Wie den ongenoemden Schrijver de vita et rebus gestis Dominorum de Arkel (Matth. Anal. V:234) slechts nu of dan heeft ingezien wie de Jaarbeschrijving van de stad Gorinchem van Abraham Kemp gelezen heeft, of Slichtenhorst Korte Beschrijving des Lands en der Heeren van Arkel kent, zal gaarne toestemmen, dat de Heeren Van Arkel waardig zijn eene hoofdrol in een dichterlijk of romantisch tafereel te spelen. Heeft Paffenrode in zijn Treurspel: de Ondergang van Jr. Willem van Arkel, weinig blijken van zijn talent gegeven; Mr. J. van Lennep heeft ons in zijne Jacoba en Bertha een treffend tafereel uit de laatste levensdagen van Willem van Arkel opgehangen, en al is de Dichter ook wat vrij in het wijzigen van feiten, wij vergeven het gaarne aan de Muze, die ons zoo aangenaam weet te boeijen, dat zij wat willekeurig met de Geschiedenis omspringt.
Wij wenschten, dat het vóór ons liggend stuk een' waardigen tegenhanger in Proza van de bevallige Poëzij des genoemden Dichters mogt opgeleverd hebben; maar wij moeten het tot ons leedwezen bekennen, dat alle verdienste van den Schrijver zich tot eene gelukkige keuze van het onderwerp bepaalt.
De Schrijver begint met kortelijk de aanleidende oorzaak van het beleg van Gorinchem in 1402 op te geven en hangt daarna
een tafereel van het beleg op. Roderik, dien wij later als een' bastaard van Jan van Arkel leeren kennen, en die in den beginne de belangstelling nog al eenigzins opwekt, speelt bij de menigvuldige uitvallen de hoofdrol en doet wonderen van dapperheid. Nadat het verdrag de vijandelijkheden had doen ophouden, verdwijnt Roderik heimelijk uit Gorinchem, vertrekt naar Duitschland en komt op het Slot Everstein (niet te verwarren met Everstein, in de nabijheid van Gorinchem gelegen) bij zijne moeder, die hem het geheim mededeelt, dat hij een onechte zoon van Jan van Arkel is; en nu ontmoeten wij dezen held, van wien wij nog zoo veel verwacht hadden, niet weêr, vóór in het laatste gedeelte het Boek.
Wij moeten den hoofdpersoon van het verhaal (indien er een hoofdpersoon in zij) dus veeleer zoeken in zekeren Frederik, die vroeger, in een steekspel te 's Hage, kennis gemaakt had met Agnes de Bloote, ter harer bescherming naar de wallen van Gorcum gesneld was en levendig deel in de verdediging neemt. Na het eindigen des oorlogs had hij zich weder naar zijn' vader begeven, die hem tot straf van zijne onderneming, om tegen Graaf Willem het zwaard te voeren, in een' toren opsloot, waar hij twee jaren doorbragt en door hulp van een' vriend ontsnapt. Op zijne vlugt ontmoet hij juist van pas een rijtuig, waarin zich eene vrouw bevond, die om hulp riep. Na een bloedig gevecht wordt hij haar redder en ontdekt, dat het zijne Agnes was, die hij uit handen van roovers, door Brederode afgezonden, om haar te schaken, verlost had. De Schepen De Bloote verlaat hierop, uit vrees voor Brederode, Gorcum en zoekt in Gelderland eene schuilplaats bij den Ridder Staechen van Brakel. Dit kasteel wordt door eene bende Hollanders aangevallen. Frederik snelt met eenige ruiters uit Bommel te hulp en ontzet hetzelve. De vaderlijke vloek, die op Frederik rustte, belet nu nog alleen de verbindtenis met zijne Agnes. Hij had juist besloten, om zich in de Duitsche oorlogen eene afleiding der huwelijksgedachte te verschaffen, toen hij tijding van het overlijden zijns vaders ontving. Nu volgt weldra het huwelijk van Frederik en Agnes en het overlijden haars vaders. Het kasteel wordt op nieuw belegerd en door Staechen, Frederik en Agnes, daar zij tegen de overmagt der vijanden niet langer bestand waren, verlaten.
Frederik begeeft zich met zijne echtgenoote naar Duitschland en vat het voornemen op, om zich dáár een landgoed aan te koopen, waar hij in rust en vrede het echtgeluk smaken kan. Hij ontmoet den Heer Jan van Arkel. Zij worden door roovers overvallen en gekneveld; doch Roderik toevallig met een gevolg aankomende, verlost hen en brengt hen op het kasteel Everstein
bij zijne moeder. Jan van Arkel verneemt zoodra niet, dat hij op het Slot der geliefde zijner jeugd is, of hij werpt zich te paard, en vertrekt voorts naar Vlaanderen. Later gevangen genomen en naar Holland gevoerd, smacht hij in de gevangenis te Zevenbergen. Roderik neemt het besluit zijnen natuurlijken vader te redden. Dit gelukt hem; maar hij wordt het slagtoffer van het zwaard des vervolgenden vijands. De Heer Van Arkel wordt in zijne heerlijkheden Lederdam en Schoonrewoerd hersteld en - sterft.
En nu ons oordeel. Het beste, dat wij in het stuk vinden, is de voorstelling der geschiedkundige feiten, die, met weinige uitzonderingen, der waarheid getrouw worden voorgesteld; maar de romantische inkleeding is eigenlijk - wij moeten het bekennen - beneden alle kritiek.
Wij willen er toch iets van zeggen; men mogt ons anders ligt van eene apodictische veroordeeling beschuldigen.
Vooreerst missen wij een' hoofdpersoon in dit tafereel. Noch Roderik, noch Frederik, veel minder Jan of Willem van Arkel kunnen daarop aanspraak maken. Ten anderen bestaat er zoo min verband tusschen de geschiedkundige feiten, welke ons worden medegedeeld en het romantische tafereel, als tusschen de tooneelen, aan het scheppend vernuft van den Schrijver ontleend, onderling. Het zijn fragmenten der Geschiedenis, achteloos daarheen geworpen, tusschen fragmenten der verdichting, en welke verdichting? de ontvlugting uit een' toren, de ontvoering van een meisje (zonder dat men verneemt, of Brederode dit uit liefde voor haar of uit eenige andere oorzaak zoude gedaan hebben), voorts belegering van een kasteel, een aanval van roovers, nogmaals eene ontvlugting en nog eenige alleronbeduidendste tooneelen. De S. schijnt op goed geluk ter neêrgeschreven te hebben, wat hem voor den geest kwam, en op de laatste bladzijde nog niet datgene gehad te hebben, waarmede men dient te beginnen - een plan. Bovendien is niet één tooneel behoorlijk uitgewerkt of kan ons een oogenblik boeijen. De stijl is beneden het middelmatige en dikwerf duister. Het Boek krielt van drukfouten, hoezeer de S. er slechts ééne opgeeft, en de uitvoering is tamelijk wèl.
Ziedaar ons oordeel over een Boek van 179 bladzijden, hetwelk wij ex officio gelezen hebben, hoezeer het ons moeite kostte. Zoo het beschaafd publiek er den moed toe heeft, het worde door onpartijdige lezers, zoo als wij, gelezen, en ik zoude mij schamen, zoo er één bevoegd regter optrad, die niet met mij verklaarde, dat de Schrijver aan zijne Romantische Muze maar voor altijd naar afscheid moet geven.