Menig een, die het aangekondigde Werkje in handen neemt, zal welligt, op den titel afgaande, in den waan zijn, hier eene bijdrage tot de Vaderlandsche Handelsgeschiedenis te vinden. Bij het gemis van een volledig Werk over dit onderwerp, moet iedere afzonderlijke beschouwing belang inboezemen en de aandacht opwekken, zoo als nog in de laatste jaren met de levensbeschrijving van Lodewijk de Geer en vooral met de classieke Prijsverhandeling van onzen reeds overledenen landgenoot Berg van Middelburgh, de Nederlanden en het Hanzeverbond, het geval geweest is. In eene beschouwing der vroegere Wetgevingen hieromtrent verwachtten wij, dat de Schrijver den handel in zijne eerste beginselen zou hebben nagevorscht, dat hij de aanraking met, betrekking tot en invloed op den Staat, bij verdere ontwikkeling zou hebben geschetst, en vooral, dat hij de werking van den handel op de wetgeving,
en van de wetgeving op den handel historisch zou hebben onderzocht, getoetst en beoordeeld, daarbij altijd zijn hoofddoel, de In- en Uitgaande regten, voor oogen houdende.
Doch niets hiervan. Het Boekje van den Heer Van Hees is onbeduidend, hetzij men hier eene bijdrage tot de handelsgeschiedenis, of tot die der belastingen, hetzij men een staatshuishoudkundig onderzoek, hetzij men eindelijk eene brochure van den dag bij gelegenheid der toen voorgedragene wijzigingen in het tarief meent te lezen. Het geheel is onvolledig, oppervlakkig, onduidelijk.
De Schrijver begint met op te merken, dat in de 15e en 16e eeuw zich in de rigting der staatkundige begrippen geen enkel groot denkbeeld ontwikkelde; maar schijnt het der moeite niet waardig te keuren een oogenblik stil te staan bij het onderzoek, waardoor de handel in die tijden dan toch wel zoo bijzonder mag hebben gebloeid. De vorsten (dus vervolgt hij) besteden weinig of geen arbeid aan haar; (aan wie? de Schrijver vergeet dit te zegeen). Ook de wetenschap des Kardinaals Ambroise bepaalde zich, om op de gemakkelijkste wijze geld te krijgen. (Ik zou gelooven, dat de staatshuishoudkundige kennis van menig Minister ook thans nog in niet veel anders bestaat). Belastingen van verschillenden aard waren alleen de middelen om de meer en meer strijdende behoeften te bestrijden; (waarmede strijdende? de Heer V.H. verzuimt dit er bij te voegen).
Op deze wijze voortgaande, worden (want wij moeten ons bekorten) circa 4 eeuwen in circa 4 bladzijden afgehandeld. De Schr. komt dus tot eene beschouwing der drie stelsels, het mercantiele, physiocratische en industriëele, waarin niets voorkomt, dat niet in bijna ieder Handboek over Staatshuishoudkunde, beter ontwikkeld, en vooral duidelijker voorgesteld wordt.
Van bl. 13 af wordt een vrij onbepaald overzigt van den bloei des Vaderlands als handelsstaat gegeven, en worden eenige oorzaken, die hiertoe medewerkten, opgenoemd. Eerst op bl. 17 begint de Schrijver over de wetgeving op Handel en Zeevaart te spreken. De geest van het handelsstelsel der Republiek wordt hierop geschetst, als zich oplossende in verbodswetten of hooge regten. Deze geest vertoonde zich in eene menigte Tractaten van dien tijd, en zelfs in het Tarief van 1725. Hoe gewigtig de gevolgen waren bleek uit de beide oorlogen met Engeland, onder Cromwel en Karel II, uit dien met Lodewijk XIV en uit den Engelschen oorlog van 1781.
Na dit alles als ter loops en zonder eenig grondig onderzoek te hebben aangevoerd, komt de Heer V.H., bl. 20, eensklaps weder op den bloei des handels in de 17e eeuw, op het verval beginnende met 1720, en op de Propositie van Zijne Doorluchtige
Hoogheid Willem IV, tot redres van den Koophandel van 27 Aug. 1751. Dit stuk is het éénige, dat van naderbij beschouwd wordt. Het voorgevallene na den dood des Stadhouders wordt hierop kortelijk aangestipt, waarna de Schr. wat breedvoeriger spreekt over het begin der 19e eeuw, en wel bijzonder over het Tarief van 1816, en de belasting op den invoer van granen van 1824. De vermindering in de scheepvaart hier te Lande wordt daarop vergeleken met de gunstige resultaten van het stelsel van Huskisson in Engeland. Maar des Schrijvers Statistiek bepaalt zich enkel tot getallen, zonder eenig onderzoek naar andere omstandigheden, die op handel en scheepvaart invloed hebben gehad of konden hebben. Eene wijze van beschouwing, die naauwelijks den naam van Statistiek verdient. Het Boekje eindigt met gunstige vooruitzigten in de toekomst, waarbij onder anderen de opmerking gemaakt wordt, ‘dat 's Lands bestuur, door het aanbieden van een nieuw ontwerp van tarief, zijne voortdurende bezorgdheid in en behartiging van de belangen des handels aan den dag gelegd heeft.’ Wij vooronderstellen, dat de Schrijver wel weten zal, dat de Hooge Regering er niet aan gedacht heeft een nieuw Tarief aan te bieden, maar slechts enkele weinige wijzigingen heeft voorgesteld, die zoo zeer voor de belangen des handels geschikt waren, dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal ze later met eene vrij groote meerderheid heeft verworpen. Wij staan in verzoeking, of wij hier eene schromelijke onnaauwkeurigheid, dan wel eene ironische berisping van het Gouvernement moeten vinden.
Genoeg over den inhoud. En nu de betoogtrant, de redenering, de stijl? Hebt gij, Lezer! Prof. Geels Onderzoek en Phantasie gelezen? Ik wil het van uw' goeden smaak verwachten. Het zal u dan ligt even als mij gegaan zijn. Ge zult den man lief hebben, die zóó schrijft. Ge zult u getroffen en medegesleept voelen, door zijne nieuwe inzigten en oorspronkelijke ideeën. En evenwel, bij de lezing van het Boekje van den Heer V.H. wenschte ik wel het Boekje van Prof. Geel niet te hebben gelezen. De mensch en zijn stijl zijn één, zegt de Hoogleeraar. Dus (redeneerde ik) is de Heer Van Hees één met zijn' stijl en zijn stijl is.... Ik laat het aan u over, hoe ge dien noemen wilt; maar ik wil ten opzigte van den Schr. gaarne gelooven, wat de Professor van Hildebrand gelooft, dat hij en zijn stijl Niet één zijn.
Vergeef mijn' uitstap en beschouw dien als een' langen tusschemin. De Heer V.H. houdt veel van tusschenzinnen. Bezie dan nu, om weder ter zake te komen, de Voorrede maar eens. Ge behoeft geen vergrootglas te gebruiken, om te zien, dat ik niet te veel zou gezegd hebben, indien ik den stijl armzalig genoemd had. Ik weet niet regt waar het hapert; maar ik verbeeld mij, als de Schrijver eens
het fraaije dezelve, hetzelve, afzwoer, indien hij eens geene tusschenzinnen meer schreef, indien hij zich eens van het oneindig gebruik der participia losmaken kon, dat het dan ten minste dragelijk zijn zou. Reeds in de eerste zinsnede der Voorrede komt tweemaal denzelven voor. Wat verder lezen wij: ‘de buitengewone omstandigheden in welke Europa zich heeft bevonden, heeft (!) de beginselen dezer wetenschap op de zwaarste proef gesteld.’ De uitdrukking gemeene belangen moge al taalkundig niet onjuist zijn, ze is duister door de drievoudige beteekenis van het woord gemeen (communis, universalis, vilis). Ook wist ik, dat een weg wel eens bij wijlen terug en dus van het doel afvoeren kan; maar een Voortgang die aan Teruggaande beweging onderworpen is? Voor dit nieuwe denkbeeld zijn wij den Schrijver dank verschuldigd.
Meent niet, dat de Voorrede alleen mijn gezegde bewijst. Het Werkje zelf is nog erger. Een enkel staaltje hiervan zal u doen zien, dat mijne aanmerkingen niet ongegrond zijn. Het is het begin eener beschrijving van het mercantiele stelsel (bl. 7 sq.)
- ‘Het geld de zenuw des oorlogs zijnde waarvan men meermalen had ondervonden, dat deszelfs gunstige of ongunstige uitslag afhing; hetzelve tot bereiking aller doeleinden des bestuurs noodig zijnde - elken menschenarbeid en deszelfs vruchten door hetzelve kunnende verkregen worden, - in een woord het geld als werktuig en maatstaf verstrekkende bij meest alle handelingen, hetzij ruiling, hetzij schatting enz., zoo oordeelde men rijkdom en geld woorden van dezelfde beteekenis, en dacht alzoo de vermeerdering van hetzelve in een land het hoofddoel der Staatshuishoudkunde te zijn.
‘Het wezen van den nationalen rijkdom aldus bepaald hebbende, meende men naar deszelfs bronnen zoekende, dezelve in fabrijken en buitenlandschen handel te vinden, daar de volken welke deze bezaten, de rijkste werden’ enz.
Druk en papier zijn slecht.
A.