstaanbre?
Hoe langwijlig in plaats van het korte.
Beter vertaalt V. Hoëvell, hoe plat ook:
οὐκ οἶδα beteekent wel woordelijk: ik weet niet; maar het wil zeggen: ik begeer er niets van te weten, het gaat mij niet aan, het raakt mij niet.
Bl. 29 't begeestrend nat. Men zoude zeggen, dat de dichter uit het Duitsch vertaald had; want in het Grieksch staat: λάλον ὓδωρ. Die germanismus had vermeden kunnen worden door: spraakwekkend, bezielend, betoovrend, bedwelmend, vervoerend, verbijstrend of iets dergelijks.
Bl. 30 aldoordringbre voor al doordringende.
De dichter maakt het veel erger dan Anakreon. Deze bekent, dat hij aan eene monomanie lijdt en beklaagt zich niet, dat het hem bij het genot van liefde en wijn somwijlen schemert.
onpoëtisch. Bovendien zijn de lange woorden niet bevorderlijk voor de Anakreontische zoetvloeijendheid. Evenmin passen hier:
Omgevelen is een nieuw woord en hier ongelukkig, gekozen; want een gewelf, zoo als het luchtgewelf, heeft geen' gevel van dampen en nevelen. Over het geheel neemt dit drinklied, juist omdat het een liedje behoort te zijn, te hooge vlugt. Het zeven-regelig gedichtje van Anakreon heeft er niet bij gewonnen, nu het in een zeven-en-twintigregelig gedicht is overgegoten.
Daar is weêr zoo'n Duitsch luchtje aan, waarvoor de dichter zich moest wachten. Wij moeten onze taal ongeschonden bewaren. Zij heeft rijkdom en schoonheid genoeg in zich zelve.
Opdat is onpoëtisch; spatten is een onzijdig werkwoord,
Anakreon zingt:
Hoeufft vertaalt beter in den geest van Anakreon:
Ik voor mij was ook veel liever het halssnoer van mijne geliefde, dan haar schoentje. Dit laatste zoude ik niet Anakreon alleen bij gebrek aan beter begeeren.
Vrouwen en beschaâuwen rijmt niet. Die licentia gaat te ver. Bovendien moet die gloed verkoeld of uitgebluscht worden.
Die vlugt op vleermuisvleugelen voegt hier in het geheel niet.
Bl. 51 muscadellen bloed. Ik heb niet tegen de figuur bloed van druiven; maar onze beide dichters zijn wat mild met het gebruik daarvan.
Bl. 57 albast beschamend, wenkbraauwboogenpaar en zieldoortindlend zijn te lang, en bederven dit zoetvloeijend versje:
Men zegt niet rond, maar rondom haar' boezem, of eenvoudig om.
Behalve de gerektheid van dit couplet hindert ons die rekenmeester. Beter en korter zingt Van Hoëvell:
Aankleven, ongelukkig gekozen woord in menigerlei opzigt, vooral bij het vermelden van zoo menige vlugtige liefde. In alle gevalle is het een onzijdig werkwoord. τί φῇς wil niet zeggen: wat dunkt u? maar: verwondert gij u reeds? o schrijf maar verder, ik zal u nog veel meer opnoemen.
De vlokken dekken den kalen, niet den besneeuwden grond.
Men kan den wind wel verpersoonlijken; maar ook die windpersoon moet met de lippen kussen, anders moet men hem niet laten kussen. Geen denkbaar wezen kan met zuchten kussen. Ergo ook de Zephyr niet. De dichter mag zijne verbeelding zoo veel botvieren als hij wil; maar de dichterlijke uitdrukking moet vol waarheid zijn.
Als men zóó de taal zal verrijken, dan spreken wij weldra niet meer van de Belgen, die op de vlugt gingen toen het Nederlandsche leger hun maar even de bajonetten liet zien, maar van de Belgen, die haasden toen het Neêrlandsche leger maar even stekelvarkende. De kapel vlindert niet, maar fladdert.
Dobbert is goed; maar duikelt was hier fraaijer.
Bl. 71 beeltenis, lees: beeldtenis.
omdolven is iets anders, dan omgeven, zoo het al een woord zij.
Men zegt almagtig en vrijmagtig, maar niet alvrijmagtig, veel min alvrijmachtbaar.
Eilieve, Lezer! zeg mij eens, wat dit woord beteekene. Het zal niet te verwonderen zijn, zoo de interprêtes er over honderd jaren eenige bladzijden over vullen, en op goede gronden beweren, dat, gelijk kerkeren komt van kerker, ketelen komt van ketel, en niets anders wil zeggen, dan dat Eros knaap en maagd in een' ketel stopt.
Niettegenstaande deze en andere aanmerkingen, die er op de Oden van ten K. en v.d.B. te maken zijn, willen wij gaarne erkennen, dat zij ook hare schoonheden bezitten.
Tot eene proeve willen wij hier nog het liedje aan eene zwaluw laten volgen. Het is eene gelukkige bewerking van het tienregelig versje van Anacreon. De meerdere uitvoerigheid heeft hier geen nadeel gedaan.
Slechts de regel: mijn vlammen gebluscht hinderde ons.
De uitvoering van dit Boeksken is allerkeurigst. Een sneeuwwitte omslag prijkt met purperkleurige letteren door eenen fraaijen groenen rand omgeven. Een lief vignet en nette druk beantwoorden aan het uitwendige. Het Boeksken is verguld op sneê, en in een kokertje wèl bewaard. Van Boekeren heeft er eer van.
Indien men een' Anakreon aan onze Schoonen durft aanbieden, dan is dit Boeksken het volkomen waardig. Hare sneeuwwitte vingertjes zullen het teedere omhulsel niet bezoedelen; de taal- en dichtkundige vlekjes, die wij hebben aangewezen, zullen zij gemakkelijk over het hoofd zien.